Petrus Franciscus



Petrus Francius (1645 - 1704) was een van de 'geleerde heren' waarmee Katharina Lescailje contact had.

Petrus Francius (familienaam De Frans) werd in Amsterdam geboren. Hij bezocht de Latijnse school, waar hij al snel blijk gaf van belangstelling om in het Latijns, Grieks en Nederduits te schrijven. Hij vertrok naar de Leidse Hogeschool om zich in geschiedenis te bekwamen. Hij maakte reizen naar Frankrijk, Engeland en ItaliŽ, waarna hij naar Amsterdam terugkeerde. Daar werd hij in 1674 als hoogleraar geschiedenis en welsprekendheid benoemd. In 1686 werd hem ook het onderwijs in de Griekse taal opgedragen. Hij onderhield 'vriendschappelijke' relaties met de voornaamste geleerden uit zijn tijd. Francius is in de periode vanaf 1677 tot 1681 een van de zes regenten van de Amsterdamse Schouwburg geweest.
Van Francius verscheen niet alleen wetenschappelijk werk op het gebied van geschiedenis, welsprekendheid en Grieks. Hij schreef ook gelegenheidspozie, waaronder een Latijnse lijkklacht op de dood van Michiel de Ruyter, later door hemzelf in het Nederlands vertaald en uitgegeven, een Nederlandse lijkklacht op de dood van de dichter Antonides van der Goes en een lijkrede op de dood van Maria Stuart, echtgenote van koning Willem III. Verder verscheen van hem een Latijnse dichtbundel PoŽmata. (Van der Aa, deel 6, p. 1882-185; Harmsen, 1996, p. 266 en 271).

Contacten met Katharina Lescailje

In PoŽmata staan geen gedichten die verbonden kunnen worden met Lescailje. Het is niet bekend of er werk van hem bij de 'erven Lescailje' werd uitgegeven. Van de momenteel nog beschikbare werken is er geen enkele van deze uitgeverij. Wat wel opvalt, is dat in gedichten van anderen, zoals David van Hoogstraten en Joan Pluimer, de naam van Francius op de een of andere manier verbonden wordt aan die van Lescailje.
In het werk van Lescailje is wel iets over Francius te vinden. Zij schrijft het gedicht Op het verjaaren van den hooggeleerden heere Petrus Francius, hoogleraar in de historiŽn te Amsteldam (Tooneel- en MengelpoŽzy, deel I, p. 172-173):

De morgenstond verschynt op 't voorhoofd met een lagch,
En lonkt myn zangster toe; wyl zij op deezen dag
Den wyzen Francius aan 't Spaaren zal ontmoeten,
Dat Licht van 't glansryk Y op zijn verjaarfeest groeten,
Daer hy zyn eedl'n geest ontspant met blyden lust;
Terwyl zyn lusthof woelt van vreugd, nu hy 'r rust.


Naast de gebruikelijke lof, met name op de geleerdheid van de aangesprokene, zou uit dit gedicht uit 1674 opgemaakt kunnen worden dat Lescailje Francius op zijn buiten aan het Spaarne ontmoette. Kennelijk behoorde Lescailje tot degenen die hem op zijn verjaardag bezochten. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat het contact een vriendschappelijke, literaire achtergrond had. Wederzijdse kennissen als Van Hoogstraten en Pluimer speelden hierbij wellicht een rol. Het is, net zoals bij Van Hoogstraten en Van Broekhuizen, niet duidelijk of er ook een zakelijk contact heeft bestaan. Pas later (vanaf 1677) wordt Francius regent van de Amsterdamse Schouwburg.