De menigte trok naar het huis van burgemeester Boreel. Dat werd volledig geplunderd. Er vielen gewonden en enkele doden. Nog diezelfde avond lieten de burgemeesters hals-over-kop plakkaten drukken waarin de bevolking werd meegedeeld dat de belasting op begraven en trouwen niet doorging, en dat het beroep van aanspreker vrij bleef. Toen werd het rustig in de stad. Het oproer leek voorbij.

De volgende dag echter, trokken er weer protesterende burgers door Amsterdam. Een aantal matrozen had van de rellen gehoord en deed met het oproer mee. Vele huizen werden geplunderd. Er werden complete veldslagen geleverd. De burgerij werd opgeroepen de soldaten te helpen en er werden driehonderd ruiters op de been gebracht.