Wie was Catharina Questiers?




portret van Questiers, gemaakt door Adriaan van Ostade


In de Warmoesstraat 173 te Amsterdam zag Catharina Questiers op 21 november 1630 het levenslicht. Ze was het zesde en jongste kind van Lysbeth Jansdochter en Salomon Davidsz. Questiers. Haar vader had een loodgieterij achter het huis en wijdde zich daarnaast aan de letteren. Hij was lid van de Academie van Coster en publiceerde enkele gedichten en een treurspel, maar werd nooit een hoogvlieger in de dichtkunst. Na de dood van Salomon werd de zaak voortgezet door diens vrouw en later door zijn zoon David.

Catharina was een veelzijdige vrouw: ze was goed onderlegd in verschillende kunstvormen, zoals schilderen, boetseren, koper- en glasgraveren en kunstig knippen. Ook was ze zeer belezen, getuige haar poŽzie en had ze een mooie zangstem. Verder legde ze een rariteitenkabinet aan, dat hoofdzakelijk uit schelpen en munten bestond. Uit lofdichten aan haar adres blijkt dat veel mannen , onder wie een aantal belangrijke en minder belangrijke dichters van haar tijd, haar om al haar kunstzinnige activiteiten bewonderden. Huygens nodigde haar uit om een lofdicht in zijn Koren-bloemen (1658) te schrijven in ruil voor een gedicht van hem in haar album amicorum en haar buurtgenoot Vondel schreef een aantal lofdichten op haar kunsten. Het meeste bewondering oogstte nog wel haar dichtkunst: ze stond bekend als de 'tweede Sappho'. (Everard 1984, p.337)

Op negentienjarige leeftijd debuteerde Catharina als dichteres in Wintersche Avonden van Jacob Viverius met een grafdicht op de dood van Maria Tesselschade die ze erg bewonderde. Tien jaar later verschenen er van haar liederen en gedichten in liedbundels en contemporaine bloemlezingen als De koddige Olipodrigo (1654), De Nieuwe Hofsche Rommelzoo (1655), Klioos Kraam (1657), Het eerste deel van de Amsterdamse Mengel-moez (1658), Bloemkrans van verscheiden gedichten (1659), Hollantsche Parnas (1660) en Clioos cytter (1663). Ook haar broer David publiceerde in enkele van deze bundels, maar met minder succes.

Behalve gedichten, schreef Catharina ook toneel . Ze zette drie toneelstukken, berijmingen van reeds in prozavertaling verschenen werken uit het Spaans, op haar naam: Den geheymen minnaar (1655), Casimier, of gedempte hoogmoet (1656) en D' ondanckbare Fulvius, en getrouwe Octavia (1665). Alle drie werden ze in de Amsterdamse Schouwburg opgevoerd.

Als lijfspreuk bezigde Catharina " Ick min mijn vrijheit". Ze bleef dan ook lang ongehuwd om haar liefde voor de kunsten in praktijk te kunnen blijven brengen, ongebonden door de huwelijkswetten. In de jaren zestig had ze intensief contact met de dichteres Cornelia van der Veer dat zich uitte in gedichten over en weer, waarin ze elkaar de lauwerkrans toewensten. Deze dichtwisseling publiceerden ze in 1665 samen met losse gedichten van en aan beide dames onder de titel Lauwer-stryt tusschen Catharina Questiers en Cornelia van der Veer, Met eenige by-dichten aan, en van haar geschreven .

Deze bundel markeerde een omslag in Catharina's leven, zoals ze zelf in het openingsgedicht Opdraght aan Juno, Bescherm-Goddin van 't Huwelijk al aangeeft: "Mijn VRIJHEIT, eer zo duur van mij bemint,/ Is door de schicht van Venus moogent kint/ Gebroken;". Ze zei haar vrijheid vaarwel voor een huwelijk met Johan de Hoest , een Leidse koopman, op 11 mei 1664. Met hem zette ze het familiebedrijf voort dat ze na Davids dood overgekocht had van diens weduwe. Met haar dichterlijke activiteiten was het vanaf die tijd vrijwel gedaan. Op 7 februari 1669 stierf Catharina. Vondel wijdde aan haar een grafdicht.

Vereeuwigd werd Catharina, behalve door haar gedichten en die van anderen, ook door het hierboven afgebeelde portret van Adriaan van Ostade. Hierop staat zij met een papier in haar hand afgebeeld, staand tussen haar zus Maria en haar echtgenoot Hendrik de Goyer. De schilder plaatste zichzelf op de achtergrond van het schilderij.

(Literatuur: Nieuwenhuis 1987, p. 373-378, Met en zonder Lauwerkrans 1997, p.316-321 en Kam 1968, p. 396.)