Smeekbede om een toneelstuk



In dit gedicht vraagt Hendrik Bruno om een exemplaar van Den geheymen minnaar , een toneelstuk van Catharina Questiers , waarvoor hij belangstelling heeft. Hij wil het stuk zeker niet kopen, maar dat vindt hij ook niet nodig, aangezien Questiers belooft heeft om het hem te geven.

Inmaninge van de beloofde.
GEHEYME MINNAAR
Van Juffr.
CATHARINA QUESTIERS.

O waerde zogelingh der negen Zangh-Goddinnen,
Selfs tiende Zangh-Goddin, die my van mijn' vijf zinnen
Ter naesten by vervoert, door diepe zinlickheyt,
Die in my op uw' diep GEHEYME MINNAAR leyt;
Maeght, die in uw' bloem, in uwe Lente-jaren,
Een schoon papiere-kint quamt uyt u hooft te baren.
Amstel-Pallas, waert om gunstelingh te zijn
Van Sweedtsche Pallas, noyt waerdeerlicke Christijn,
Ick hebb' u werck gesien, gelesen, en gepresen;
Maar hebb' het niet gekocht: hoe soo? dat mocht niet wesen,
Ick had 't verlooft te doen: dewijl uw' heusche mondt
Door een belofte van 't te senden zich verbondt.
Al heeft de vrecke droes mijn herte noyt beseten,
Veel liever had ick noch u werck u dank te weten,
Dan mijn' gekruyste munt, om dat soo lieven handt
Hier gunst door senden soud', en dit tot onderpandt.
Ick ongeveynsde dan, ik openbare minnaar
Van uw' GEVEYNSD' en u heb Catharijn, mijn zin daer
Voor seeker op gestelt, dat ghy 't niet weyg'ren zult;
Ghy hebt het my belooft, beloftenis maeckt schult.
Uw' heuscheyt kon my tot een stoute bed' laer maecken.
Eer ghy u selven maent, sal ick geen manen staecken.
En schoon ghy door u woort my dit niet schuldigh waert:
Apolloos Priester waer een Priesteres dit waert.
Waer 't vremt, dat ghy my van uw' herssenkroost geriefde?
Ick eyscht uyt Broeder-recht; geeft ghy't uyt Suster-liefde.

Hendrick Bruno

(Bron: Lauwer-stryt 1665, p. 147-148).