David van Hoogstraten



David van Hoogstraten (1658 - 1724) is een 'geleerde heer' waarmee Katharina Lescailje contact had.

De arts en classicus David van Hoogstraten was de zoon van een schrijvende boekhandelaar die eerst in Dordrecht en later in Rotterdam een zaak dreef. Hoewel Van Hoogstraten was bevorderd tot doctor in de geneeskunde, en ook een aantal oorspronkelijke en vertaalde geneeskundige werken publiceerde, heeft hij zich niet intensief beziggehouden met de geneeskundige praktijk. Zijn belangstelling lag vooral op taal- en letterkundig gebied. Hij nam onder meer een ondergeschikte aanstelling bij het gymnasium in Dordrecht aan. Later werd hij tot plaatsvervangend rector aan het Amsterdams gymnasium benoemd. Hij verzorgde vele uitgaven van klassieke werken, inclusief inleiding en aantekeningen. Hij bewerkte woordenboeken, schreef taalkundige verhandelingen en gaf werk van tijdgenoten en voorgangers (opnieuw) uit. Ook publiceerde hij zelf dichtwerk, zowel Latijnse gedichten, als ook Nederduitsche poŽzy. Met zijn werk stond hij in hoog aanzien bij tijdgenoten. In 1685 trouwde hij met Maria van Nispen. Ook zij hield zich met de letterkunde bezig. Zij vertaalde aantekeningen van Hugo de Groot op het evangelie van Mattheus. Daarnaast maakte zij gedichten, welke in werken van tijdgenoten werden gepubliceerd. (Van der Aa, deel 12, p, 1158-1166 en deel 18, p. 269).

Contacten met Katharina Lescailje

David van Hoogstraten heeft zich ook beziggehouden met het schrijven van vele schrijversbiografieŽn. Door middel van deze biografieŽn bracht hij ook zijn uitgesproken mening over de Nederlandse literatuur over. Vaak vormden de biografieŽn de inleiding van door hem verzorgde tekstuitgaven. Een van deze tekstuitgaven is die van de gedichten van Joan van Broekhuizen uit 1712. In deze biografie somt Van Hoogstraten de in zijn ogen belangrijke Nederlandse dichters op. Niet alleen noemt hij de grote vijf, Cats, Huygens, Hooft, Bredero en Vondel, hij geeft ook een groot aantal andere dichters en dichteressen een plaats (Schenkeveld-van der Dussen, 1993, p. 299-300). In zijn opsomming van de edele vernuften noemt hij ook Katharina Lescailje: Katarine Lescaille, die door hare mannelyke PoŽzy vele mannen beschaemt heeft. Deze zinsnede is niet onopgemerkt gebleven. In de voorrede van deel 2 van Gedichten van Joan Pluimer wordt deze deze opmerking herhaald.
D. van Hoogstratens Gedichten uit 1697 bevat een lofdicht dat Katharina Lescailje op zijn gedichten schreef (ook in Tooneel- en MengelpoŽzy, deel I, p. 88). In dit korte gedicht krijgt Van Hoogstraten veel lof voor zijn Nederlandse dichtwerk. Lescailje noemt hem een van de grootste dichters en stelt dat De groote Vondel en Antonides herleeven,.
In deze bundel staat tevens het gedicht Aen Juffrou Katarina Lescaille, Op myn aenkomst t'Amsterdam. Dit gedicht is niet gedateerd, maar het is mogelijk dat deze aankomst in Amsterdam te maken heeft met zijn benoeming aan het Amsterdams gymnasium. Het is niet duidelijk of de twee elkaar persoonlijk kenden. Die mogelijkheid bestaat wel, zij schreef in 1685 een gedicht op zijn huwelijk. Het is echter ook mogelijk dat ze elkaar alleen via wederzijdse kennissen en hun dichtwerk 'kenden'. In zijn gedicht uit Van Hoogstraten zijn blijdschap over het feit dat hij naar Lescailjes wydberoemde stad komt. In het eerste deel van het gedicht schrijft hij dat hij Katharina (met zijn dichtwerk) wil komen begroeten en naar haar gedichten wil luisteren. In het tweede deel beschrijft hij vooral zijn lust om de dichtoefeningen van andere Amsterdammers, waarvan hij de naam niet noemt, maar waarover hij blijkens de tekst door Francius en Broekhuizen reeds op de hoogte is gesteld, te horen en te lezen, en om zelf deel te nemen aan het 'letterkundig spel'. Aan het slot van het gedicht komt hij weer terug bij Lescailje, waarbij opnieuw de nadruk op de mannelijke poŽzie opvalt:

Hoe lust het my in 't end de Duitsche dichteryen
Te zien door helden voor haer ondergang bevryen,
Die gy zelf voorgaet als een amazoon vol moed,
Een toont een manlyk hart in alles wat gy doet.


In deze bundel zijn ook gedichten opgenomen voor of over personen die ook in het werk van Lescailje voorkomen of die tot de 'vriendenkring' van beiden behoren. Enkele voorbeelden hiervan zijn: Joan Goris (rector Amsterdams gymnasium), Petrus Francius, Joanna Koerten, Abraham Bogaert, Joan van Broekhuizen, Joan Pluimer.
Katharina Lescailje had behalve het bovengenoemde lofdicht al in 1685 een gedicht op het huwelijk van David van Hoogstraten met Maria van Nispen geschreven (Tooneel- en Mengelpozy, deel II, p. 59-61). In dit gedicht wordt vermeld dat beide partners zich met dichtkunst bezighouden, waarbij ook wordt ingegaan op het serieuze werk van Maria van Nispen. De nadruk in dit huwelijksdicht ligt op de kracht van de poŽzie en hoe de liefde door het gedicht kan worden opgewekt:

Maar gy alleen kunt haar bekooren,
O Bruidegom! zoo hoog verlicht,
Met uw betoverend gedicht.
Hoe streelt gy haar het hart door de ooren!


Of er zakelijke belangen tussen Lescailje en Van Hoogstraten zijn, is niet duidelijk. Van de momenteel nog beschikbare werken van Van Hoogstraten is er geen bij de 'erven Lescailje' uitgegeven. Dat zou erop kunnen wijzen dat het contact vooral een literaire achtergrond had. Van Hoogstraten had waardering voor het dichtwerk van Lescailje. Hij gaf haar een plaats in zijn overzicht van dichters en dichteressen en bovendien deed zij volgens hem niet onder voor haar mannelijke tijdgenoten.