Essay

layer hidden off the screen
In 1668 verscheen Lof der Geldsucht van Jeremias de Decker, een op het eerste gezicht paradoxaal lofdicht op een zo omstreden (on)deugd als de geldzucht. Voor zover ons bekend, is sinds 1934 de Lof der Geldsucht geen onderwerp meer van onderzoek geweest. J. Karsemeijer heeft in zijn dissertatie van dat jaar, De dichter Jeremias de Decker, een hoofdstuk gewijd aan het lofdicht. Karsemeijer gaat uitgebreid in op de inhoud van het gedicht, noemt de ironisch-satirische toon en geeft commentaar op de wijze waarop de Decker het gedicht heeft samengesteld. Dat levert, naast de positieve opmerkingen over dit 'omvangrijkste' werk van de dichter, dat van grote waarde blijft als een 'cultuurhistorisch monument', tevens kritiek op over de compositie van het gedicht. Karsemeijer spreekt erover als 'een lappendeken zonder kunstvaardigheid samengeflikt'. Een poging het lofdicht in een literaire traditie te plaatsen heeft Karsemeijer niet ondernomen. Wel vermeldt hij dat De Decker bekend was met een ander lofdicht, het uit 1511 stammende Lof der Zotheid (1511) van Erasmus. Karsemeijer: '[toen] kwam de lust bij hem [=De Decker] op in gelijke trant als door deze [=Erasmus] de Zotheid was gestriemd op zijn manier te trachten de Geldzucht te tuchtigen.'

Dat De Decker met zijn keuze van lofdicht niet alleen stond, blijkt uit het feit dat uit de periode waarin hij zijn Lof der Geldsucht schreef, meerdere lofdichten bekend zijn. In 1587 was bijvoorbeeld de Lof van de ghevanghenisse van Coornhert verschenen en in 1613/1614 schreef Bredero een Lof van de Armoede en een Lof van de Rijckdom. Ook Vondel schreef in het begin van de zeventiende eeuw lofdichten. Van hem verschenen achtereenvolgens de Hymnus, ofte Lof-Gesangh, over de wijd-beroemde scheeps-vaert der Vereenigde Nederlanden (1613) en Het Lof der Zeevaart (1623). Dit zijn slechts een paar voorbeelden uit het grote aantal lofdichten dat rondom 1600 verscheen. In veel gevallen ging het om lofprijzingen van dubieuze zaken.

Aan het renaissancistische lofdicht uit de republiek en elders is door zowel Hardison als Spies en Deneef ruime aandacht besteed. Zoals zij in hun artikelen aanvoeren, kende het lofdicht een lange traditie. Als genre genoot het veel aanzien. Daarvoor bestonden verschillende redenen. Voor reflectie op vorm en betekenis van poëzie was men gewoon zich te richten op geleerden uit de oudheid als Plato en Aristoteles. Plato had twee belangrijke punten van kritiek op poëzie. Ze ging niet over feitelijke zaken en had dus de neiging leugenachtig te zijn. Daarnaast deed poëzie in tegenstelling tot filosofie emoties oplaaien en deze emoties werkten verstorend op jongeren die de juiste morele waarden moesten ontwikkelen. Lofdichten vormden volgens Plato op beide punten een uitzondering. Ze waren niet leugenachtig, want als in lofdichten de goden werden prezen, waren ze te typeren als theologie; en als er een nobel persoon in werd geprezen, dan waren ze historische teksten te noemen. Lofdichten waren weliswaar emotioneel geladen, maar deze emotie was sociaal te gebruiken, want de jongere zou de daden van de bezongen held willen navolgen.

Een andere reden voor het aanzien dat het lofdicht in de zestiende eeuw had, lag in de houding van de groeiende groep humanistische geleerden. Onder hen heerste de overtuiging dat een ideale samenleving gebaseerd moest zijn op mondige mensen die met overtuigingskracht in plaats van (politieke) macht tot een bepaalde beslissing moesten kunnen komen. En wat kon beter overtuigen dan een goed opgezet betoog? Een betoog bevatte een stelling, waarop vervolgens argumenten vóór en tegen gegeven werden om zo de toehoorder een eigen besluit te laten nemen. Ook het lofdicht was een vorm van overtuigen.

Van belang voor de ontwikkeling van het genre lofdicht was ok het invloedrijke werk van de humanistische geleerde Julius Caesar Scaliger (1484-1558), in 1561 postuum verschenen onder de titel Poetices Libri Septem . Het belang van de retorische aard van alle poëzie werd hierin benadrukt werd, en tevens ewerd hierin ingegaan op vormvoorschriften. De meeste lofdichten hadden eenzelfde driedeling: na een exordium waarin de lezer welwillend werd gestemd, volgde een centraal gedeelte met een stelling en argumenten, met tot slot een peroratio die een samenvatting en groet te lezen gaf.

In Poetices bracht Scaliger een verdere onderverdeling aan in de laudationes of lofdichten. Hij onderscheidde de endoxa (lof van edele zaken), de adoxa (lof van ondedele zaken), de amphidoxa (lof van zaken die ter discussie staan) en tot slot de paradoxa (lof van zaken die door het publiek als niet lofwaardig beschouwd werden). Deze onderscheiding werd niet altijd strikt gehanteerd, vooral niet ten aanzien van de laatste drie soorten lofdichten. Wat de ene dichter als een onedele zaak beschouwde, vond de ander meer een zaak die ter discussie stond. Zo onderscheidde men soms alleen in: lofdichten op edele en positieve zaken en lofdichten op zaken die daarentegen onedel en negatief zijn.

Het ligt in de verwachting dat deze laatstgenoemde lofdichten - waaronder dus de paradoxa - op grond van het thema minder aanzien hebben gehad. Onder humanistische invloed werd dit soort lofdicht echter als uitgesproken overtuigend beschouwd, omdat er een omstreden stelling in bewezen werd. Men baseerde zich hiervoor op Cicero die de paradoxa als de meest socratische en dus beste manier zag om tot de waarheid te komen. Als voorbeeld van de paradoxa moet natuurlijk genoemd worden de Lof der Zotheid van Erasmus. Een ander voorbeeld is de Hymne de l'Or van Ronsard uit 1555. Zoals Marijke Spies in haar artikel over dit gedicht zegt, had het lofdicht een retorische compositie meegekregen wat het doel van de dichter - de lezer overtuigen van zijn visie op het onderwerp - zou versterken.

Scaliger was niet van mening dat poëzie eigenlijk alleen maar een duidelijk betoog moest zijn. Hij vond naast de argumentele structuur, versiering en verbeelding even belangrijk. Volgelingen als de Franse dichter Ronsard hielden zich in hun poëzie aan Scaligers poëticale voorschriften.

Het genre van de paradoxa werd onder invloed van Ronsard zeer populair. In Frankrijk vond het in de zestiende eeuw al veel navolging, in Nederland werd het genre pas eind zestiende, begin zeventiende eeuw populair. Stond bij sommige dichters de argumentatieve structuur voorop, bij Ronsard en zijn volgelingen was de versiering, in de vorm van vergelijkingen, citaten uit de oudheid of de bijbel van even groot belang. Met zijn stilistische kwaliteiten kon de echte dichter zich onderscheiden van de "rijmer".

Verder stelt Marijke Spies in J. van den Vondel, Twee Zeevaartgedichten dat in het lofdicht van Ronsard, Hymne de l'Or, vier niveaus te onderscheiden zijn die zij eveneens bij genoemde lofdichten van Vondel waarneemt. Als eerste de inhoud, waarbij Ronsard zou putten uit de traditie van de humanistische schoolgeleerdheid. Op het tweede niveau de presentatie, die hij vorm geeft volgens een argumentatief discussiepatroon. Op het derde niveau onderscheidt Spies een literaire vorm die gekenmerkt wordt door versvorm, door dictie en mythologie. Als laatste niveau ziet zij de actualiteit waarop de dichter het gedicht door middel van allerlei gegevens betrekt.

Analyse van de Lof der Geldsucht : de structuur

In de inleiding stelden wij ons de vraag gesteld of De Deckers lofdicht paste in een literaire traditie. Na bovenstaande verkenning van het lofdicht in de zestiende eeuw, is het tijd om deze vraag te preciseren: in hoeverre sloot de Decker met zijn lofdicht aan op de traditie zoals die door Scaliger en Ronsard was ingezet? Evenals Marijke Spies in 'De Retorica van Ronsard's Hymne de l'Or' heeft betoogd dat, om aan de compositie van deze hymne recht te doen, een gedetailleerde analyse nodig is die de relatie met de retorica aan het licht brengt, zijn ook wij van mening dat zoiets geldt voor de Lof der Geldsucht. Wat zien we als resultaten van een analyse van het gedicht?

Het lofdicht begint met een Inleiding, waarin wordt aangekondigd dat de Geldzucht uit Pluto's rijk is gekomen om zich te verweren tegen alle beschuldigingen van 'sterffelycke scharen van allerlei beroep, van allerhanden staet'. Ze zal de pleitstoel opgaan en een rede afsteken. De aandacht en welwillendheid van de toehoorders wordt vervolgens in de proloog getrokken door de Geldzucht zelf. Zij merkt op dat ze de opperste Godin is (r. 10), en geen domme vrouw of veroorzaakster van allerlei kwaad. Met deze aversio zijn alle ogen op haar gevestigd. Om haar draait de rest van het gedicht.

Daarop levert ze het bewijs dat zij de lof verdient, want als Godin heeft ze macht boven eer, deugd, wijsheid, gezondheid en leven. In de argumenten die ze daarna aanvoert, zet ze uiteen hoe machtig ze is in de verschillende lagen van de maatschappij, dwars over grenzen van landen en staten. In alle facetten van de samenleving wordt de Geldzucht gezien. De argumenten worden doorspekt met ondersteuningen, tegenwerpingen, weerleggingen, voorbeelden en sententies. Juist het feit dat niet alleen argumenten worden aangevoerd om het bewijs te staven, maar dat er ook tegenwerpingen worden genoemd, zowel rechtstreeks als impliciet, maakt het betoog nog sterker. Het is geen klakkeloze opsomming van alle goede eigenschappen van de Geldzucht, de negatieve kanten komen even zeer naar voren. Door allerlei weerleggingen probeert de Geldzucht zo de kritiek, die er ongetwijfeld bij de hoorder is, weg te nemen. Vele voorbeelden, onder andere uit de klassieke oudheid en uit de bijbel ondersteunen het betoog en getuigen ervan dat wat de Geldzucht te berde brengt niet uit de lucht gegrepen is. Ze schrikt er niet voor terug om een smaadrede te houden tegen alle verkwistingen en brasserijen, vergezeld gaande van allerlei waarschuwingen en vermaningen.

Wat de Geldzucht nu eigenlijk allemaal voor Goddelijke vermogens bezit, wordt nog eens opgesomd in het begin van de peroratio. Hieruit blijkt duidelijk dat groot en klein, rijk en arm, jong en oud, kortom iedereen, te maken heeft met de Geldzucht. Allen die haar beschuldigen, de sterfelijke scharen uit de proloog, zijn zelf in de macht van de Geldzucht.

Tenslotte spreekt ze de hoorders nog eens persoonlijk toe en daarmee is de pleitrede bijna ten einde. Het besluit volgt en er wordt vermaand om de Geldzucht als Godin met eerbied te blijven bejegenen.

Deze retorische analyse brengt duidelijk de betogende structuur van het gedicht aan het licht. De dichter maakt er echter geen droog betoog van. Hij personifieert de Geldzucht, die met vlammend gelaat de hoge pleitstoel opgaat en zich verweert en hij houdt deze personificatie gedurende het gehele gedicht van 4000 alexandrijnen met overtuiging vol. De Geldzucht voert de lezer mee naar een kerk om daar de vermaningen aan te horen van een streng prediker en op het laatst maakt de Geldzucht gewag van de lezingen die zij eertijds bijwoonde van Griekse redenaars. Deze voorbeelden van verbeelding en versiering, in de vorm van citaten en vergelijkingen zijn talrijk. Dit lijkt er op te wijzen dat De Decker, evenals Ronsard, bekend is geweest met de poëticale opvattingen van zijn tijd. Scaligers mening over het gelijke belang van argumentatie, versiering en verbeelding heeft De Decker blijkbaar overgenomen. In de Lof der Geldsucht laat De Decker dus zien dat hij deze drie facetten goed in één werk kan samenbrengen. Wat deze aspecten betreft, sluit hij met dit gedicht aan bij de literaire traditie, ingezet door Scaliger en Ronsard.

Analyse van de Lof der Geldsucht: wijze van betogen

Er is nog meer dat ervoor pleit om te zeggen dat De Decker met dit gedicht zich geplaatst heeft in genoemde literaire traditie van lofdichten. Hij heeft niet zo maar een gedicht willen schrijven, waarvan de lezer wel of niet kon genieten aangaande de stijl en de inhoud. Hij heeft de lezer ook iets duidelijk willen maken, ergens van willen overtuigen. Dat geeft hij aan in een voorwoord, voorafgaand aan het gedicht, genaamd Den Auteur tot den Leser. Daarin vermeldt hij dat de Rotterdammer Erasmus De Lof der Zotheid schreef. De Decker ziet de Geldzucht als een zuster en speelgenoot van de Zotheid. 'Wat is een gierigaert? een zinnelooze zot', zo citeert hij dan. Hij geeft toe dat het paradoxaal lijkt om iets te prijzen dat afkeuring verdient. Toch zal alles met elkaar in overeenstemming zijn, de titel en de inhoud. Zijn doel is namelijk om in dit lofdicht de geldzuchtigen te laken.

Allen die te vurig, te onmatig zijn, die het geld boven alles stellen en de plicht jegens God en de naaste verwaarlozen, spreekt hij aan. Wie zich aangesproken voelt, roept hij op om zich te beteren. Tegelijkertijd relativeert hij, door eraan toe te voegen, dat niet alle begeerte naar rijkdom gierigheid is. Soms is het zelfs wettig geld te vergaren, om daarmee bijvoorbeeld voor je gezin te zorgen. In het lofdicht is de Geldzucht daarom positief over de deugd Spaarzaamheid, maar negatief over Vrouw Weelde. Aangezien de Geldzucht een grootspreekster is, heeft De Decker het nodig geacht haar te laten hyperboliseren, door de dingen die er niet bij horen er toch bij te betrekken. Beide kanten van de Geldzucht, zowel positieve als negatieve, heeft De Decker weergegeven. Daarom roept hij op, te lezen en te horen met onderscheid van zaken. Dit is geen zinloze oproep. Kritisch lezen is nodig, om te zien of iets nu werkelijk positief of negatief is, of de geldzucht te rechtvaardigen is of niet.

Bijvoorbeeld het betoog van de Geldzucht loopt uit op een positief oordeel over de Geldzucht als Godin. Soms gaat het er wat grof aan toe in het betoog, maar het is de Geldzucht die spreekt. De Decker lijkt afstand te nemen van het gedicht, door in `Den Auteur tot den Leser' te verklaren dat hij haar de woorden in de mond moest leggen die bij haar passen. Direct erop volgend echter verklaart hij dat hij aan het dichten is geslagen, omdat het geld bij hem niet rammelde in zijn buidel. Dit gegeven heeft hij in het lofdicht verwerkt, als hij de Geldzucht een `Dichterken van Dort', ene Decker, opvoert, aan wie de Geldzucht niet vreemd is. Daarmee betrekt hij zichzelf weer volledig bij het gedicht. De lezer mag zelf concluderen of deze Geldzucht gerechtvaardigd is of niet.

Dit voorbeeld waarin De Decker zichzelf op zo'n ironische wijze in het gedicht betrekt, staat niet op zichzelf. De dichter gebruikt vaak met succes ironie in het betoog van de Geldzucht. Door deze voorbeelden wordt ook de lezer direct erbij betrokken. De Decker wil de lezers immers overtuigen van de laakbaarheid van de Geldzucht en daarbij hanteert hij de ironie. Soms is het niet helemaal duidelijk of het nu woorden van de Geldzucht zijn, waarbij de dichter wat afstand lijkt te nemen, of woorden direct uit het hart van de dichter zelf. Bijvoorbeeld in de peroratio is het de Geldzucht die zich beroemt op het feit dat zij haar troon heeft opgericht in het mensenhart. Is in aanvulling daarop dan de dichter aan het woord bij de woorden: 'God wil geen tempelen, gemetst met menschenhanden, 't is 't hart dat hy begeert'? En wat moeten we denken van de voorbeelden en aanhalingen over Rome? Karsemeijer noemt De Decker een man die verdraagzaam was en bezadigd protestant, maar wel fel tegen de roomsen. De Decker legt de Geldzucht de woorden in de mond die bij haar passen, maar soms is het net of hij haar opzij duwt en zelf in het gedicht het woord neemt. Op welke momenten de dichter dat lijkt te doen, zal aan de interpretatie van de lezer liggen.

Het lijkt er uiteindelijk op dat De Decker met dit lofdicht zijn lezers een spiegel heeft willen voorhouden. Door overdrijving en ironie plaatst hij de Geldzucht in een kwaad daglicht, door relativering laat hij tegelijkertijd zien dat niet alle geldzucht verkeerd is. De boodschap aan de lezer lijkt daarom te zijn dat geldzucht goed is, wanneer zij wordt aangewend om in eigen onderhoud te voorzien en om de gemeenschap te dienen en die boodschap sluit feilloos aan op de inleiding, waarin de dichter zelf zich tot de lezer richt. Wanneer door geldzucht de lezer de deugd met voeten treedt, handelt hij volgens de dichter niet juist. Aan de lezer om deze les te trekken. Zo lijkt niet alleen qua structuur, maar ook door de persuasieve wijze van betogen dit gedicht heen te wijzen naar de literaire traditie van de lofdichten.

Conclusie

Het doel dat De Decker nastreefde met zijn lofdicht, namelijk de lezer met behulp van argumenten zelf een conclusie laten trekken en zo mede overtuigen van de visie van de dichter op het onderwerp, lijkt hiermee gelukt en hij paste zich daarmee duidelijk aan bij de humanistische ideeën. Beschouwen we het lofdicht van De Decker nog wat nader, dan kunnen we dezelfde vier niveaus onderscheiden als in het lofdicht van Ronsard.

De keuze van het thema - de centrale rol die geld speelt in de samenleving - heeft De Decker gemeen met andere dichters uit zijn tijd, zoals Ronsard en Bredero. Hiervoor hebben we beschreven, dat de structuur van dit lofdicht duidelijk die is van een argumentatief betoog. De Decker kiest er evenmin als Ronsard voor om eerst alle argumenten vóór en vervolgens alle argumenten tegen te presenteren. Beiden kiezen voor een complexere opzet, waarbij argumenten vóór en tegen elkaar afwisselen en op verschillende manieren ondersteund worden. Ook het derde niveau, dat van de literaire vorm, is bij De Decker duidelijk terug te vinden. Waar Vondel kiest voor een betoog, gebaseerd op een als verhaal vertelde geschiedenis van een koopvaardijschip, daar kiest De Decker voor een gepersonifiëerde Geldzucht die woedend uit Pluto's rijk tevoorschijn komt om haar gelijk te halen. Blijft over de actualiteit. Deze speelt in het lofdicht van De Decker zeker geen ondergeschikte rol. Om twee voorbeelden te noemen: hij refereert aan zijn eigen, niet al te rooskleurige, geldelijke situatie en hij gaat in op de ontwikkelingen in de wetenschap als hij verwijst naar de nieuwe inzichten van astronomen.

Mede op grond van deze besproken niveaus, die net als bij Ronsard en Vondel ook bij De Decker te onderscheiden zijn, is de conclusie, dat De Decker geheel in de lijn van de toenmalige traditie zijn lofdicht heeft opgezet, gerechtvaardigd. Wij hopen dat uit onze voorbeelden en analyse duidelijk is geworden dat De Decker zich wel gebaseerd heeft op die traditie, maar daar tegelijk toch een eigen aanpak voor heeft gekozen.