Vermeld: een brief in een brief in een toneelstuk...



In een exemplaar van Casimier of gedempte hoogmoet (1656), een toneelstuk van Catharina Questiers (te vinden in de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam met signatuur UBM: 687 C 5 (1)), is voorin een interessante brief geplakt uit 1859. De brief is geschreven door ene A.B. Schinkes aan een zekere 'freule' en wordt vergezeld van een uitgave van bovengenoemd toneelstuk. Interessant wat betreft Questiers is de brief om de volgende passage:
" Hoogst aangenaam is het mij dat de toneelstukken van uw "Vriendinneken" Catharina Questiers U welgevallig zullen zijn. Het boeksen waarin beider stukken zijn gaat hier voor uwe Verzameling bij en het doet mij bijzonder veel genoegen wederom iets te kunnen bijdragen - Nu hoop ik dat haar brief aan Oudaan U ten deel zal vallen; gebeurd zulks dan zou U...[naam onleesbaar] mij zeer verpligten Door er mij een afschrift van te geven om reden dat ik in het bezit ben van Drie exempl. van Oudaans Roomsche Mogentheid, die Uniek zijn."

Behalve dat het in het kader van de receptiegeschiedenis leuk is om te weten dat er 'Questiers-fans' waren in de negentiende eeuw, die haar werk (en dat van anderen!) verzamelden en uitwisselden, werpt deze brief ook een licht op haar netwerk : Questiers heeft wel degelijk gecorrespondeerd met mensen van haar vriendenkring, dan toch in ieder geval met de Rotterdamse Joachim Oudaan.

Oudaan (1628-1692) was een zeer geleerd man. Hij was een remonstrant (Catharina was katholiek!) en naast zijn werk in het familiebedrijf, een steenhandel, was hij beoefenaar van de poŽzie. (Van der Aa 1877, dl.14, p.255-262.) In de Lauwer-stryt (1665, p.102) staat een gedicht van hem aan Catharina. Dit gedicht heeft hij haar samen met een exemplaar van zijn boek De Roomsche Mogentheyt doen toekomen. Waarom zou hij haar dit boek gezonden hebben? Had Questiers erom gevraagd? Met zekerheid te zeggen is het niet, maar het zou een gebaar geweest kunnen zijn, inherent aan de aard van hun relatie van twee geletterden die elkaar respecteerden en kennis uitwisselden. Uit het gedicht blijkt namelijk dat Oudaan haar ten zeerste waardeerde om haar rijke gaven. Hij noemde het een plicht om haar zijn werk te sturen.

De relatie tussen Oudaan en Questiers en de waardering zijnerzijds mogen vrij uniek genoemd worden, aangezien Oudaan het niet hoog op had met vrouwen die de dichtkunst beoefenden. Vrouwen behoorden zich volgens hem te beperken tot stichtelijke gedichten: de ziel moest geraakt worden, niet de zintuigen, dan zou de poŽzie snel vervlogen zijn. Geleerd-mythologische of politieke gedichten waren dan ook uit den boze voor vrouwen. De naam Sappho beschouwde hij niet als een eretitel. ( Met en zonder lauwerkrans 1997, p.409.)

Hoe zit dat dan met Questiers, waarom had hij toch contact met haar? Zij was een dichtende vrouw die geleerde gedichten schreef, gebruik makend van mythologische verwijzingen. Bovendien was haar bijnaam 'Tweede Sappho'. (Everard 1984, p. 337). Echter, volgens Oudaan oversteeg Catharina het vrouwelijk geslacht. Hij vond namelijk, dat haar 'letterlust', 'hoog gedacht' en 'rijck bezit van schat en gaven' ertoe leidden 'om de stand voor by te draven/ Van het vrouwelijck geslacht,'. ( Lauwer-stryt 1665, p. 102.) Questiers dichtte dus als een man en dat was, hoewel geen ongebruikelijk, toch een groot compliment in die tijd, zeker als dat compliment ook nog uit de mond van een argwanende man als Oudaan kwam.

Questiers zal wellicht trots geweest zijn op het contact met zo'n erudiet persoon als Oudaan van buiten Amsterdam, maar verder dan wat speculaties over het contact tussen die twee komt het niet op basis van slechts een aanwijzing over een brief en een gedicht. Het is moeilijk te zeggen van wie het contact in eerste instantie uitging, maar het lijkt erop dat Oudaan de initiatiefnemer was. Questiers komt in haar werk niet over als iemand die actief aan relatiebeheer deed en voor mannen lag dit veel meer voor de hand. Misschien hoopte hij wat van haar dichtstijl te leren of dacht hij dat hijzelf als dichter meer gewaardeerd zou worden door contact met haar. Oudaan stond namelijk zelf niet bekend om een vloeiende dichtstijl: die was eerder stijf en verwrongen te noemen. (Van der Aa 1877, dl.14, p. 255-262). Blijkens de brief en het gedicht was het op een gegeven moment wederzijds. Het lijkt waarschijnlijk dat ze, evenals de briefschrijvers uit 1859, op een informele manier boeken, brieven en gedichten uitgewisseld hebben en dat ze elkaar zo een dienst bewezen en een blijk gaven van erkenning, iets wat voor Questiers een aanmoediging geweest kan zijn.