Vriendschap met Johannes Blasius



Met niemand van de mannen waar Catharina Questiers contact mee had, was ze zo bevriend als met de Leidse advocaat Johannes Blasius. Hij bewonderde haar grenzeloos, getuige zijn reeks gedichten aan haar gewijd in zijn Mengeldichten van diergelijke stof, de voornaamste juffers toegepast (1661). Hiervoor schreef Catharina op haar beurt een lofdicht. Daarnaast droeg hij zijn werk Geslachtboom der Goden en Godinnen (1661) aan haar op.

In zijn gedichten roemt Blasius al Catharina's kunsten en haar karakter. Bovendien wordt het een en ander duidelijk omtrent de aard van hun vriendschap. Zelf karakteriseert hij die als een "weerzijds gunst verbond". (Blasius 1661b, p.68). Wat hij hieronder verstaat blijkt uit bestudering van zijn gedichten. Hij schreef in het gedicht voor Questiers' stamboek dat hij dit deed om "vriendschap na vermogen te betalen" en even verderop: "Verschulde plicht heeft my hier toe gedreven,/ En d'eerb're gunst, die gy uw trouwe Vriend,/ Die noyt een straal van vriendschap had verdient,/ Roem-rijke Siel, so dikmaal hebt gegeven." (Blasius 1661b, p.72). In een brief op rijm aan Questiers op het terugzenden van een van haar geleend boek, dicht hij: "De overgroote eer die my uw vriendschap deede/ In 't leenen van uw Boek, erken ik danckbaar, en/ sal uyten dat ick aan uw gunst verbonden ben." (Blasius 1661b, p. 78). Er is dus sprake van een wederzijds dienstverband en trouw in het vervullen van de verplichting die hieruit voortvloeit.

Behalve literatuur wisselden de twee vrienden ook andere geschenken en kunstwerken uit. Uit dankverzen op Catharina's nieuwjaarsgift blijkt dat zij hem 23 gegoten medailles, een tandenstoker en een bloem heeft geschonken. Ook gaf zij hem eens een reukkussen en een zelfgedraaid tabaksstoppertje. (Blasius 1661b, p. 67, 160, 225).

Persoonlijke ontmoetingen tussen Blasius en Questiers hebben ook plaatsgevonden. In een gedicht van Blasius op Questiers' zinspreuk, spreekt hij over haar kamerdeur, waarop de spreuk 'Ik min mijn Vryheyd' staat. (Blasius 1661b, p. 51). In de opdracht aan Catharina in zijn werk Geslachtboom der Goden en Godinnen refereert hij aan een bezoek van haar aan Leiden. (Blasius 1661a, fol. [4r]). Uit de opdracht blijkt verder dat Questiers hem ertoe aangezet had dit werk te schrijven en dat hij na haar bezoek alles aan kant zette "om die vrucht voor den dag te brengen die alleenlijk U te wil toe-gestelt was." (Blasius 1661a, fol. [4v]). Zijn waardering voor haar blijkt ook uit het feit dat hij haar twee puntdichten heeft toegestuurd vanuit het Oosten die hij in de opdracht herhaalde voor het geval dat ze nooit waren aangekomen.

Uit het bovenstaande blijkt dat er een vrij hechte en affinitieve vriendschapsband bestaan moet hebben tussen Questiers en Blasius, waarin wederzijds respect, dienstverlening en trouw de basis vormden. Helaas is er van Questiers op het lofdicht na geen werk van haar aan hem overgeleverd, maar dat moet wel bestaan hebben, getuige de zinspelingen erop in Blasius' werk. Hieruit is op te maken dat Blasius wellicht meer belang hechtte aan het contact dan Questiers; waarom nam zij anders geen gedichten van hem op in haar Lauwer-stryt ? Blasius stak zijn bewondering voor Catharina ook tegenover 'derden' overigens niet onder stoelen of banken: hij promootte Questiers' kunstwerken zelfs bij een goede vriend die "sich met veel woorden daarover verwonderde." (Blasius 1661b, p. 178). Zo zorgde hij voor uitbreiding van haar publiek. Zelf noemde hij zich haar "Vriend en Dienaar" en haar zijn "In kunst vereende Sus". (Blasius 1661b, p. 78). Blasius en Questiers gaven elkaar bevestiging, motiveerden elkaar en als gelijkgestemden konden ze elkaar steunen in de beoefening van de (dicht)kunst door de uitwisseling van kennis en materiaal. Questiers spoorde Blasius zelfs aan tot publicatie van zijn Geslachtboom der Goden en Godinnen 'ten nutte van onse Neder-duytsche Meede-dichters'! (Blasius 1661a, fol. [4v]).