Pieter Bernagie



Pieter Bernagie (gedoopt in 1656 - 1699) wordt genoemd als een van de leden van de 'geletterde kring' waarvan ook Katharina Lescailje deel uitmaakte.

Het geboortejaar van Pieter Bernagie is niet bekend. Wel is bekend dat hij uit een Bredase regentenfamilie stamde. Tijdens zijn jeugd trouwde een tante met de Brabantse dichter Pieter Nuyts, een huwelijk waardoor Bernagie in contact komt met deze dichter en toneelschrijver. Hij studeerde medicijnen in Amsterdam en promoveerde in 1676 in Harderwijk tot doctor in die wetenschap. Hij vestigde zich als arts in Amsterdam, kreeg in 1689 toestemming om chirurgicale lessen te geven en werd in 1692 tot hoogleraar benoemd. Van hem verschenen enkele geneeskundige geschriften. Vanaf 1684 trad hij ook als schrijver van treur- en blijspelen op. De eerste twee jaren publiceerde hij niet onder zijn eigen naam, maar met de zinspreuk 'Latet quoque utilitas'. Hij heeft zeker veertien toneelwerken geschreven. Van deze werken zijn er tot het eind van de 18e en van een paar zelfs tot in de 19e eeuw herdrukken verschenen. Vele ervan zijn lange tijd (tot eind 18e eeuw) op het toneel te zien geweest. Waarschijnlijk is zijn grote vruchtbaarheid als toneeldichter er de oorzaak van geweest dat hij in 1693 benoemd werd als een van de twee directeuren van de Amsterdamse schouwburg. De andere was Joan Pluimer. Bernagie heeft deze functie tot aan zijn dood bekleed. (Van der Aa, deel 2, p. 422-423; Molhuysen, deel III, p. 99-100; Worp, 1883, p. 164-166; Worp, 1920, p. 142-143 en p. 174).

Contacten met Katharina Lescailje

Er is geen uitwisseling van gedichten te vinden tussen Bernagie en Lescailje. In Tooneel- en Mengelpoëzy (deel II, p. 375-378) staat een lijkklacht van Lescailje over de dood van Pieter Bernagie. Opvallend bij dit gedicht is dat deze wordt geschreven aan zijn oom Pieter Nuyts en niet aan zijn weduwe Elisabeth Nunninck. Dit gedicht is na de dood van Bernagie in ieder geval ook als afzonderlijke publicatie verschenen. Voordat de werkelijke tekst van de lijkklacht begint, schrijft Lescailje een kort inleidend gedicht aan Pieter Nuyts, waarin ze ook zijn lof bezingt:

Heer NUYTS, om uw geleerd Gedicht,
Grootmoedigheid, en deugd verheven,
Gy, die BERNAGIE acht als een Licht
Der Kunst, en waard en langer leeven;
Terwyl zyn dood uw hart doorwond:
Vergun myn Zangster, in haar lyen,
Dat zy, met een besturven mond,
U haare Lykklagt toe mag wyen,
En de Uwe, met een droeve groet,
van 't Y naar d'Aastroom* roll' te moet.


* Pieter Nuyts was schout van Etten, Leur en Sprundel, drie Brabantse dorpen in het stroomgebied van de Aa.

Het lijkt dat de contacten tussen Bernagie en Lescailje zich voornamelijk op 'zakelijk' gebied hebben afgespeeld. Hoewel vrijwel al zijn toneelwerken bij een andere Amsterdamse uitgever zijn uitgegeven, werd zijn laatste werk De Mode uit 1698 en de herdruk uit datzelfde jaar wel bij de 'erven Lescailje' uitgegeven. Ook dit toneelspel publiceerde Bernagie niet onder zijn eigen naam, maar onder het 'pseudoniem' Konstgenootschap Latet Quoque Utilitas.
Het is zeer goed mogelijk dat het contact tussen beiden pas in de laatste jaren van het leven van Bernagie, die op 43-jarige leeftijd overleed, tot stand is gekomen. Lescailje had ook contacten met Pieter Nuyts, waarvan zij werk uitgaf, en met wie zij gedichten uitwisselde. Dat nu juist Nuyts de aangeschrevene is voor de lijkklacht kan een aanwijzing zijn dat Lescailje nauwere contacten met Nuyts onderhield dan met Bernagie en zijn naaste familie, maar het kan daarnaast ook heel goed een zakelijke achtergrond hebben.
Er zijn overigens wel aanwijzingen voor het bestaan van een 'letterkundig' contact tussen de leden van de 'groep' Pluimer, Nuyts, Bernagie en Lescailje. In zowel De Bredaasche Klio als in Admetus en Alcestis van Pieter Nuyts staan lofdichten van Lescailje, Bernagie en Pluimer. Deze drie personen worden door Nuyts in beide gevallen in één dankdicht aangeschreven. Ook zijn lofdichten van Bernagie en Lescailje opgenomen in De Gedichten van J. Pluimer.