Contacten met 'geleerde heren'



Tot de vele contacten die Katharina Lescailje in ieder geval via haar poŽzie onderhield, behoren ook die met een groep 'geleerde heren'. In het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (Molhuysen e.a., deel III, p. 99) wordt de aandacht gevestigd op een 'geletterde kring' waarvan onder meer Pieter Bernagie, Petrus Francius, Joan van Broekhuizen, Joan Pluimer, Katharina Lescailje, en David van Hoogstraten deel uitmaken. Al eerder had Worp (1883, p. 155) Katharina Lescailje als de vriendin van enkele leden van deze groep bestempeld. Waarschijnlijk zijn deze conclusies vooral gebaseerd op het feit dat de leden van deze groep gedichten voor en over elkaar schreven. Deze gedichten zijn dan ook terug te vinden in elkaars publicaties. Wat voor soort contact deze groep mensen met elkaar onderhielden en wat daarvan de reden zou kunnen zijn, is onderwerp van het deelonderzoek waarvan hier verslag wordt gedaan.
In het Voorbericht der uitgeeveren aan den dichtlievenden leezer, waarmee de drie delen Tooneel- en Mengelpozy van Katharina Lescailje beginnen, worden ook enkele namen genoemd. Er wordt gewezen (inclusief bibliografische gegevens) op de achting die Lescailje van tijdgenoten als David van Hoogstraten, Joan Pluimer, Pieter Nuyts en Abraham Bogaert had gekregen. De laatste twee maken geen deel uit van de hiervoor genoemde 'geletterde kring', maar zij hadden niet alleen contact met Lescailje, zij waren ook met andere leden van deze kring gelieerd.

Bij deze groep 'geleerde heren' vallen een paar zaken op. De meeste leden van de groep schreven toneelstukken en een paar ervan bekleedden een invloedrijke positie bij de Amsterdamse Schouwburg. Ook Katharina Lescailje hield zich bezig met het schrijven voor toneel (vertalingen op rijm van Franse treurspelen) en haar stukken zijn blijkens het hiervoor genoemde 'Voorbericht' ook opgevoerd.

Een aspect bij de letterkundige kant van deze kring is de adoratie voor Vondel. Lescailje eerde Vondel met drie gedichten, twee verjaargedichten (Tooneel- en MengelpoŽzy, deel I, p. 178) en een gedicht op zijn dood (Tooneel- en MengelpoŽzy, deel II, p. 331). Zij maakte in haar werk gebruik van 'Vondeliaanse zinsneden' en zij liet zich door gedichten van Vondel inspireren. (Van Gemert, 1997, p. 396, 398). In het eerdergenoemde 'Voorbericht' wordt ook aandacht besteed aan de invloed die Vondel op Lescailje heeft gehad. Als tien- of elfjarige was zij door Vondel, die enkele van haar gedichtjes had gelezen, bij hem thuis uitgenodigd en door hem tot verdere Dichtoefening aangemoedigt. Vondel woonde in de Warmoesstraat en was een buurtgenoot van de familie Lescailje, die op de Middeldam woonde.

De Amsterdamse Dam rond 1650
(Uit: Amsterdam in 17e-eeuwse prent, J. Schiltmeijer)

Deze ontmoeting heeft een grote indruk op haar gemaakt. De ontmoeting moet hebben plaatsgevonden in de periode dat de Hollandse Parnas verscheen. Deze bundel bevat gedichten van onder andere Vondel en Jacob Lescailje en is in 1660 bij uitgeverij Lescailje verschenen (Sanders, 1960, p. 64).
In enkele gedichten noemt Katharina Lescailje Vondel een voorbeeld voor anderen, waaronder Pluimer en Van Hoogstraten. Ook Van Hoogstraten liet zich niet onbetuigd over Vondel. Hij was een zeer groot bewonderaar van Vondel en elke Nederlandse dichter moest naar zijn mening de door Vondel uitgezette paden volgen. Van Hoogstraten heeft met zijn standpunt veel invloed gehad, dit heeft er zelfs toe bijgedragen dat de uitstraling van Vondel tot in de 19e eeuw groot is geweest (Schenkeveld-van der Dussen, 1993, p. 299).

Een ander aandachtspunt is de mogelijke economische binding van Lescailje met de meeste leden van de groep. Meerdere publicaties van hen werden uitgegeven Bij de Erfgen. van J. Lescailje, op de Middeldam, op de hoek van de Vischmarkt. Veel van deze publicaties zijn toneelstukken. Na de dood in 1679 van haar vader Jacob Lescailje had Katharina, alleen of met een ander, zijn boekhandel/uitgeverij voortgezet. Het is mogelijk dat zij dit met haar zuster Aletta deed, maar zeker is dat niet. (Sanders, 1960, p. 64). In 1685 kwamen deze 'erven Lescailje' in het gilde.

Het over en weer onderhouden van contacten kan voor 'alle partijen' van belang zijn geweest. De contacten met de andere schrijvers betekende niet alleen werk voor de uitgeverij/drukkerij, het bood ook de mogelijkheid haar werk bekendheid te geven doordat lofdichten in het werk van anderen werden gepubliceerd. Dit gold niet alleen voor werken die bij de 'erven Lescailje' uitgegeven werden. Het onderhouden van contacten met bekende toneelschrijvers en schouwburgdirecteuren leverde Lescailje mogelijk vertaalwerk op en wellicht verdiende zij iets met haar vertalingen van Franse toneelstukken voor de Amsterdamse Schouwburg (Schenkeveld-van der Dussen, e.a., 1997, p. 45, 68-69). De contacten kunnen tegelijkertijd invloed hebben gehad om dit 'eigen' werk daadwerkelijk 'op de planken te krijgen'. Ook kan het, naast het drukken van toneelstukken, ander werk voor de uitgeverij/drukkerij opgeleverd hebben.


Interieur stadschouwburg Amsterdam

In rekeningen van de Amsterdamse Schouwburg werd regelmatig melding gemaakt van kosten voor het drukken van biljetten (wellicht betreft het hier aanplakbiljetten) en in 1644 betrof het ook een rekening van Jacob Lescailje (Worp, 1920 p. 90 en 124). Er zijn overigens (nog) geen aanwijzingen voor dergelijke werkzaamheden in de periode dat Katharina Lescailje de drukkerij beheerde.

Lescailjes dichtwerk is vrijwel alleen gelegenheidswerk dat volgens de gangbare voorschriften werd geschreven. Haar poŽzie wordt overwegend 'zeer onpersoonlijk' genoemd (Sanders, 1960, p. 65) en heeft veelal een 'sjablonenmatig karakter' (Van Gemert, 1997, p. 398). De gedichten van Lescailje voor en over de groep 'geleerde heren' zijn ook nogal onpersoonlijk en geschreven volgens een herkenbaar stramien. De gedichten geven vrijwel geen aanwijzingen voor de aard van de contacten. Datzelfde geldt overigens ook voor de gedichten van de anderen over haar. Het aantal en het genre gedichten dat voor/over een persoon geschreven wordt, kan mogelijk iets zeggen over de contacten. Het kan een aanwijzing zijn voor de intensiteit van een contact, maar er kunnen ook zakelijke belangen achter schuilgaan. Het aantal gedichten voor Joan Pluimer was aanzienlijk hoger dan voor enkele anderen, maar het aantal werken van Joan Pluimer dat bij de 'erven Lescailje' werd uitgegeven, was in verhouding tot de anderen ook groter. Er is nog een ander voorbeeld van de eventuele zakelijke achtergronden van de contacten. Bij het overlijden van Pieter Bernagie schreef Lescailje niet aan de weduwe, maar aan de oom van de overledene, Pieter Nuyts. Wellicht had het feit dat Pieter Nuyts, net als Pieter Bernagie, werk bij de 'erven Lescailje' uitgaf, hiermee iets te maken.
Een aantal van de lofdichten die Lescailje schreef, gaf naast de gebruikelijke lof op de kwaliteiten van de dichter, ook een beschrijving van de inhoud van het werk waarvoor het lofdicht werd geschreven en soms ook nog de inhoud van ander werk van de betreffende dichter. Dit kan beschouwd worden als 'reclame' voor het werk van de dichter en kan van belang zijn voor de verkoop ervan, zeker als de uitgevers de 'erven Lescailje' waren.