Een vriend om trots op te zijn


Catharina Questiers had niet alleen contact met haar vermaarde buurtgenoot Vondel , maar ook met de befaamde Constantijn Huygens uit Den Haag. Laatstgenoemde kende vrouwen een speciale plaats toe in zijn leven. Deze komt naar voren in het boek Het volk met lange rokken (1993) van Elisabeth Keesing. Zij plaatst de vrouwen rondom Huygens in het voetlicht. Het blijkt dat vrouwen voor hem onmisbaar waren om zijn leven waardevoller te maken, ondanks zijn vooroordelen tegenover het vrouwelijk geslacht.


Portret van Huygens met (waarschijnlijk) zijn vrouw Suzanne van Baerle


Huygens had contact met verschillende dichteressen van zijn tijd. Onder hen bevonden zich de gezustersVisscher, Gordon, Bouricius, Van Griethuysen, Bruno en Questiers. ( Met en zonder lauwerkrans 1997, p. 51, 150, 248, 294, 316). Veel dichteressen op hun beurt imiteerden zijn werk, met name zijn hofdichten waren populair. ( Met en zonder lauwerkrans 1997, p. 67). Hoewel hij blijk gaf van waardering voor de prestaties van bovengenoemde dichteressen, was hij ook argwanend: vrouwen konden mannen alleen benaderen als het hun ernst was met de dichtkunst. Vrouwen met gebrek aan ernst zouden die hoogste eer niet kunnen bereiken: ' de vrouwen machtig zijn de meeste mannen te genaken, als 't haar ernst is [...]'. ( Met en zonder lauwerkrans 1997, p. 410). Dat Questiers een lofdicht voor zijn Koren-bloemen (1658) mocht schrijven, getuigt ervan dat hij haar de dichtkunst met voldoende ernst vond beoefenen om gewaardeerd te worden.

Blijkens een brief van Jacob van der Burgh aan Huygens, liet Constantijn zich door hem informeren over de dichteres Questiers die een van de 'vrienden' was 'die zijn poëzie van hun verzen wilden vergezellen'. (Worp 1916, dl.V, p. 296). Van der Burgh presenteerde Questiers als volgt: " La dame ,qui s'est évertuée [haar best doet] de couronner voz oeuvres de ses productions, c'est la grosse dondon ['dikke tante'] d'Amsterdam; elle est fille d'un marchand de plomb, demeurant au Warmoestraet, et se mesle de la peinture, sculpture, et de plusieurs autres gentillesses." (Worp 1916, dl. V, p. 296). In de brief werd behalve Questiers ook Jeremias de Decker genoemd als gegadigde voor een lofdicht in Koren-bloemen. Anderen die hiervoor een lofdicht schreven, waren Cats, Boey, Westerbaen, Heinsius, Vondel en Van der Burgh zelf. ( Koren-bloemen 1658, voorwerk).

In het lofdicht verwerkte Questiers een aantal gebruikelijke topoi: ze toont zich vol bewondering voor zijn dichtkunst, verstand en kennis en ze vraagt hem toestemming om hem te kronen met de lauwerkrans. Tegelijkertijd beseft ze haar eigen onkunnen: " En [is] ons gedicht maer 't swart in u volmaakte kleuren,/ Een nacht waar in uw Dicht gelijck een baacken licht." ( Koren-bloemen 1658, fol. [***3]).

Als dank voor dit lofdicht schreef Huygens een gedicht in Questiers' album amicorum. Dit zal Questiers zeker vervuld hebben van trots. Bovendien was het een eervolle wederdienst, aangezien Questiers zo een schriftelijk bewijs had van zijn vriendschap. Eventueel kon ze dat gebruiken als recommendatie bij andere grote dichters en lokte het anderen aan om ook een gedicht in haar album te schrijven.(Stegeman 1996, p.186). Uit niets blijkt echter dat ze hem als mecenas heeft ingeschakeld.

Uit dit contact met Huygens blijkt dat Questiers wel degelijk iets had aan haar dichtende vrienden . In dit geval aan Johan van der Burgh, die optrad als intermediair en die haar gedichten in die functie aanbeval bij een dichter die haar nog niet of niet goed kende. Gezien de inhoud van de brief lijkt het er namelijk op dat Huygens Van der Burgh heeft gevraagd leden van zijn dichtende vriendenkring uit te nodigen een lofdicht te schrijven voor zijn Koren-bloemen en dat hij zich er daarna pas van vergewiste wie ze waren. (Worp 1916, dl. V, p. 296). Het was dus waarschijnlijk niet Questiers die het initiatief nam.

Hoe het ook gelopen is; voor Questiers was het een eer verbonden te zijn met zijn naam en met de namen van de andere lofdichters. Huygens' belangstelling voor haar getuigt bovendien van erkenning van haar kunsten in brede kring, ook buiten Amsterdam.