Abraham Bogaert



Abraham Bogaert (1663-1727) wordt in het 'Voorbericht' van de drie delen Tooneel- en Mengelpoezy van Katharina Lescailje genoemd als een van de tijdgenoten die achting had voor haar werk.

Abraham Bogaert had, voordat hij zich in 1706 als apotheker voorgoed in zijn geboorteplaats Amsterdam vestigde, verschillende zeereizen, onder meer naar Indië, gemaakt. In 1701 was hij opperheelmeester in Batavia, en werd later bevorderd tot de rang van koopman. Hij hield zich voor en tijdens zijn reisperiode al bezig met letterkundige arbeid. Hij schreef onder meer gedichten, toneelstukken, maakte vertalingen van Franse toneelstukken en schreef van zijn reizen een reisverhaal. Ook was hij een niet onverdienstelijk penningkundige. Bogaert had contacten met verschillende letterkundigen uit zijn tijd, waaronder David van Hoogstraten, aan wie hij toneelstukken opdraagt, en Joan Pluimer. Door deze contacten kan hij ook met Katharina Lescailje worden verbonden. (Van der Aa, deel 2, p. 768-768; Molhuysen, deel III, 131-132).

Contact met Katharina Lescailje

In het werk van Katharina Lescailje komt Bogaert eenmaal voor. Het betreft hier een kort lofdicht op Het muntkabinet der Roomsche keizers en keizerinnen, van Simon Schynvoet; in vaerzen beschreven door A. Bogaart, (Tooneel- en Mengelpoëzy, deel I, p. 74). Een lofdicht dat ook in het betreffende werk is opgenomen en dat een uitleg bevat over de inhoud van het boek. Het is een boek met afbeeldingen van de muntverzameling van Simon Schynvoet waarbij Abraham Bogaert in dichtvorm een inleiding en een uitleg schreef. Dit werk werd in 1695 bij de 'erven Lescailje' uitgegeven. Op dit werk maakte niet alleen de uitgeefster Lescailje een lofdicht, ook anderen deden dit, zoals Van Hoogstraten en Pluimer. Naast het lofdicht maakte Lescailje ook een onderschrift bij de afbeelding van Simon Schynvoet.
In het werk van Bogaert komt Lescailje ook voor. In De Gedichten van Abraham Bógaert, uitgegeven in 1723 te Amsterdam staat het gedicht Op Katryne Lescailje. Dit gedicht heeft Bogaert in 1721 voor het stamboek van Joanna Koerten geschreven. Deze vrouw komt ook in het werk van Lescailje voor. In dit gedicht wordt het werk van Lescailje gesteld boven dat van andere vrouwen; Sappho, Maria Tesselschade Roemersdr. Visscher, Anna Maria van Schurman en Gesina Brit van Blokzijl.

Men roeme op Sapphoos geest, op Tesselschaades dicht,
Op Schuurmans poëzy, en Brits verheeven zangen;
Maar vrou Lescailjes lier waar aan de ziel blyft hangen,
Straalt met meer majesteit Apol in 't aangezicht.
Haar heldentoon geschoeit om Koertens schaar te loven,
Streeft Neêrlants dichttrompet, hoe schel van klank, te boven.


In dit gedicht refereert Bogaert overigens aan het lofdicht dat Lescailje schreef Op de Papiere Snykunst van Mejuffrouw Joanna Koerten, Huisvrouw van den Heere Adriaan Blok, (Tooneel- en Mengelpoëzy, deel I, p. 63).

Het contact tussen Lescailje en Bogaert lijkt vooral gebaseerd op zakelijke belangen. Lescailje gaf niet alleen het bovengenoemde Muntkabinet uit. Het kluchtspel De gewaande droes uit 1711 is in ieder geval ook door de 'erven Lescailje' uitgegeven. Bogaert heeft echter meer toneelstukken geschreven die mogelijk ook door Lescailje zijn uitgegeven. Van een 'literaire vriendschap' lijkt er geen sprake te zijn. Zij hebben wederzijdse kennissen, schrijven soms aan/over dezelfde personen, maar er is geen uitwisseling van gedichten tussen hen. Het gedicht Op Katryne Lescailje schrijft Bogaert circa tien jaar na haar dood.