Column

door Hannemieke Stamperius

Op de dag dat ik het verzoek kreeg voor dit alumniblad een column te schrijven, bereikte mij ook een brief van uitgeverij Wolters met de mededeling dat zij zich, tot hun spijt, genoodzaakt zag mijn dissertatie uit de handel te nemen. Ik begon mijn studie in 1961, en promoveerde twintig jaar geleden. Naar herinneringen aan mijn studietijd bestaat kennelijk meer vraag dan naar wat toen nog gold als de bekroning ervan.
Altijd is mijn verhouding met het verleden, dat zich alleen in hakkelige stukjes en beetjes herinneren laat, een ingewikkelde geweest. Voelt eenieder om mij heen zich schijnbaar als vissen in het water van de continuÔteit, voor mij betekent terugkijken steevast een blik werpen naar de andere kant van een kloof: het verleden transformeert zich vrijwel steevast tot verhaal.
Hoewel ik verandering niet altijd terstond met enthousiasme omhels, betreur ik het niet dat zij de essentie van het leven is, en met een glimlach kan ik kijken naar dat meisje van toen met wie ik me niet kan identificeren, maar die toch de moeder was van de middelbare vrouw die ik ben geworden zoals ik de moeder ben van de oude vrouw die ik worden ga.
Dat meisje dat in '61 in de Biltstraat Nederlands begon te studeren, met wie ik te doen heb vanwege haar onhandigheid maar dat ik bewonder wegens haar ijver, een verlegen vechtertje dat haar eigen kracht nog niet kende en dat, als haar mening afweek, in eerste instantie dacht dat zij het zelf waarschijnlijk fout zag en voelde - de kiem van de latere eigenwijsheid aanwezig maar vooralsnog verstikt door gebrek aan vertrouwen. Dat meisje zou mijn latere activiteiten op het gebied van vrouwen en literatuur als onergocentrisch anathema hebben beschouwd, en zij wist nog niet dat haar liefde voor interpretatie en romantheorie ooit vooral zou worden misbruikt voor het schrijven van romans. Het verleden gereduceerd tot verhaal. Het hofje in de Kruisstraat waar ik de jaren tussen candidaats en doctoraal heb doorgebracht is nu een parkeerterrein. Simon de Wit, waar de tomaten twintig cent per kilo kostten, bestaat niet meer. En wie weet nog, dat je geacht werd op te staan als de hoogleraar of docent binnenkwam?
Een groot aantal van degenen voor wie ik toen zo gretig opstond, is er niet meer. Het lijkt zinvol, hen in Nedwerk te memoreren.
W.A.P Smit (Wap Smit voor ons), die zo mooi kon uitleggen wat een antithetische parallellie is en dat een negatief resultaat ook een resultaat betekent, leerde me altijd alles van twee kanten te bekijken. Van Haeringen, die weigerde te erkennen dat hij soms getrouwde vrouwen onder zijn gehoor had. Het taalgebruik in die dagen noemde ons 'meisjes', later werd dat 'vrouwen', nu zeggen we opnieuw 'meisjes' maar toen was het 'dames' en in de aangesproken vorm 'juffrouw': pas als je getrouwd was werd je een mevrouw. Van Haeringen daarentegen sprak degenen die al zover waren steevast aan met U, zelfs met het risico daardoor ongrammaticaal te zijn ('Ja, U'; 'Nee, U'; 'nu bent U aan de beurt, U.') Alleen uitgaan was in die dagen ook taboe: vandaar dat ik hem tweemaal mocht vergezellen naar de schouwburg, eenmaal naar Who is afraid of Virginia Woolf, en eenmaal Hamlet. Als ik me goed herinner was het beide keren de Haagse Comedie met Ank van der Moer en Han Bentz van den Berg, maar wat ik nog zeker weet is dat ik 'Virginia Woolf', zoals het stuk door cultuurbarbaren onrechtvaardig met de naam van ťen van Europa's grootste schrijfsters werd aangeduid, de week daarvoor al had gezien maar dat niet aan de hoogleraar durfde op te biechten. En Sonja. Sonja Witstein, die sprak in dermate Proustiaanse volzinnen dat het onmogelijk was van haar colleges aantekeningen te maken. Tegen de tijd dat een zin af was en je er de essentie uit zou kunnen halen was zij alweer aan de volgende begonnen, zodat een eigen ontwerp steno de enige, onduidelijke, oplossing was. Na mijn candidaats ging zij naar 'de over-kant', zoals we, inmiddels gevestigd in de Emmalaan, het Instituut voor Algemene Literatuurwetenschap aan de Ramstraat noemden, en nog later maakte zij een einde aan de barbaarse traditie in Leiden waar men immers hoogleraren placht te prefere-ren die het vak als amateur beoefenden. Inmmiddels had de liefde mij ook (tijdelijk) naar die stad geroepen - ik reisde tussen Leiden en Utrecht op en neer voor mijn tweede doctoraal 'aan de overkant' en later voor de nu onverkoopbare dissertatie waarin ik een model probeerde op te stellen voor het interpreteren van poŽzie - en in Leiden kwamen Sonja en ik elkaar weer tegen. Toen ze stierf liet ze mij haar exemplaar van Ram Horna na. Ik herinner me hoe ze, in de auto op weg naar Alphen, in herfstlicht rijdend langs het water, vertelde dat zij de natuur via de indirecte weg van de natuurpoŽzie had leren liefhebben. Toen vond ik het vreemd, dat het iemand makkelijker viel gevoelens via literatuur te beleven dan rechtstreeks uit het echte leven. Nu ben ik zelf over een paar jaar zo oud als zij was toen ze stierf, en merk dat ik steeds vaker naar poŽzie grijp als ik op zoek ben naar innerlijke rust. Toen betekende poŽzie vooral de uitdaging van de interpretatie - nu verheldert zij vooral mijn beleving. Met wat ik tussen toen en nu geleerd heb, herinterpreteer ik wat me toen werd verteld, en kan het beter begrijpen.
Want zo is het ook: naarmate je ouder wordt en verandert, verandert het uitzicht over de kloof - verandert het verhaal van het verleden.

Hannemieke Stamperius (1943) promoveerde op de verzen van Marsman, publiceerde in Opzij en onder het pseudoniem Hannes Meinkema verschenen van haar onder meer de romans En dan is er koffie (1976) en De driehoekige reis (1981).

[an error occurred while processing this directive]