Herakles in de letteren van de Lage Landen


Nascholingsdag Klassieke Culturele Vorming, 5 juni 1999

We volgen op deze pagina de mythische held Herakles in de Nederlandse letteren. Uitgangspunt is een gedicht van Hans Warren uit 1974, dat leidt naar de in de vijfde eeuw voor Christus door de sofist Prodicus geschreven parabel `Herakles op de tweesprong'. Vanuit Warren lopen ook lijnen naar teksten uit de Renaissance. Tot besluit zijn er enkele suggesties voor soortgelijke lessen rond het thema `Herakles in de letteren van de Lage Landen'. Reacties op deze pagina graag naar Els Stronks. Met hartelijke dank aan dr. Jan Bloemendal.





1. Hans Warren

Uitgangspunt is een gedicht van de Zeeuwse essayist, schrijver en dichter Hans Warren, in 1974 verschenen in zijn bundel Herakles op de tweesprong


Warren schreef dit gedicht naar aanleiding van een veel oudere houtsnede, die op de omslag van zijn Herakles op de tweesprong afgebeeld staat. Het is een uit 1497 stammend plaatje van de Duitse kunstenaar Sebastian Brant, uit de bundel Das Narrenschiff. Die houtsnede ziet er zo uit:



In zijn gedicht geeft Warren als het ware in woorden weer wat hij bij Brant ziet en leest. De zoektocht kan beginnen, want in de tekst van Warren komen een aantal zaken voor die de meeste lezers niet op het eerste gezicht duidelijk zullen zijn. Warren betoogt dat Herakles, bekender onder zijn Latijnse naam Hercules, zijn klassieke, Griekse imago allang heeft verloren. Ook lijkt hij in niets meer op de Hercules-Farnese, een naar een beroemde Italiaanse familie en palazzo genoemd beeld van de Griekse held:



Van dit in het Palazzo Farnese te bezichtigen beeld maakten naar ItaliŽ reizende kunstenaars vele reprodukties, waarvan Warren in zijn gedicht melding maakt. Dit is zo'n reproduktie, gemaakt een eeuw nadat Brant zijn Narrenschiff schreef, door de Nederlandse etser Hendrik Goltzius:



Zelfs op de reprodukties, `zwakke aftreksels van het Griekse origineel', lijkt de Herkales van Brant niet meer. Nog verder weg is het oorspronkelijk Griekse ideaal. In plaats van een aandachtige, wakkere held, zien we een slapende ridder, die vanuit zijn ooghoeken wellicht het vrouwelijk schoon bekijkt dat hem omringt. Interessant is overigens je af te vragen waarom Brant Herakles slapend afbeeldt. Maar goed, duidelijk is dat Voluptas, de godin van de overvloed, aan de ene kant naast Herakles staat, temidden van welig groeiende rozen. De dood loert over haar schouder mee. De andere kant van de tweesprong met de oude en verdorde godin van de Deugd biedt een zo mogelijk nog minder aanlokkelijk perspectief. Alleen dit plaatje verwondert de lezer al. Wie ook nog Brants onderschrift leest, keert zich verbijsterd af, dicht Warren. Dat onderschrift van Brant luidt:
Aspice conflictum Virtutis atque petulcae
Deinde Voluptatis, gaudia vana vide.
Legimus Alciden, somno cum forte aiceret,
Vidisse ambiguas difficilesque vias:
Ambarumque statum, finem vitamque modumque
Scrutans Virtutis coepit inire viam.
Nederlandse vertaling
Waarom vindt Warren Brants gedicht zo afschuwelijk, kun je je afvragen?
De eerste onduidelijkheden in het gedicht zijn nu in ieder geval opgehelderd. Maar er is meer.


2. Prodicus' Herakles

De Herakles in Warrens gedicht wordt niet zozeer op zijn fysieke, als wel op zijn geestelijke kracht beoordeeld. Zo zullen de meeste mensen Herakles nu niet in de eerste plaats kennen, als deugdzaam moraalridder. Geplaatst voor de keuze tussen goed en kwaad kiest deze held feilloos voor het ethisch juiste. Dat beeld van Herakles ontleende Brant aan een oude Griekse mythe. Warren zet je op het spoor van die mythe door de naam `Prodikos' te laten vallen.
In de eerste eeuwen waarin de verhalen rond de Griekse held Herakles mythische vormen aannamen, groeide hij van `domme kracht' uit tot een in ethisch opzicht voorbeeldig man. Het was vooral de sofist Prodicus van Ceos (460? - na 399 v. Chr.) die deze transformatie bewerkstelligde, door het schrijven van een parabel waarin beschreven wordt hoe Herakles uit eigen beweging kiest voor een deugdzaam leven.
De parabel van Prodicus zelf is niet overgeleverd. De oudste versie die we ervan kennen staat in Xenophons Memorabilia. Daarin wordt beschreven hoe Herakles, als bijna volwassen man, twee vrouwen ontmoet. Eén van die vrouwen stelt zichzelf voor als Eudaimonia (Vrolijkheid), maar voegt daar in een adem aan toe dat haar critici haar vaak Kakia (Ondeugd) noemen. De andere vrouw blijkt ArŤtŤ (Deugd) te heten. Beide vrouwen beschrijven hun leven voor Herakles: hij heeft de keuze tussen eindeloos veel plezier in dit leven, hier op aarde. Of lang en hard werken op aarde, en beloning in de hemel.
Het ging Prodicus met het vertellen van deze fabel niet zozeer om de persoon Herakles. Belangrijk was voor hem dat Herakles in de loop der eeuwen tot de ideale Griekse man was uitgegroeid, en dus iedereen in het land tot voorbeeld diende. Door deze ideale figuur voor een dilemma te plaatsen, en tot een goede keuze te laten komen, beoogde hij het Griekse volk de leer van de sofisten bij te brengen. Kern van die leer was de gedachte dat de mens vrij is zijn eigen lot te bepalen.
Voordat Prodicus deze parabel over Herakles schreef, was in andere mythen geschreven door bijvoorbeeld Pindarus en Euripides de indruk gewekt dat Herakles door de wil van de goden (nomos) tot zijn heldendaden kwam. Dat nu stond Prodicus tegen. Voor hem stond vast dat de mens zijn eigen physis moest bewerken om de nomos van de goden te kunnen vervullen. Zowel lichaam als geest moesten daartoe bereid worden gemaakt. Ethische keuzes en lichamelijke inspanningen konden de mens tot de goddelijke nomos brengen. Herakles, zoals die op dat moment al in mythen figureerde, voldeed aan het ideaal van lichamelijke perfectie. Prodicus probeerde met zijn fabel aan te tonen dat ook Herakles' psychische gesteldheid bijgedragen had aan zijn volmaaktheid. (zie G.K. Galinsky, The Herakles theme. Oxford 1972, pp. 101-103)
Prodicus' parabel vond onmiddellijk gehoor. Er verschenen bewerkingen en uitwerkingen van onder anderen Xenophon, Isocrates, en Diodorus. In veel van die afgeleide verhalen vindt een accentverschuiving plaats. Waar Prodicus de parabel vertelde om te demonstreren hoe de menselijke vrije wil werkt, en welke kracht die toegedicht moest worden, daar legden veel andere auteurs de nadruk op de gevolgen die keuze voor `goed' dan wel `kwaad' voor de mens heeft. Toen de Griekse en Romeinse beschavingen plaats maakten voor de christelijke cultuur, werd zelfs bijna uitsluitend naar dit aspect van de parabel gekeken. Logischerwijs ook al omdat Prodicus' tekst zo nauw aansluit bij een van de voorschriften die Jezus in Zijn bergrede aan Zijn volgelingen geeft (Mattheus 7:13-14):
Gaat in door de enge (smalle) poort; want wijd is die poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan. Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden (Statenvertaling 1637)
In de christelijke kunst is vaak een vermenging van de klassieke mythe en het bijbelse gebod tot stand gebracht. Dit omdat de keuze van Herakles dus correspondeert met de keuze die elke christen moet maken, en ook omdat in Herakles' twaalf werken trekken van de wonderen van Jezus gezien werden. Kijken we bijvoorbeeld naar dit werk van de Italiaanse schilder Carracci, gemaakt rond 1596, en bedoeld voor het Palazzo van de rijke Italiaanse familie Farnese, waarin een hele zaal aan Herakles' wonderdaden was gewijd:



Afgebeeld is de jonge Herakles, omringd door de twee betekenisvolle vrouwen. De deugdzame van de twee, herkenbaar aan eervolle attributen uit de wetenschap en kunsten, wijst met haar vinger naar het lange, kronkelige en smalle pad dat de jongeman zou moeten volgen. Klassieke en bijbelse elementen zijn zo in elkaar overgegaan. De Ondeugd wordt gekenmerkt door frivole kleding en symbolen van een leven vol spel en luim. Zij bevindt zich - vanuit Herakles gezien - aan de linkerkant, en ook dat is natuurlijk veelzeggend.
Carracci heeft dit beeld overigens nog een derde betekenislaag gegeven door de jonge Herakles met een laurierkroon te tooien. Bovenop de berg waarnaar de deugdzame vrouw wijst, zien we het dichterspaard Pegasus. Zo wordt de berg met het kronkelige pad de Helicon, en draagt dit schilderij ook de boodschap dat een jonge dichter die erin slaagt het moeizame pad te volgen, eeuwige (dichters)roem zal krijgen.


3. Emblemen

Warren heeft ook aandacht voor de vorm waarin Brant zijn boodschap bracht. Hij onderkent in de laatste strofe van zijn gedicht de versterkende werking van de tekst bij de afbeelding. Mocht het plaatje de lezer al niet bij de keel grijpen - en de grijnzende dood heeft dat effect natuurlijk - dan doet het erop volgende epigram het werk wel. Ontsnappen is niet mogelijk.
Nu werd het in Brants tijd, de vroege renaissance, steeds gebruikelijker om illustraties aan teksten toe te voegen. Rond 1450 werd door de Duitser Gutenberg het prototype van de moderne drukpers uitgevonden. Niet alleen het reproduceren maar ook het illustreren van boeken werd daardoor eenvoudiger. Er konden, zoals bij Brant het geval is, houtblokken met uitgesneden illustraties in de pagina's met tekst worden gezet, en dat bood nieuwe mogelijkheden tot verluchtiging.


In 1531 ontstond, enigszins bij toeval, een literair genre dat in de Renaissance grote populariteit zou gaan genieten. Dat was het embleem: een combinatie van een motto, een pictura en een epigram. Dit gebeurde toen in 1531 de drukker van de Italiaanse dichter Alciato diens verzameling epigrammen (korte gedichten met pakkende titels) van plaatjes voorzag. Alciato zag tot zijn verbazing een geÔllustreerd boek van de pers rollen; en dat boek werd in de eerste in de rij van vele. Op Alciato's Emblematum liber is eindeloos veel gevarieerd. Kenmerkend voor het genre is de vaak cryptische combinatie van woord en beeld, die de lezer in spanning houdt over de betekenis van het geheel, en uitdaagt tot het zoeken van diepere betekenis achter ogenschijnlijk simpele teksten en afbeeldingen. Afwisselend motto en plaatje trekken de eerste aandacht van de lezer, en het gedicht verdiept deze eerste indrukken.

In Alciato's embleembundel staat ook een embleem over Herakles. Diens twaalf wonderwerken worden erin beschreven en afgebeeld, en tevens treffen we verwijzingen naar het deugdzame karakter van de held aan:
Duodecim certamina Herculis

Roboris invicti superat facundia laudes.
Dicta Sophistarum, laqueosque resolvit inanes.
Non furor, aut rabies virtute potentior ulla est.
Continuum ob cursum sapienti opulentia cedit.
Spernit avaritiam, nec rapto aut foenore gaudet.
Vincit foemineos spoliatque insignibus astus.
Expurgat sordes, et cultum mentibus addit.
Illicitos odit coitus, abigitque nocentes.
Barbaries feritasque dat impia denique poenam.
Unius virtus collectos dissipat hostes.
Invehit in patria externis bona plurima ab oris.
Docta per ora virum volat, et non interit unquam.
(editie 1546, 15r)
Nederlandse vertaling
Door zijn goede inborst treedt Herakles tot het heldendom toe, betoogt Alciato. Herakles' geestkracht stelt hem in staat de juiste keuzes te maken in zaken van liefde, welvaart en geluk. En hij is met zijn keuzes anderen tot dwingend voorbeeld: hele menigten mensen weet hij met zijn deugden te overtuigen. We zien in Alciato's Herakles de twee fysieke en morele kwaliteiten terug die ook Prodicus de held toedichtte.


4. Emblemen van Nederlandse makelij

Alciato's voorbeeld vond in veel West-Europese landen navolging. Zo ook in de zeventiende-eeuwse Republiek der Verenigde Nederlanden (zie over de Nederlandse emblematiek H. Luijten en M. Blankman, Minne- en zinnebeelden. Amsterdam 1996). Nederlandse dichters die ter vervolmaking van hun opvoeding tijdens hun grand tour ItaliŽ en Frankrijk aandeden, maakten daar kennis met de nieuwe literaire rage, en brachten deze mee terug naar hun vaderland. Een aantal onderwerpen bleek in de Lage Landen favoriet.
Allereerst was daar de liefde. Die trok veel aandacht omdat het nu eenmaal een mooi onderwerp is, maar ook omdat in de door de Reformatie sterk veranderende samenleving behoefte was aan nieuwe gedrags- en omgansgregels. Al snel bleek het embleem een ideale soort literatuur om die nieuwe zeden over te dragen. Verliefde, rijke jongeren deden elkaar mooi uitgevoerde embleem- en liedboeken cadeau, en minder koopkrachtigen beperkten zich tot eenvoudigere en kleinere uitgaven van dezelfde werken. Zo verspreidde zich met de embleemboeken nieuwe inzichten en opvattingen onder brede lagen van de bevolking. Het embleem bleek bijzonder geschikt voor het overdragen van wijze lessen. Het plaatje zorgde voor een luchtige noot, het cryptische samenspel van woord en beeld voor aandachtig gepeins, en de korte en bondige motto's deden als snel als spreekwoorden en gezegden dienst. Het hier afgebeelde prentje is afkomstig uit een van die bundels, Emblemata amatoria van P.C. Hooft uit 1611. Erop afgebeeld de allesverterende werking van de liefde.

Gingen de Nederlandse dichters voor het onderwerp `liefde' nog vaak bij Italiaanse en Franse voorgangers te rade, ze drukten op het nieuwe genre ook een geheel eigen stempel door realistische taferelen en anekdotes in hun teksten en afbeeldingen te verwerken. Emblemen over bijvoorbeeld de huisraad, voorwerpen uit het dagelijks leven en beroepen kunnen typisch Nederlands genoemd worden.
Tegelijkertijd had een ander deel van de embleemliteratuur juist ook een weinig nationaal karakter. Ik doel dan op de Neolatijnse emblemen, geschreven in de universele geleerdentaal van die dagen. Alciato's emblemen, in het Neolatijn gesteld, hebben ook waar het het taalgebruik betreft veel navolging gevonden. De geschiedenis van de Neolatijnse literatuur in de Lage Landen moet nog geschreven worden, hoewel er door sommigen (IJsewijn en Bloemendal met name) al het een en ander onderzocht is. Duidelijk is wel dat de invloed van de Neolatijnse literatuur in vroegere eeuwen nauwelijks overschat kan worden. Poetica's werden erin geschreven, scholieren leerden ermee lezen en dichters van de geleerdste soort drukten er zich in uit. In het kader van dit verhaal een goede reden om te kijken naar wat Nederlandse, Neolatijnse emblemen met Herakles in een hoofdrol. Het Latijn is steeds gegeven. Je kunt daar zelf een vertaling van maken, of klikken op de Nederlandse vertaling die eronder staat.


Neolatijnse emblemen

Het eerste embleem komt uit een zestiende-eeuwse bundel, op de markt gebracht door de Antwerpse drukker Christopher Plantin, die genoeg in andere delen van Europa rondgekeken had om te beseffen dat de nieuwe embleem-rage in ItaliŽ en Frankrijk binnen niet al te lange tijd ook de Republiek aan zou doen. Hij drukte al enkele aan embleembundels verwante boeken met deviezen voordat hij zich in 1564 zette aan de publikatie van zijn eerste echte embleemverzameling, Emblemata van Joannes Sambucus. In 1565 volgde een edite van Alciato's Emblemata, en ook de bundel Emblemata van de uit Hoorn afkomstige dichter Hadrianus Junius (1511-1575). Junius bedoelde deze bundel als nieuwjaarsgeschenk aan zijn vrienden aan te bieden, en droeg verschillende gedichten en emblemen aan hen op. Alciato's bronnen (Plinius' Naturalis historia en Horapollo's Hieroglyphia met name) werden ook door Junius gebruikt. De eerste embleembundel van Nederlandse herkomst bleek een succes. Er volgden herdrukken in 1566, 1569, 1575 en 1585. Embleem 44 behandelt Herakles' keuze:


Nederlandse vertaling


Twee vrouwen strijden om Herakles, die niet als jongeling, maar in de traditoneel aan de volwassen Herakles gegeven uitdossing (met knots en dierenvel) is afgebeeld. Ook de baard suggereert een wat hogere leeftijd. Aan de linkerkant, voor Herakles zelf rechts, zien we de Deugd, voorgesteld als de godin Athene, met wapenen getooid en symbool van wijsheid en standvastigheid. Rechts zien we de ondeugd, uitgebeeld door de godin Venus en haar zoon geblinddoekte Cupido. Deze indentiteit kregen de twee vrouwen uit Prodicus' verhaal wel vaker in de renaissance. Er wordt voor de lezer spanning opgeroepen omdat Herakles in alles naar Venus lijkt te neigen. Zijn hand gebaart naar haar, en zijn lichaam leunt licht naar haar over. Indicaties over de gevolgen van de keuze zijn op de pictura niet waar te nemen. Alleen het uiterlijk van beide vrouwen en de connotatie die zij beiden hebben, dwingen de beslissing af.
Het epigram verhaalt van `de Alcide', Herakles, kleinzoon van Alceus, die door de twee vrouwen bijna uit elkaar wordt gerukt. De Deugd tracht hem met zachte hand te leiden, de Ondeugd lokt met vele geneugten. De morele les krijgt de lezer pas in de bladzijden aan commentaar die Junius er achter in de bundel heeft bijgevoegd.

Het tweede embleem is van Gabriel Rollenhagen (1583-1619), afkomstig uit diens Nucleus emblematum, in 1611 in Arnhem verschenen. Deze van oorsprong Duitse dichter verbleef gedurende zijn juridische studie lange tijd in de Republiek, en leerde in Leiden de hoogleraar DaniŽl Heinsius kennen. Diens embleembundel Emblemata amatoria (1607) - anders dan de titel doet vermoeden een Nederlandstalige bundel - heeft grote invloed gehad op het ontwikkeling van de Nederlandse renaissanceliteratuur. In 1615 werden de Neolatijnse emblemen van Rollenhagen door Zacharias Heyns vertaald, en onder de titel Emblemata volsinnighe uytbeelsels nogmaals in de Republiek uitgebracht. Kijken we naar Rollenhagens uitwerking van de keuze van Herakles:


Nederlandse vertaling


Afgebeeld is Herakles in zijn jonge jaren, zoals ook Prodicus hem beschrijft. Afwijkend is het uiterlijk van de twee uitersten waartussen Herakles moet kiezen. Rechts van hem zit een oude, vermoeide man. Links Venus, voor de gelegenheid getooid met de attributen (vleugels, pijl en boog) die gewoonlijk met haar zoon Cupido worden geassocieerd. De oude man heeft een opengeslagen boek en de staf van Hermes - teken van de wetenschap - bij zich liggen. Een naast hem staande distel geeft aan dat een keuze voor hem hard werken en het verdragen van ontbering inhoudt. Tegenover de distel staat een uitbundig boeket. De liefelijke luit doet vermoeden dat een keuze voor Venus genot en plezier oplevert. Tegelijkertijd is het gezicht van de duivel zichtbaar - voor de lezer! - achter het masker dat zij de jonge man voorhoudt. Een doodskop achter de jongen - ook voor hem weer onzichtbaar - complementeert het sinistere beeld.
Het epigram benadrukt de boodschap die ook de pictura uitstraalt. Kies, als jonge man, niet voor het genot en plezier, want de hel zal erop volgen. Richt je daarentegen als Hercules op de weg der moeite, en de hemel zal je wachten.

Het derde embleem is van Florentius Schoonhovius (1594-1648), uit de bundel Emblemata partim moralia partim etiam civilia, in 1618 in Gouda gedrukt en herdrukt in 1626, 1635 en 1648. Deze embleembundel is doorspekt met citaten van klassieke auteurs, zo'n 60 in totaal. Naast de grote namen (Cicero, Horatius, Ovidius, Plutarchus, Seneca, Vergilius) figuren ook veel onbekendere grootheden. Het 35e embleem laat een in gepeins verzonken Herakles zien:


Nederlandse vertaling


Na het motto, pictura en epigram volgen bij Schoonhovius nog drie bladzijden commentaar, over de herkomst van het verhaal over Herakles' keuze en de interpretatie ervan. Op de pictura zien we twee jonge vrouwen, die attributen dragen die we ook bij Rollenhagen zagen. De godin van de deugd draagt een boek, aan haar voeten groeien distels en ze is ingetogen gekleed. Voluptas, de godin van het genot staat tegenover haar met fleurige bloemen en uitbundig gewaad. De opklimmende weg achter de Deugd, weergegeven met voorzichtig getekende bloemen, leidt naar een hooggelegen prieel of tempel. Kijken we achter Genot, dan zien we een distelachtig struikgewas opdoemen. De jonge man die voor de keuze tussen beide wegen staat, ziet wederom niet waartoe de geschenken zullen leiden die beide vrouwen hem aanbieden.
Het gedicht laat weinig ruimte voor twijfel. De Wellust schijnt liefelijk, en de Deugd ontoegankelijk, maar Herakles slaagde er toch in zijn geest op het goede te richten. Moge dat de lezer ook lukken!


Suggesties voor een vervolg

Tot zover deze zoektocht naar de sporen van de mythe over Herakles' keuze in de Nederlandse literatuur van de Renaissance. Niet dat er niet veel meer te vinden is, maar als demonstratie voldoet het materiaal dat tot nu toe getoond is. Dit verhaal is natuurlijk niet af. Er zijn genoeg losse eindjes om mee verder te gaan, en ik eindig dan ook met enkele suggesties voor docenten en leerlingen die op soortgelijke wijze andere sporen van de klassieke cultuur in de Nederlandse literatuur willen volgen.
Ik blijf even bij de embleemboeken, omdat ze zo'n rijke bron van materiaal vormen, en door de combinatie van woord en beeld zoveel aanknopingspunten bieden. Een mogelijk vervolg zou kunnen zijn: een zoektocht naar de verwerking van andere episoden uit het leven van Herakles in de Nederlandse emblematiek. Dan is het goed te weten dat er een twee indexen van embleemboeken bestaan - uit Nederland, maar ook uit Duitsland, Frankrijk etc. - getiteld:

  • J. Landwehr, Emblem books in the Low Countries. Utrecht 1970.
  • A. Henkel en A. Schone, Emblemata. Stuttgart 1996.

    Beide studies bieden, op trefwoord en categorie gerangschikt, goede overzichten van het aanbod, en bevatten ook overzichtelijke bronnenlijsten. Omdat er de afgelopen decennia veel herdrukken van embleembundels op de markt gebracht zijn, en er ook bundels op Internet te raadplegen zijn, is het ook relatief eenvoudig om daarna de bundels zelf te raadplegen. Vanaf dat punt - en de docent zou er voor kunnen zorgen dat de leerling op dat punt begint, door zelf het zoekwerk in die studies te doen - zou de zoektocht kunnen gaan als hierboven geschetst, door antwoord te zoeken op de volgende vragen:

  • Welke klassieke auteurs hebben over deze episode uit Herakles' leven geschreven, en hoe interpreteren ze die?
  • Hoe is die episode vervolgens door de eeuwen heen, en onder invloed van het christendom, geÔnterpreteerd en uitlegd?
  • Welke Nederlandse (of buitenlandse) auteurs hebben, bouwend op die traditie, over deze episode geschreven?
  • Is van die episode iets in de Nederlandse emblematiek terug te vinden?

    De eerste drie vragen hoeven natuurlijk niet noodzakelijkerwijs naar Nederlandse emblemen te wijzen. Evenmin hoeven leerlingen op literaire sporen van klassieke bronnen uit te komen. Het is goed denkbaar, en het hierboven getoonde materiaal laat dat ook zien, dat de beeldende kunsten stof opleveren, of dat materiaal in muzikale sferen gezocht kan worden. Zo zou bij het thema `Herakles op de tweesprong' ook naar cantate no. 213 van Johan Sebastian Bach, `Herakles auf dem Scheideweg', gekeken kunnen worden.
    Mocht er na de hier getoonde zoektocht in Nederlandse emblemen behoefte bestaan aan meer, dan volgt hier een embleem dat als vertrekpunt genomen zou kunnen worden. Het embleem komt uit Otto van Veens Amorum Emblemata uit 1608 (ook in reprint verschenen, Scolar Press 1996), en gaat over Herakles en de liefde:



    `De liefde brengt de mens tot heldendaden': Herakles heeft dit gelijk in nog genoeg andere Nederlandse literatuur bewezen.