Joan Pluimer



Joan Pluimer (Amsterdam?, ? - 1720) was een van de 'geleerde heren' waarmee Katharina Lescailje contact had.

Joan Pluimer is door Vondel in de dichtkunst onderwezen, wat betekent dat zijn geboortejaar ruim voor 1679 (het jaar waarin Vondel overlijdt) moet zijn geweest. Pluimer had contact met verschillende dichters uit zijn tijd, waaronder Joan van Broekhuizen, Petrus Francius, Abraham Bogaert en Pieter Bernagie. In de periode van 1681 tot 1687 was hij een van de drie pachters van de Amsterdamse Schouwburg. De eerste drie jaren waren succesvol en winstgevend. Na deze periode nam de kritiek op de voornamelijk vertoonde Frans-klassieke stukken sterk toe. De pachters werden in spotprenten en hekeldichten aangevallen. In de tweede periode van drie jaar begon men met verlies te werken en de pachters verlengden hun contract niet. Na een korte periode met andere pachters werd de wijze van bestuur van de Schouwburg veranderd en werd Pluimer met enkele anderen als hoofd van de Schouwburg benoemd (1688-1689). Na nieuwe veranderingen in de bestuurswijze, werd Pluimer in 1693 tot aan zijn dood in 1720 een van de twee directeuren van de Schouwburg. De ander was Pieter Bernagie. Pluimer heeft zelf veel toneelstukken geschreven, uit het Frans vertaald of bestaande stukken bewerkt. Ook heeft hij gelegenheidspoŽzie gemaakt en in 1677 samen met Joan van Broekhuizen verzen uitgegeven. (Van der Aa, deel 15, p. 366-367; Molhuysen, deel II, p. 1106-1108; Worp, 1920, p. 142-143).

Contacten met Katharina Lescailje

Behalve contacten met bovengenoemde dichtende tijdgenoten had Pluimer ook contact met Lescailje. Zij heeft een aantal gedichten aan Pluimer geschreven: drie lofdichten op zijn gedichten, een lofdicht op zijn schrijfkunst, een geboortezang op hem en zijn vrouw Maria Hagenaar, nog een gedicht op zijn verjaardag toen hij, waarschijnlijk door zijn literaire vrienden met een lauwerkans gekroond werd, een gedicht als hij een gedenkpenning van koning Willem III ontvangt en een dankdicht voor het op het toneel brengen van haar toneelstuk Nikomedes (Tooneel- en MengelpoŽzy, deel I, p. 81-86, 114, 174-177, 312-313). Deze gedichten bevatten vooral de gebruikelijke lof op de dichter en zijn werk. Wat opvalt is dat Lescailje in een paar gedichten de verschillende genres opsomt die Pluimer beoefent. In een van deze gedichten vergelijkt ze hem met Vondel:
Hoe groot, hoe heerlyk kunt gy 's Vorsten lof trompetten!
In Mengeldicht de wys op Vrede en Oorlog zetten!
In Minne- en Bruiloftstoon elk streeven ver voorby!
De Zangberg staat verbaasd wanneer gy dien laat hooren
Den geest van Vondel en Antonides herbooren,
Op zo volmaakten wys, in uwe PoŽzy.
Enkele van deze gedichten zijn ook in het werk van Pluimer uitgegeven. In Gedichten (twee delen, uitgegeven in 1692 en in 1724) staat naast een lofdicht dat zij op zijn gedichten schreef, ook een vertaling van haar hand van het Latijnse lofdicht van Van Broekhuizen op diezelfde gedichten. In deze bundels zijn ook lofdichten van Francius, Van Broekhuizen en Bernagie opgenomen.
Pluimer schreef ook een aantal gedichten voor/over Lescailje. In het eerste deel van Gedichten is een Grafschrift op mejuffer Katharyne Lescailje opgenomen, een grafschrift dat ook in het werk van Lescailje staat. (deel I, p. 32). In het begin van dit gedicht vergelijkt Pluimer haar met Sappho:
Sta, wandelaar, sta stil; weet gy wel wie hier ligt?
't Is Amstels Saffo, wyt vermaart door neerduitsch dicht,
De schrand're KATHARYN, wier geest omhoog gevloogen,
Juicht in der eeuwigheid met nimmer sluim'rende oogen;
In dit deel van Pluimers bundel staat ook een lang gedicht met de titel Zomer vreugd, Verbeeld door een aangename droom. Dit gedicht is niet alleen aan Katharina Lescailje opgedragen, het laatste deel van het gedicht gaat ook over haar. Het gedicht beschrijft een dichter die in een zonnige, natuurlijke omgeving omringd door beekjes, bomen en vogels in slaap valt en in zijn droom een zwaan hoort zingen. De zwaan zingt onder meer over Lescailje. Naast de gebruikelijke lof geeft Pluimer op zijn beurt ook een beschrijving van enkele genres die Lescailje beoefend; heldenzang, toneel, minnedicht. Het deel over Lescailje begint als volgt:
Gelukkig Amsterdam! gy huisvest myn Katryn,
Die aan uw Kroon verstrekt een held're zonneschijn;
Zij zal, door Heldenlof, en zoete minnedichten,
Opklimmen 't hoog Parnas, en zelf Apol verplichten,
Dat hy eerbiediglyk haar kroone met lauwrier,
En huwe zyn geluid aan haar volmaakte lier.
In een huwelijksdicht voor Pieter Koolaert en de dichteres Elisabeth Hoofman in Gedichten (deel 2) refereert Pluimer aan Lescailje. Tot de literaire kennissenkring van Elisabeth Hoofman behoorden Joan van Broekhuizen, David van Hoogstraten en Katharina Lescailje (Van Strien, 1997, p. 441). Ook Lescailje schreef een gedicht op dit huwelijk. De eerste strofe van Pluimers gedicht begint als volgt:
Onze Amstels zangheldin, Kathryn,
Kan zich van yver niet bedwingen;
Zingt Francius in groots Latyn,
Zy tracht in heerlyk Duits te zingen,
Dat Lescailje zich in haar tijd als dichter een zekere plaats had verworven, blijkt uit de voorrede van deel 2 van Gedichten. Er worden een aantal invloedrijke dichters opgesomd, waaronder Pluimer zelf, Francius, Van Hoogstraten, Van Broekhuizen, Boogaert, en dan volgt:
En wat swyge ik van de beroemde juffr. Kataryne Lescaille die, achter volgens het getuichenisse van den Heer Dr. D. van Hoogstraten, door haare mannelyke PoŽzy veele Mannen beschaamt heeft? Die geestryke Dichteresse gaf meer dan eene preuve van haare hoogachtinge voor zynen verheven geest, en zong zynen roem met onnavolgb're toonen: dus valt zy al vragende uit:

Wie zoude u volgen? wie? en niet in moed bezwyken?
Terwyl gy voortstreeft, en alle and're na laat kyken,
Op eigen wieken dryft, als Agrippynsche Zwaan
De schrijver van de voorrede citeert niet alleen Van Hoogstraten, hij maakt ook gebruik van enkele dichtregels uit een lofdicht dat Lescailje voor Pluimer schreef.

Uit de geciteerde gedichten van Pluimer komt een zekere waardering naar voren voor het dichtwerk van Katharina Lescailje. Zij wordt niet alleen vergeleken met een dichteres als Sappho, zij doet ook niet onder voor mannelijke tijdgenoten, iets dat in andere geschriften eveneens naar voren komt. Net als Pluimer, verdient ze het gekroond te worden met een lauwerkrans. Waarschijnlijk was deze lof niet alleen bedoeld als blijk van literaire waardering. Veel van het werk van Pluimer is door de 'erven Lescailje' uitgegeven. Dat kan erop wijzen dat het 'intensieve' contact dat Pluimer en Lescailje met elkaar hadden ook een 'zakelijke' kant had. Het is eveneens voorstelbaar dat het contact met de 'schouwburgdirecteur' Pluimer voor Lescailje van belang is geweest. Wellicht kon hij zorgen voor opvoering van haar stukken of voor nieuwe opdrachten van te vertalen teksten. Uit het dankdicht Toen zijn E. myn treurspel Nikomedes ten tooneele voerde kan worden opgemaakt dat Pluimer gezorgd heeft voor opvoering van dit stuk.