Joan van Broekhuizen



Joan van Broekhuizen, later ook Janus Broukhusius (1649 - 1707) maakte deel uit van de groep 'geleerde heren' waarmee Katharina Lescailje in contact stond.

Joan van Broekhuizen is geboren in Amsterdam. Hij was een kind van eenvoudige ouders, die al vroeg zijn vader verloor. Zijn oom en voogd zorgde ervoor dat hij bij de Latijnse school werd aangenomen, waar hij zich als een begaafde leerling ontpopte. Hij had een grote belangstelling voor de (Latijnse) dichtkunst en maakte zelf ook gedichten. Ondanks dat hij zich graag verder in de 'letteren' wilde bekwamen, wilde zijn oom hem tot apotheker opleiden. Hij was enige jaren bij een apotheker in de leer, maar besloot in krijgsdienst te gaan. Hij maakte belegeringen en veldtochten mee en nam deel aan een tocht naar Amerika. Van soldaat werd hij bevorderd tot vaandrig en later tot kapitein-luitenant. Gedurende zijn krijgsdienst schreef hij Latijnse en Nederlandse gedichten en deed oudheidkundig onderzoek. Tijdens stadsbezettingen, onder meer in Utrecht en tenslotte in zijn geboortestad Amsterdam, legde hij contacten met beroemde professoren. Contacten die hij gedurende zijn hele leven zou onderhouden. In 1697 verliet hij met behoud van zijn jaarwedde de krijgsdienst. In 1699 verhuisde hij naar Amstelveen waar hij tot het eind van zijn leven woonde. Alleen of in samenwerking met anderen heeft hij verschillende Latijnse werken uitgegeven. In 1677 werden er een aantal Nederlandse verzen van hem uitgegeven, samen met verzen van Joan Pluimer. Na zijn dood kwam in 1711 Jani Broukhusii, PoŽmatum libri sedecim uit. Deze bundel Latijnse gedichten is door David van Hoogstraten uitgegeven. Ook gaf Van Hoogstraten in 1712 Gedichten met het leven des dichters uit. (Van der Aa, deel 4, p. 1369-1374; Molhuysen, deel IV, p. 309-312).

Contacten met Katharina Lescailje

In de bovengenoemde uitgaven van de Nederlandse gedichten van Joan van Broekhuizen is er geen verwijzing naar Lescailje van de hand van Van Broekhuizen. Wel verwees David van Hoogstraten in zijn levensbeschrijving van Van Broekhuizen naar Lescailje.
In de PoŽmatum libri sedecim staat het Latijnse gedicht in Catharinam Lescaille poÍtriam Batavam (op de Bataafse dichteres Catharina Lescaille). Boven het gedicht staat geschreven: 'Hij (Van Broekhuizen) wreekt zich op haar met een Latijns gedicht vanwege het feit dat hem het gebruik van een Belgisch gedicht werd geweigerd'. Het lijkt erop dat er tussen Lescailje en Van Broekhuizen op een of andere manier onenigheid was over het gebruik van een gedicht of over de taal (Nederlands en/of Latijn) waarin gedicht werd. Het gedicht begint met lof voor het werk van Lescailje, er wordt onder meer gesproken over een 'edel en gouden gedicht', 'spitsvondig, lichtvoetig, teder, fijnzinnig'. Van Broekhuizen vervolgt het gedicht met de mededeling dat zij (Lescailje) niet wilde dat hij (Van Broekhuizen) van de lieftalligheid van het gedicht op de hoogte zou zijn en hem het gebruik ervan ontzegde. Daarom neemt hij wraak met een gedicht in het Latijn, 'opdat zij trots als zij is haar eigen eerbewijzen niet kan begrijpen'. Bij het gedicht staat in hoofdletters een onderschrift: 'De Muzen hebben het een goede daad genoemd, dat niemand deze versregels in het Belgisch zou willen vertalen'. In het werk van Lescailje is over deze 'onenigheid' geen aanwijzing te vinden. Wat wel in het licht van deze mogelijke 'taalstrijd' opvalt, is dat Lescailje blijkens het onderschrift Uit het Latyn van den Heere J.V. Broekhuyzen. een lofdicht van Van Broekhuizen op de gedichten van Joan Pluimer uit het Latijn vertaald heeft (Tooneel- en MengelpoŽzy, deel I, p. 85). Dit kan betekenen dat Lescailje wel degelijk in staat was tot het lezen van Latijn, en het gedicht van Van Broekhuizen begrepen moet hebben.
In het werk van Lescailje is wel een lofgedicht opgenomen dat zij schreef voor het 'stamboek' (album amicorum) van Joan van Broekhuizen, (Tooneel- en MengelpoŽzy, deel I, p. 87). In dat gedicht bespreekt zij onder meer zijn geleerdheid en gebruik van verschillende talen:

Al 't Aardryk is verpligt aan uw geleerde Lier,
En eert de schaduw van uw bloeijenden Lauwrier,
Daar ge uw doorluchten Geest, in alle taal laat hooren,
Die tot een wonder van de Dichtkunst is gebooren.
Wie op Parnas ooit voor Apol wierd aangebeÍn,
Broekhuizen is dat licht, dat groote licht alleen.


Net als bij David van Hoogstraten en Petrus Francius lijkt het erop dat er vooral een literair contact heeft bestaan. Hoe de toon van het Latijnse gedicht van Van Broekhuizen dan ook mag zijn, zowel lof als 'wraak', het toont aan dat er sprake was van een literair contact. Een zakelijk contact tussen Lescailje en Van Broekhuizen is (nog) niet aan te tonen.