Afdeling Vroegmoderne letterkunde

    Eerstejaarscollege



    portrettengalerij

    Introductie   De Gouden Eeuw   Politiek   Godsdienst   Liefde en huwelijk   Handel   Studiehandleiding  


    Introductie

    In zes weken tijd introduceren we de Nederlandse literatuur van de zeventiende eeuw. Literatuur en maatschappij waren in die "Gouden Eeuw" sterk verbonden, daarom gaan we ook op ontwikkelingen in de zeventiende-eeuwse samenleving in: het denken over mens en wereld, de politieke en religieuze kant, de handel op overzeese gebieden, opvattingen over liefde en huwelijk enz. Om het verband tussen de colleges te zien, is het goed om bij aanvang dit overzicht te lezen. Raadpleeg je dit overzicht op Internet, dan kun je op diverse plekken doorklikken naar andere pagina's die meer informatie bieden.


    De Gouden Eeuw

    De zeventiende eeuw was een welvarende tijd voor Noord-Nederland. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, weliswaar in oorlog met Spanje (1568-1648), dreef handel met het tal van landen in zowel Europa, als in Afrika en Azië, en wist zich middels handelsorganisaties als de VOC (vanaf 1602) en WIC (vanaf 1621) verzekerd van een stabiele positie op de wereldzeeën. Koopmannen bouwden van hun nieuwe rijkdommen indrukwekkende grachtenpanden in Amsterdam, en investeerden in grond die vrijkwam door het droogleggen van polders in het dichtbevolkte en invloedrijke gewest Holland. De kunstenaars speelden op deze maatschappelijke ontwikkelingen in; Vondel prees bijvoorbeeld in zijn gedicht 'De Beemster' de drooglegging van de gelijknamige polder.
    De gouden tijd van de economie liet op allerlei terreinen sporen na. Ook de letteren kenden in de Republiek in de zeventiende eeuw een bloeitijd. Deze periode wordt aangeduid met de term Renaissance, wat wedergeboorte betekent. Het gaat dan om de wedergeboorte van de klassieke cultuur. Kunstenaars en wetenschappers uit Italië hadden er vanaf de veertiende eeuw voor gezorgd dat er overal in Europa hernieuwde aandacht voor de Griekse en Romeinse oudheid was ontstaan. Je zult de invloed van die literatuur op veel plaatsen in de behandelde teksten terugvinden. Ook gebouwen en schilderijen uit die tijd dragen er de sporen van; in de colleges zal ook daaraan aandacht worden geschonken.

    Hoewel de Republiek dus een van de welvarendste landen van Europa en de wereld vormde, waren de Nederlanders het onderling lang niet altijd eens. Vooral politieke en godsdienstige kwesties leidden tot onrust, bijvoorbeeld de periode 1609-1621, het Twaalfjarig Bestand. Een hooglopend conflict tussen stadhouder Maurits van Oranje Nassau en raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt eindigde met een staatsgreep door de eerste en de dood van de laatste. Twisten als deze boden talloze schrijvers stof voor bijvoorbeeld gedichten, pamfletten en toneelstukken. Literatuur en maatschappij waren onlosmakelijk met elkaar verbonden; veel zeventiende-eeuwse teksten zijn dan ook opiniërend. Dat is al te zien aan Vondels gedicht over de Beemster, en op het college zullen we daar nog veel meer voorbeelden van tegenkomen: van Vondel, die schrijft over kerkelijke twisten rond de Synode van Dordrecht in 1618, van Cats, die in Houwelick (1625) nieuwe normen en waarden rond liefde en huwelijk overdraagt, en van Bredero, die het gedrag van de losbandige boeren aan de orde stelt.

    Hiermee is een aantal namen van grote, beroemde dichters uit die Gouden Eeuw genoemd. Maar in deze cursus kijken we ook naar teksten van auteurs die nu minder bekend zijn, maar die in hun eigen tijd veel invloed gehad hebben, zoals Dirk Volkertsz. Coornhert en Hendrik Laurensz. Spieghel. Ook voor vrouwen stond het schrijverschap open, maar in beperktere mate dan voor mannen. Op de rol van vrouwelijke auteurs wordt in het tweede jaar uitgebreider ingegaan.


    Politiek in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

    Zoals gezegd was Noord-Nederland in het eerste deel van de zeventiende eeuw in oorlog met Spanje. Op deze kaart zie je de geografische indeling in de Republiek in 1648. Van de gewesten die in de Republiek verenigd waren, was Holland (samen met Zeeland) het belangrijkste. Een koningshuis kende de Republiek niet, maar wel was er een adellijke familie, afstammend van de in 1584 vermoorde Willem van Oranje, die gedurende lange periodes de macht in handen had. Het waren `stadhouders', dat wil zeggen: plaatsvervangers van de vorst (die er dus in het geval van de Nederlanden niet meer was). In tijden van crisis werden deze Oranjes als de grote redders van het volk gezien. Het jaar 1672 bijvoorbeeld, de geschiedenis ingegaan als `het rampjaar', viel bijvoorbeeld in zo'n periode van crisis, omdat de Republiek door drie buitenlandse mogendheden tegelijk werd aangevallen. Daarvan kreeg de regerende raadpensionaris Johan de Witt de schuld, en hij werd door het volk verdreven om een Oranje aan het hoofd van de Republiek te kunnen hebben. Over dat rampjaar hebben we het in dit college uitgebreid. Ook de oorlog met Spanje komt aan de orde, waarvan we in geuzenliederen als het Wilhelmus allerlei details terugvinden.


    Godsdienst in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

    Tot het begin van de zestiende eeuw had de rooms-katholieke kerk in Europa alleenheerschappij. Daarna werd dat, onder invloed van reformatoren als Luther, Calvijn en Zwingli anders. De kerk viel uiteen in een rooms-katholieke en talrijke protestantse richtingen. De invloed van de reformatie was ook in Noord-Nederland goed merkbaar. Hoewel het rooms-katholieke Spaanse koningshuis er de ketterij de kop in probeerde te drukken, kwamen er al snel tal van afwijkende groeperingen in de Republiek opzetten. Vanaf het midden van de zestiende eeuw streden doopsgezinden, calvinisten en in mindere mate lutheranen voor vrijheid van godsdienstuitoefening. Daarnaast was er sterke invloed van een groep humanisten, onder aanvoering van de al genoemde Coornhert, die algemenere inzichten over het geloof verspreidde.

    Het hele zeventiende-eeuwse leven was doordrenkt met religie. Algemeen aanvaard was de gedachte dat voor- en tegenspoed uit Gods hand ontvangen wordt, en dat Zijn invloed zich op alle aspecten van het leven en de dood doet gelden. De zeventiende-eeuwse literatuur weerspiegelt de belangrijke plaats die religie innam. Dat zie je in teksten die we nu nog `religieus' zouden noemen omdat ze de bijbel of een godsdienstig onderwerp als uitgangspunt nemen, maar ook in teksten die op het eerste gezicht veel minder met religie verbonden zijn: gedichten voor verjaardagen bijvoorbeeld, pamfletten over politieke kwesties, kluchten, liederen enzovoort enzovoort. Politiek, het dagelijks leven, liefde en huwelijk, de handel: met al deze zaken was de religie sterk verbonden, zoals op dit embleem uit het oeuvre van Jan Luyken, waaruit besef over de vergankelijkheid van het aardse leven overduidelijk blijkt.


    Handel in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

    De gedachte dat de zee van iedereen is, dankt de wereld aan een Nederlander, Hugo de Groot (die bijvoorbeeld ook op de kop van het Amsterdamse IJ aan de beurs van Berlage te bewonderen is). De Groot schreef in 1609 een boek over het recht van de Republiek op vrije doortocht naar Indië, Mare liberum (De vrije zee) genaamd, en dat boek vormt nog steeds de basis van de internationale zeewetten. In 1609 was de Republiek al enkele decennia druk doende op met name een tweetal handelsroutes: die naar de Scandinavische landen in het noorden en die naar de Oost, naar Indië. In 1602 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht om de krachten van alle koopmannen die met Indië handelden te bundelen. In 1621 volgde de West-Indische Compagnie voor de vaart op Amerika.


    De Nederlandse bedrijvigheid op zee werd niet zonder slag of stoot door andere landen geaccepteerd. De poging van Van Heemskerck en Barentsz. om in 1596-1597 via de Noordpool Indië te bereiken, was een poging om de Spaanse hegemonie in de Aziatische gebieden te omzeilen. De expeditie strandde in het ijs, en een deel van de bemanning wist in `Het behouden huis' op Nova Zembla te overleven. Recent onderzoek naar die overwinteringsplek heeft een goed beeld opgeleverd van de soort literatuur die zeemannen op reis meenamen: van psalmbundeltjes tot reisverslagen, en van toneelstukken tot liedboekjes. Pogingen van de Nederlanders om Kaap de Goede Hoop in eigen heerschappij te krijgen waren succesvoller dan de expeditie van Heemskerck en Barentsz..


    Wie verre reizen doet, kan veel verhalen. De zeemannen schreven ook zelf, om hun ervaringen en avonturen aan de achterban bekend te maken. Het Journael van schipper Bontekoe uit Hoorn is wellicht de bekendste van deze reisverslagen, maar zo verschenen er in de zeventiende eeuw nog veel meer. In het college zal een indeling van die teksten worden besproken, en komen enkele voorbeelden wat uitgebreider aan de orde.



    Liefde en huwelijk in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

    Toen in de Republiek aan het einde van de zestiende eeuw de rooms-katkolieke ethiek langzamerhand verdrongen werd door de protestantse, en adellijken en geestelijken terrein prijs moesten geven ten faveure van de gewone burgers, ontstond onder meer behoefte aan een nieuwe huwelijksmoraal. Vanaf ongeveer 1580 moest in alle gewesten het huwelijk in de kerk worden aangekondigd, en aan clandestiene vorming van samenleven kwam daarmee langzamerhand een eind. Ook trad een verschuiving op in de visie op het doel van het huwelijk. Was dat voor de rooms-katholieke kerk het grootbrengen van kinderen, in de protestantse moraal was het elkaar bijstaan van veel groter belang. In die veranderende tijden verschenen van teksten over liefde en huwelijk. Cats' Houwelick (1625) bijvoorbeeld, waarin met name de vrouwen voor alle levensfasen wijze adviezen vonden.

    Nieuw was, zo rond 1610, ook het gebruik onder jongeren om vaak dure embleem- en liedboeken aan elkaar kado te doen. Daarin werden de verschillende aspecten van de liefde uitgebeeld. De combinatie van beeld en tekst bood vermaak, en de kernachtige spreuken strekten tot lering. Een goed voorbeeld is Hoofts Emblemata amatoria uit 1611, waaruit hier een embleem is afgebeeld. Het liefdesgodje Cupido, zoon van Venus, verbeeldt de allesvermogende kracht van de liefde. Emblemen - altijd opgebouw uit een motto, een plaatje en een tekst - over andere ondewerpen werden overigens ook erg populair.

    Eén van de overwegingen bij het kiezen van een geschikte partner was de combinatie van humeuren van de partners. Volgens de oude leer van de humores, afkomstig van de Griekse arts Galenus, bestaat elke mens uit een verzameling van vier lichaamssappen (water, zwarte gal, gele gal en bloed). Vier typen mensen waren mogelijk: zwartgalligen (melancholici, hier afgebeeld), geelgalligen (cholerici), bloedrijken (sanguinici) en waterrijken (flegmatici). In een huwelijk was een zeker evenwicht in humores vereist, zo meende men. Die leer van de lichaamssappen, die teruggaat op de gedachte dat de hele wereld uit de elementen aarde, water, vuur en lucht bestaat, speelde op veel meer gebieden een grote rol. De medische wetenschap bijvoorbeeld was op dit uitgangspunt gebaseerd, zoals blijkt uit de geschriften van de Dordtse huisarts Johan van Beverwijck. Hij beschreef in De schat der gezondheid zijn complete praktijk: dit werk was zowel een handige medische encyclopedie als een leesboek. In de vele anekdoten over patiënten en ziekten combineerde Van Beverwijck het nuttige met het aangename. Deze combinatie - in het Latijn utile dulci genoemd - was de basis van veel zeventiende-eeuwse literatuur.



    Studiehandleiding

    Je vindt hier:
    · Een overzicht van de colleges
    · Een overzicht van de leesopdrachten per week
    · Instructie bij het lezen van de essays
    · Instructie bij het lezen van de bloemlezingen
    · Instructie voor het werkstuk

    1 Opzet cursus

    1.1 De hoorcolleges
    Vijf weken lang is er hoorcollege, dat steeds twee uur duurt. In de hoorcolleges behandelt de docent steeds een thema uit de Renaissance. In de syllabus Apecten van de Letterkunde van de Renaissance is meer informatie te vinden over de behandelde thema's. Deze syllabus dien je tijdens dit blok in zijn geheel zelfstandig te bestuderen. Lees voor aanvang ook de Internetpagina (http://www.let.uu.nl/nederlands/nlren/cursus/eerstejaars/eerstejaars.html), waar je allerlei suggesties voor handige overzichtspagina's over de verschillende thema's vindt.

    1.2 De werkcolleges
    Zes weken lang is er werkcollege, dat iedere keer drie uur duurt. In dit werkboek, Literatuur en maatschappij, is te lezen wat je voor iedere bijeenkomst moet voorbereiden. In de eerste plaats staan er iedere week één of meer boeken en teksten (afgedrukt in deze syllabus) op het programma. Over het geheel maak je vragen. In de tweede plaats moet je een aantal boeken zelf bestuderen. Hieronder tref je een leesschema aan met alle boektitels.

    2 Literatuurlijst

    De nummers 1 t/m 7 gebruik je verspreid over alle colleges en/of moet je zelfstandig bestuderen: 1. Dit werkboek.
    2. Syllabus Aspecten van de letterkunde van de renaissance.
    3. E.K. Grootes, Het literaire leven in de zeventiende eeuw. Leiden 1988, tweede druk. Uitverkocht, zie collegeplank.
    4. Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Hoofdredactie M.A. Schenkeveld-van der Dussen. Nijhoff Groningen 1993. Hieruit: enkele essays (zie voor studie-aanwijzingen onder 2.2)
    5. Nederlandse literatuur, een studiehandleiding. Eindredactie M. Meijer Drees. Groningen 1993. Hieruit: p.16-27 (zie voor studie-aanwijzingen onder 2.2) Uitverkocht, zie collegeplank.
    6. Hollantsche Parnas, Nederlandse gedichten uit de zeventiende eeuw. Met inleiding en aantekeningen door A. van Strien. Amsterdam 1997. Amsterdam University Press.


    Leesschema

    Hieronder staat de overige literatuur die je voor de werkcolleges dient te lezen:

    week 1
    7. Bredero, Klucht van de koe. Elke complete editie toegestaan: lees de tekst in de oorspronkelijke taal.
    - teksten en opdrachten in het werkboek
    8. J. van Beverwijck, De schat der gezondheid. Ed. L. van Gemert. Amsterdam, Querido, 1992. Giffioen. Hieruit: p. 9-42, 122-145, 164-180.

    week 2

    * Uit Hollantsche Parnas: de afdeling over politiek, p. 105-136.
    * Essay 30, 43.
    * Syllabus Aspecten, hoofdstuk 1, 3 en 4
    * Nederlandse literatuur, een studiehandleiding, p. 16-27. - teksten en opdrachten in het werkboek.


    week 3
    9. J. van den Vondel, Gysbreght van Aemstel. Ed. Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1994. Alfa.
    10. D.V. Coornhert, Weet of rust. Ed. H. Bonger en A.J. Gelderblom, tweede druk, 1993 Griffioen.
    * Uit Hollantsche Parnas: de afdeling over religieuze poëzie, p. 77-103.
    * Essay 40, 41.
    * Syllabus Aspecten, hoofdstuk 2.
    * E.K. Grootes, Het literaire leven in de zeventiende eeuw.
    - teksten en opdrachten in het werkboek.


    week 4
    11. W.Y. Bontekoe, Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn. Ed. V.D. Roeper. Amsterdam, Terra Incognita, 1996.
    12. J. van Beverwijck, De schat der gezondheid, p. 43-56, 76-103.
    - Essay 51, 52.
    - teksten en opdrachten in het werkboek.


    week 5
    13. Jacob Cats, Huwelijk. Ed. A.A. Sneller en B. Thijs. Amsterdam 1993. Griffioen.
    14. H. Sweerts, De tien vermakelijkheden van het huwelijk. Ed. R. Winkelman. Amsterdam, Querido, 1988. Griffioen.
    15. J. van Beverwijck, Schat der gezondheid, p. 104-121, 146-163.
    * Uit Hollantsche Parnas: de afdeling over liefdesgedichten, p. 19-47.
    * Essay 47.
    - teksten en opdrachten in het werkboek.
    - Nogmaals p. 16-27 uit Nederlandse literatuur, een studiehandleiding.


    week 6
    Tentamenvoorbereiding en teruggave werkstuk.

    2.2 Studie-aanwijzingen bij de essays uit Nederlandse literatuur, een geschiedenis

    Uit Nederlandse literatuur, een geschiedenis zijn de essays 30, 40, 41, 43, 47, 51 en 52 geselecteerd. Waarom juist deze essays? Ze zijn gekozen omdat de literatuur, thema’s en achtergronden die erin behandeld worden, aansluiten bij de hoor- en werkcolleges van deze cursus. Hiermee is niet gezegd dat de essays letterlijk navertellen wat er tijdens de colleges aan de orde is geweest (of andersom). Wel krijg je de collegestof op een andere manier aangeboden, dus vanuit een andere invalshoek bijvoorbeeld of genuanceerder of verder uitgediept.
    Het is raadzaam voorafgaand aan de essays de voorgeschreven pagina’s 16 t/m 27 uit de Studiehandleiding te bestuderen. Die verschaffen je het overzicht (periodes, tijdvakken, stromingen, belangrijkste auteurs en hun werken) waar de afzonderlijke essays in passen.
    Bij het bestuderen van de essays is het de bedoeling dat je steeds de zaken onthoudt die hieronder staan aangegeven (begrippen, auteurs, genres, werken etc. en de bijbehorende specifieke aandachtspunten). Voor alle essays geldt overigens dat je de betekenis van woorden of begrippen die je niet bekend zijn, dient op te zoeken.

    Essay 30
    martelaarsliederen; geuzenliederen: waaraan te herkennen; wanneer, waar en in welk milieu zijn ze ontstaan; verspreiding; functie; waardering. Wilhelmus: mogelijke ontstaanstijd; mogelijke auteur; tot wie gericht (‘acrostichon’). Nederlandtsche gedenckclanck (1626): auteur; aard van het werk; waardering

    Essay 40
    De Statenbijbel. Ontstaansgeschiedenis; benaming; ontvangst; invloed op de taal (‘tale Kanaäns’); invloed op de literatuur (berijmde bijbelboeken; door de bijbel geïnspireerde dichters). Predikanten. Opleiding; cultuurdragende rol; verzet tegen toneel; hun omgang met de klassieken; Revius als predikant-dichter

    Essay 41
    Joost van den Vondel, Gysbreght van Aemstel (1637) waarom geschreven; genre; korte inhoud; historische en bijbelse componenten; reden uitstel première; de traditie (hoogtepunten, kritiek, breuk met de traditie, herontdekking)

    Essay 43
    belang van het vaderlandse verleden: vanwaar de belangstelling voor vaderlandse geschiedenis in de jonge Republiek; welke populaire thema’s; ‘Bataafse mythe’. P.C. Hooft, Neederlandsche histoorien (1642-1647). Beschreven periode; aan wie opgedragen; hoe ontvangen; in Hoofts tijd geldende vereisten voor wetenschappelijke geschiedschrijving

    Essay 47
    functie van literatuur wat men van dichters verwachtte; gelegenheidspoëzie (diverse aanleidingen; verspreidingsvorm); actuele politieke zaken op het toneel (twee of drie voorbeelden)

    Essay 51
    reisteksten
    waardoor ontstaan; populariteit; thema’s; schrijfprocedés; soorten (journalen en beschrijvingen versus imaginaire reisverhalen). Journael ofte gedenckwaerdige beschryvinghe van de Oost-Indische reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn (1646) wanneer geschreven; welke les wordt benadrukt?

    Essay 52
    ‘populaire literatuur’ of ‘volksliteratuur’
    omschrijving (terminologisch; soorten drukwerk onder deze noemer); bestemd voor ‘het volk’? (hoe het publiek vast te stellen); verspreiding; enkele voorbeelden van populaire literatuur

    3. Tentamen

    Op het tentamen wordt via open vragen je kennis van de literatuurlijst en de stof van de hoor- en werkcolleges getoetst. Eén vraag is een 'open boek- vraag'. Om een indruk te geven van het type vragen zijn achterin dit werkboek enkele representatieve vragen afgedrukt. Voor het tentamen kun je maximaal 85 punten behalen; het werkstuk levert maximaal 15 punten op. Als het totaal van beide deelcijfers boven de 5.5 ligt, ben je geslaagd voor de cursus (dus vanaf 5.6). Herziening van het werkstuk is alleen toegestaan als je minder dan 56 punten behaald hebt.


    2.3 Instructie voor het zelfstandig bestuderen van de bloemlezingen

    Aanpak

    Het is het meest instructief en efficiënt om bij het bestuderen van bloemlezingen naar antwoorden te zoeken op onderstaande vragen:


    1. Hoe is de bloemlezing samengesteld, met andere woorden: wat heeft de samensteller willen selecteren en waarom? (persoonlijke smaak, historisch belang, andere reden?) Zijn er bijvoorbeeld alleen bepaalde (soorten, genres) teksten van de auteur in kwestie uitgekozen (en waarom juist die?). Of ging het juist om een representatieve selectie uit het complete oeuvre te geven?
    2. Welke informatie krijg je over de auteur (levensloop, plaats en aard van het schrijverschap), diens werk (beoefende genres, invloeden van andere auteurs en/of bepaalde denkbeelden) en de historische context (b.v. de ontstaansgeschiedenis van bepaalde teksten, het functioneren ervan, de contemporaine en latere waardering)? Legt de samensteller daarbij bepaalde accenten? (welke?)
    3. Hoe zijn de teksten geordend? Chronologisch? Of in afdelingen en daarbinnen weer chronologisch? (Welke afdelingen dan en welk beeld geven die van de auteur en zijn tijd?) Of volgens andere principes? (welke dan?) Welke genres zijn vertegenwoordigd en welke bekende of anderszins opmerkelijke gedichten tref je hierbij aan (overigens: ontbreken er genres die de auteur ook beoefend heeft, zo ja, welke?)
    4. Hoe krijg je de teksten voorgeschoteld? Compleet? In de originele spelling of herspeld of hertaald? Worden er woordverklaringen of andere aantekeningen bij gegeven? Wordt er per tekst bijvoorbeeld informatie gegeven over de historische context en zijn daarin bepaalde lijnen te trekken of accenten te ondekken? (welke?)

    We hebben deze vragen zo algemeen mogelijk geformuleerd, opdat je ze aan alle soorten bloemlezingen kunt stellen. De antwoorden zul je in veel gevallen niet letterlijk kunnen terugvinden (ook niet in voor- en/of nawoorden, al bieden die meestal wel een beetje houvast); je zult ze zelf moeten reconstrueren door de hele bloemlezing door te nemen en onderwijl dat aan te tekenen wat uiteindelijk tot de beantwoording leidt. Wissel je antwoorden uit met anderen, dan kun je elkaar zo nodig aanvullen en corrigeren. Kom je er op deze manier niet uit, neem je aantekeningen dan mee naar je werkgroep en breng je vragen en bevindingen in bespreking.
    Leer de antwoorden vervolgens voor het tentamen.

    Tentaminering

    Op het tentamen kun je vragen als de bovenstaande verwachten. Ook is het mogelijk dat we één bepaalde tekst (met de nodige woordverklaringen) uit een bloemlezing lichten en die met wat begrips-, analyse- en contextvragen aan je voorleggen. Met vragen van dit soort ben je - als je de werkcolleges goed voorbereid en aktief gevolgd hebt - vertrouwd, aangezien we ze elke week geoefend hebben (zie de vragen bij teksten in het werkboek).


    2.4 Instructie voor het werkstuk

    Doel

    In het werkstuk voer je een klein onderzoek uit naar een onderwerp uit de Nederlandse Renaissance. Tijdens het onderzoek maak je nader kennis met methodiek en apparaat van de historische letterkunde en in het onderzoeksverslag oefen je je wetenschappelijke schrijfvaardigheid. Inhoudelijk beidt het werkstuk de kans de stof van hoor- en werkcolleges zelfstandig en kritische verder te verwerken, zodat je reflectie op literatuur en cultuur van de Renaissance verdiept wordt.

    Werkwijze

    Tijdens het eerste werkcollege kies je een werkstukopdracht. In overleg met de docent is het ook mogelijk zelf een opdracht te ontwerpen. Vóór het tweede college verzamel je het benodigde materiaal, dat in veel gevallen uit de Letterbibliotheek van de UU of de Algemene Bibliotheek van de UU zal komen. Houd er rekening mee dat je oude drukken ter plekke moet raadplegen omdat die niet worden uitgeleend. Maak een lijst van het materiaal dat je gaat benutten en lees het vóór het tweede werkcollege cursorisch door, zodat je een indruk krijgt van de inhoud en alvast je gedachten kunt laten gaan over je onderzoeksvraag en de uitwerking daarvan. Eventuele vragen hierover kun je stellen op het tweede werkcollege. Vóór het derde werkcollege voer je je onderzoek uit. Maak nauwkeurig aantekeningen van je onderzoeksvragen en de antwoorden die je vindt. Neem vooral precieze paginanummers, regelnummers etc. over en noteer ook nauwkeurig in welke bron je welke gegevens gevonden hebt. Een werkstuk waarin de precieze brongegevens ontbreken, krijgt bij de beoordeling een onvoldoende. Maak een opzet voor je werkstuk: ontwerp een betooglijn en vul alle onderdelen (inleiding, middendeel, slot) schematisch in. Eventuele vragen hierover kun je stellen op het derde werkcollege. Vóór het vierde werkcollege schrijf je je werkstuk: een wetenschappelijk betoog, waarin duidelijk een inleiding, middendeel en slot opgenomen zijn. Het betoog voldoet aan de eisen die aan de wetenschap gesteld worden: het is controleerbaar (o.a. door bronvermeldingen in noten en via een lijst van geraadpleegde literatuur); het is voldoende duidelijk, informatief en enthousiasmerend voor de geïnteresseerde lezer (ga uit van het kennisniveau van je medestudenten); het is correct qua taalgebruik, titelbeschrijvingen, bronvermeldingen naar de citaten uit geraadpleegde literatuur. Op het vierde werkcollege lever je je werkstuk in. Je krijgt het uiterlijk op het zesde college terug, voorzien van een beoordeling. Het werkstuk levert maximaal 15 punten op. Herziening is alleen toegestaan als de som van de beide deelcijfers (tentamen en werkstuk) een onvoldoende opleveren (dus lager dan 56 punten).

    Vormgeving

    - Volg de aanwijzingen in Nota Bene, handreiking voor het maken van werkstukken (te verkrijgen bij de readerverkoop; in de loop van het cursusjaar 2001-2002 komt een digitale versie beschikbaar).
    - Zorg dat je werkstuk geprint is op A-4 formaat; nummer de pagina's; het werkstuk is exclusief titelpagina, inhoudspagina, literatuurlijst en eventuele bijlagen minimaal 5 pagina's, maximaal 10 pagina's lang. - Vermeld op de titelpagina: titel van het werkstuk, cursustitel, datum, naam, adres, telefoonnummer en studentnummer.
    - Maak een inhoudsopgave ('Inhoud'), neem daarin ook de literatuurlijst en eventuele bijlagen op.
    - Spel correct; hanteer de voorkeurspelling.
    - Neem in de inleiding de werkstukopdracht letterlijk over.
    - De literatuurlijst geeft een overzicht van alle geraadpleegde bronnen, incl. internetsites (met volledige adressen) en cd-roms. Orden de literatuurlijst alfabeisch; zorg voor correcte titelbeschrijvingen, waarin alle benodigde onderdelen in de juiste volgorde zijn opgenomen. Een correcte titelbeschrijving ziet er als volgt uit:
    a bij een zelfstandige publicatie:
    auteur, titel (of titel). Eventueel: editeur(s). Plaats en jaar van uitgave. Eventueel serienaam, eventueel aantal delen. Eventueel verwijzen naar gebruikte pagina's.
    Bijvoorbeeld:
    Vondel, J. van den, Lust tot poezie. Gedichten van Vondel. Ed. H. Luijten en J. Konst. Amsterdam, 1989. Griffioen, p. 20-35.
    Als de auteur onbekend is, alfabetiseer je het boek op titel. Het eerste element in de titelbeschrijving wordt dan de titel (en dus niet de editeur(s) of redacteur(en)).
    Bijvoorbeeld:
    Echt relaas van de muiterij op het Oostindisch Compagnieschip Nijenburg. Ed. N. de Jonge e.a., Amsterdam, 1992.
    b bij een publicatie in een boek of tijdschrift geldt de titel van het boek/ tijdschrift als de hoofdtitel: deze wordt gecursiveerd of onderstreept. De titel van het artikel komt tussen ' ' (enkele aanhalingstekens). Bevat een titel een tekstcitaat, dan komt dat citaat tussen " " (dubbele aanhalingstekens); bevat een titel van een artikel een boektitel, dan wordt deze gecursiveerd of onderstreept.
    Bijvoorbeeld:
    Dibbets, G. R. W., 'Moonens Nederduitsche spraekkunst (1706) in brieven aan Vollenhove'. In: TNTL 108 (1992), p. 256-275.
    of:
    Wackers, P., '"Geschiedverhaal of schetskaart" revisited. Overwegingen bij de studie van de Middelnederlandse letterkunde'. In: De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst. Red. F. van Oostrom en F. Willaert. Hilversum, 1989, p. 223-242.
    of:
    Buijnsters, P. J., '20 augustus 1731: De eerste aflevering van De Hollandsche spectator verschijnt- Spectatoriale geschriften in de Noordelijke Nederlanden'. In: Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Red. M.A. Schenkeveld- van der Dussen e.a., Groningen, p. 318-322.


    Algemene regels bij titelbeschrijvingen:

    - de onderdelen van een titelbeschrijving worden gescheiden door een punt, behalve na de auteursnaam en voor de vermelding van de paginanummers; een titelbeschrijving wordt afgesloten met een punt;
    - van een tijdschrift altijd vermelden; het nummer van de jaargang, van de aflevering en het jaar van uitgave, het laatste tussen haakjes; - zorg dat je steeds hetzelfde systeem hanteert (bijv. overal cursivering of overal onderstreping voor de titels).


    Citaten en bronvermeldingen.

    - Citeer correct en verwijs op de juiste wijze naar bronnen. De vuistregels zijn: Bij een direct, dus letterlijk, citaat: plaats het citaat tussen enkele aanhalingstekens; vermeld in een noot of tussen haakjes achter het citaat de bron, inclusief het/ de paginanummer(s); geef de bron verkort weer, bijvoorbeeld: Dibbets 1992, p. 260; de volledige titelbeschrijving van de bron komt op de literatuurlijst; voor een citaat binnen een citaat gebruik je dubbele aanhalingstekens: bijvoorbeeld: 'Zoals Vondel zegt: "De kerstnacht lag aan stukken", toen de Kennemers de stad binnen waren gekomen' (Schenkeveld- van der Dussen 1989, p. 163).
    - Als je slechts delen van een groter stuk citeert, plaats je binnen het citaat (...). Bijvoorbeeld:
    'Zoals Vondel zegt: "De kerstnacht lag aan stukken" (...)' (Schenkelveld- van der Dussen 1989, p. 163).
    - Als je niet rechtstreeks citeert, maar je betoog wel op een/meer bronnen baseert, geef je in een noot aan welke dat zijn. In de noot zet je dan bijvoorbeeld: Deze samenvatting ontleen ik aan Wackers 1989, p. 223-226.
    - Wees consequent, met name bij het aangeven van paginanummers. Twee systemen worden veel gebruikt: Wackers 1989, p. 223-226 en Wackers 1989:223-226. Welk systeem maakt niet zoveel uit, maar gebruik ze niet door elkaar.
    - Maak noten (zowel voet- als eindnoten zijn toegestaan). Nummer ze met 'gewone', Arabische cijfers, dus geen Romeinse cijfers, geen sterretjes of andere typografische verfraaingen.
    - Een noot gebruik je om:
    a aan te geven welke bron je hebt gebruikt (zie boven).
    b uit te weiden over een onderwerp dat niet rechtstreeks uit je betoog voortvloeit, maar er wel mee samenhangt. Bijvoorbeeld: je schrijft over de moeilijkheden rond de eerste opvoering van Vondels Gijsbreght. Uit essay 41 in Nederlandse Literatuur, een geschiedenis blijkt dat ook in latere eeuwen niet ales vlot verliep. Voor de kern van je betoog heb je dat niet nodig, maar je vindt dit toch vermeldenswaardig. Maak in zo'n geval een noot, bijvoorbeeld: Overigens hebben de Gijsbreght-opvoeringen vaak stof doen opwaaien, zie: Van Gemert, 1993, p. 230-236. De volledige titelbeschrijvingen van dit artikel komt niet in de noot, maar op de literatuurlijst.

    NEEM BIJ VRAGEN TIJDIG CONTACT OP MET JE DOCENT!


    WEEK 1 MENS EN WERELD

    Vragen bij Bredero, Klucht van de koe en Van Beverwijck, De schat der gezondheid, p. 9-42, 122-145, 164-180.

    1 Lees het voorwoord van Bredero's uitgever, Cornelis van der Plasse. In dit voorwoord prees hij Bredero onder meer vanwege zijn kunst om 'onder dexel van [= onder het mom van] so soete en vermakelijke kluchten het ghemeene beste, niet anders soeckende dan alomme de verbeteringhe der velen bedorvene zeden.'
    a Bespreek in het licht van dit citaat de openingsmonoloog van de gauwdief.
    Welke 'bedorvene zeden' (en van wie) stelt dit personage aan de orde?
    In dit tijd van Bredero betekende het begrip ‘klucht(ig)’ onder meer:
    - komisch, lachwekkend
    - bedrieglijk, dubbelzinnig
    - scherping van de geest en het oordeelsvermogen
    Welke van deze betekenissen is van toepassing op de monoloog van de gauwdief?





    Opmerkingen over deze pagina's worden erg gewaardeerd. Wanneer U suggesties of vragen over de inhoud, opbouw en opmaak van deze pagina's heeft, kunt U die richten aan Nelleke Moser.