Invloedrijke vrienden



Uit het werk van Catharina Questiers komt een hele rij mannen naar voren met wie ze contacten onderhield. Deze mannen, die gedichten aan haar adres schreven of aan wie zij schreef of beide, stonden vrijwel allemaal hoog op de maatschappelijke ladder: ze waren advocaat, dokter, hoogleraar of hadden een hoge overheidsfunctie. Verder waren ze meestal geleerd en 'vrienden in de poŽzie'. Questiers deelde dus in ieder geval twee dingen met hen: een goede maatschappelijke en financiŽle situatie en belangstelling voor de dichtkunst. Onder deze mannen bevonden zich grote dichters als Vondel , Cats, Huygens en Philip van Zesen en vele 'tweederangsdichters'. Zij getuigen van waardering voor haar artistieke gaven.

Van de dichters van het tweede plan waren Franciscus Snellinx, Joan Dullaert, Johannes Cabeljau, Oudaan , Jacob van der Burgh, Hendrik Bruno, Cornelis Boey, Herman Waterloos, Gerrit Verbiest, A. Pels-De Jonge, haar broer David Questiers en Johannus Blasius de belangrijksten, omdat Catharina met hen gedichten uitgewisseld heeft en bovendien met hen voorkomt in contemporaine bundels. Van hen ontpopte vooral de Leidse arts en rechtsgeleerde Johannus Blasius (1639-1672), dichter van minneliederen en toneelwerk, zich tot een groot bewonderaar . Hij prees haar kunsten in een reeks verzen in zijn bundel Mengel-dichten (1661). Verder mogen Thomas Asselijn, bekend om zijn toneelwerken, en Reinier Anslo, een verdienstelijk en vermaard Latijns dichter, niet onvermeld blijven als mededichters in gezamenlijke liedbundels. ( zie voor een toelichting van de personen Van der Aa 1877.)

Onderling hadden deze dichters ook contact met elkaar: zo was Snellinx een intieme vriend van Blasius en Waterloos van Huygens. Bovendien woonde een aantal van hen in dezelfde buurt in Amsterdam. (Minderaa 1964, p. 135, 144 en Van der Aa 1877, dl.20, p.84.) Voorts dichtten enkelen mee in de Knipzang , een literair spel waarin Questiers ook een strofe van voor haar rekening nam. De gedichten die ze over en weer schreven varieerden van lofdichten tot verjaarsdichten tot gedichten in elkaars stamboek, kortom gelegenheidsdichten van allerlei soort. Uit de gezamenlijke publicaties en onderlinge relaties kan opgemaakt worden dat Questiers deel uitmaakte van een informeel literair kringetje, waarvan zij de enige vrouw was die regelmatig in de publicaties voorkwam.

Het lijkt erop dat Questiers met bovengenoemde mannen op gelijke voet verkeerde wat betreft haar literaire capaciteiten. Van de bewondering voor haar persoon en de daaruit voortvloeiende relaties kan ze heel goed gebruik gemaakt hebben om gedichten te publiceren en kennis uit te wisselen. Dat ze elkaar ook persoonlijk ontmoetten, is waarschijnlijk. Tenminste degenen die in Amsterdam woonden, een toen nog niet erg grote stad. In ieder geval kwamen ze elkaars verzamelingen bewonderen, zoals blijkt uit een paar lofdichten hierop. ( Lauwer-stryt 1665, p. 198, 204).