Pieter Nuyts



Pieter Nuyts (? - 1708) was een van de tijdgenoten die in het 'Voorbericht' van de drie delen Tooneel- en Mengelpoezy van Lescailje werd genoemd.

Van Pieter Nuyts is niet veel bekend. Het jaar van zijn geboorte is onbekend en als geboorteplaats worden zowel Breda als Middelburg genoemd. In 1666 was hij secretaris, in 1670 stadhouder en vanaf 1673 'schout der vrijheid Etten, Leur en Sprundel'. Door zijn huwelijk met Petronella Bernaige, dochter van de burgemeester van Breda, komt hij in contact met Pieter Bernagie. Nuyts heeft zich verdienstelijk gemaakt door geschiedkundige arbeid over de streek waar hij woonde en werkte. Daarnaast heeft hij zich in zijn vrije tijd met letterkundig werk beziggehouden. In 1697 verscheen in Amsterdam bij de 'erven Lescailje' De Bredaasche Klio, uitdeelende verscheidene gedichten, waarvoor de stad Breda de drukkosten betaalde. Naast gedichten staan in deze bundel ook geschiedkundige aantekeningen. Daarnaast heeft Nuyts een treurspel geschreven, een gedicht op de vrede van Rijswijk, en een aantal schimpdichten van de Romeinse satirendichter Juvenalis vertaald. Al deze werken zijn bij de 'erven Lescailje' uitgegeven. Ook schreef hij in 1691 puntdigten op de landing van Willem III van Engeland. Voor een van deze gedichten ontving hij een gouden erepenning. (Van der Aa, deel 13, p. 361-362; Molhuysen, deel VII, p. 915-916; Worp, 1883, p. 156).

Contacten met Katharina Lescailje

In Tooneel- en Mengelpoëzy (deel I, p. 89-93) staan twee lofdichten die Lescailje schreef op werk van Nuyts. Het lofdicht op het treurspel Admetus en Alcestis is in de betreffende uitgave opgenomen, gevolgd door een lofdicht van het kunstgenootschap 'Latet quoque utilitas', wat van de hand van Pieter Bernagie moet zijn geweest, en een gedicht van Joan Pluimer. Lescailje schreef ook een lofdicht op de Bredaasche Klio. Deze is ook in die bundel opgenomen. Naast de voor dergelijke gedichten gebruikelijke lofprijzingen over de kwaliteit van de dichter, besteedt Lescailje ook aandacht aan ander werk van Nuyts, waaronder de puntdigten en de gouden erepenning hij ontving:
Hoe trouw komt zy* den Held ontmoeten,
In 't juichend Neêrland weêrgekeerd,
En met triomfgedicht Begroeten,
Dat Hy, erkennende, waardeert!
Word u zyn Beeld in goud geschonken,
Dat kan haar dankbaarheid ontvonken.

* Met Zy wordt hier de dichtkunst bedoeld.

Dit gedicht zou beschouwd kunnen worden als 'reclame' voor dit en ander werk van Nuyts. Uit het lofdicht blijkt dat Lescailje zeer goed op de hoogte is van de inhoud van de puntdigten, die wellicht ook door de 'erven Lescailje' zijn uitgegeven.
Pieter Nuyts besteedde in zijn Bredaasche Klio ook aandacht aan Katharina Lescailje. Hij schreef een Dankdigt, Aan de volgeestige Juffr. Kataryne Lescailje, den Hooggeleerden Heere Pieter Bernaigie, Hoogleraar in de geneeskunde en den Schranderen Heer Johan Pluimer, Vermaarde Dichtoeffenaars tot Amsteldam, en hij schreef Op de gedigten van Juffr. Lescailje en de Heeren Bernaigie en Pluimer, waarmeede haare E. het Treurspel van Admetus hebben gelieven te vereeren. In beide gedichten bedankt hij de drie dichters gezamenlijk voor hun lofdichten. Daarnaast schreef hij een gedicht op een afbeelding van Lescailje:

Op de afbeelding van Juffr. Kataryne Lescailje, Vermaarde en volgeestige Dichteresse tot Amsteldam.
Phoebique, Heliconis, Alumna. (En van Phoebus van de Helicon de Voedsterling.)

Lescailjes Weezen wert hier wel gemaalt na 't Leeven,
Een aan de Waereld tot verwondering getoont;
Maar 't Rymtapyt, door haar Vernuft en Pen geweeven,
Toont best wat vlugger Geest haar schrander Brein bewoont.
Niet vreemd is 't, dat zy wierd begaaft met zulken zeegen;
Zy was een Voedsterling der Muzen alle Negen.
De contacten die Katharina Lescailje met Nuyts onderhield lijken vooral op het zakelijke vlak te liggen. Zij gaf vrij veel werk van hem uit en in de lofdichten besteedde zij vooral aandacht aan zijn andere, door haar uitgegeven, werk. Omdat hij ver van Amsterdam woonde, is het opvallend dat het juist Lescailje was die zijn werk uitgaf. Dit kan wijzen op het 'zakelijke netwerk' dat zij had opgebouwd. Zij gaf veel toneelwerk uit, waaronder ook werk van Pluimer en van Bernagie, die beiden directeur van de Amsterdamse Schouwburg waren. Dat er een verbinding tussen deze vier personen bestond, kan ook geconcludeerd worden uit het feit dat Nuyts zich in lofdichten tot de drie anderen gezamenlijk richt.