Toneelvrienden



Catharina Questiers was, naast haar vriendin en buurtgenote Verwers en Lescailje een van de weinige succesvolle toneeldichtende vrouwen van de zeventiende eeuw. (De Jeu 1996, p. 179,180 en Minderaa 1964, p.133). Al haar drie toneelstukken werden meerdere keren in de Amsterdamse schouwburg opgevoerd. Met haar laatste stuk D' ondanckbare Fulvius, en getrouwe Octavia mocht ze zelfs de vernieuwde schouwburg op 26 mei 1665 openen. (De Jeu 1996, p.179). Zelf schreef zij hierover in de opdracht bij dit toneelstuk: " Mevrouwe, d' Ondanckbare Fulvius zal voor d' allereerste maal ons nieuwe Schouwburgh de prachtige gordijnen doen openschuyven." (Questiers 1665).

De lofdichten aan haar adres die aan haar eerste stuk Den geheymen minnaar (1655) vooraf gaan en de dedicaties van Catharina bij de toneelstukken werpen licht op een onderdeel van haar netwerk : haar contacten in de toneelwereld. Vragen die hierbij rijzen zijn: waarom droeg ze haar stukken juist aan die personen op en waarom hebben juist die dichters een plaats in haar werk gekregen dankzij een lofdicht?

Questiers' toneeldebuut Den geheymen minnaar opent behalve met een opdracht en een ets van haarzelf met vier lofdichten. De eerste is van de hand van de onbekende 'Dij omnia vendunt' die haar met Homerus en Sappho vergelijkt. Vervolgens prijst Dirk Kalbergen, toneelspeler -en dichter, haar debuut aan. (Van der Aa 1877 dl.10, p. 5 en De Jeu 1996, p. 181). Daarna is het woord aan de toneelschrijvende acteur Jan van Dalen. (De Jeu 1996, p.181). Hij spreekt zijn bevreemding, verwondering en waardering uit over een vrouwmens dat zo kan dichten en noemt haar 'wonder van ons Eeuw'. (Questiers 1655, fol. [A3v]). Johannes Koenerding, een rechtsgeleerde die twee toneelwerken schreef en in 1669 regent van de schouwburg werd, sluit de reeks lofdichten. (Van der Aa 1877 dl. 10, p. 290 en De Jeu 1996, p. 181). Hij adviseert de jongelingen om de raad van Questiers op liefdesgebied vooral te volgen, 'omdat zy [...] ons 't rechte minnen leerde', aangezien ze als maagd zelf het beste wist hoe ze behandeld wilde worden. (Questiers 1665, fol. [A4r]).

Opmerkelijk aan dit rijtje is, dat het allemaal mannen zijn en dat in ieder geval drie van de vier mannen bekenden in de toneelwereld waren. Erg verwonderlijk is dit echter niet, want Questiers moest haar naam nog vestigen in de toneelwereld. Verstandig was het dan ook van haar om mannen, die immers meer autoriteit op toneelgebied hadden dan vrouwen en bovendien verstand hadden van toneel blijkens hun activiteiten op dit gebied, lofdichten te laten schrijven op haar stuk. Door deze lofdichten van hen op haar toneelstuk werden lezers, publiek en eventuele uitvoerders van het stuk alvast gunstig beÔnvloed.

Questiers gebruikte deze mannen dus min of meer als beschermheren en waarborgers voor de kwaliteit van haar toneelstuk. Het is moeilijk te zeggen of deze heren dit zagen als een vriendendienst of meer als een vorm van patronage , waardoor Catharina zich aan hen verplichtte. Waarschijnlijk dit laatste, want niets in Questiers' verdere werk wijst op diepere vriendschapsbanden : ze komen alleen hier voor, al zegt dat niet alles.

Overigens schreef Hendrik Bruno aan Questiers een smeekbede na het zien van Den geheymen minnaar om hem een exemplaar van dit werk te sturen; dat had ze immers beloofd. Deze dichter had dus belangstelling voor haar toneelstuk, al wilde hij het niet kopen. ( Lauwer-stryt 1665, p.147-148 en De Jeu 1996, p.182).

Bij ieder toneelstuk heeft Questiers een dedicatie geschreven. Stegeman (1996, p. 187-190). wees er al op dat die erg belangrijk was: hoe hoger het kaliber, hoe belangrijker het stuk. Men vroeg doorgaans toestemming voor de opdracht en verwachtte er iets voor terug. Den geheymen minnaar (1655) droeg Questiers op aan Christina, de afgetreden koningin van Zweden, Casimier of gedempte hoogmoet (1656) aan Anna van Hooren, echtgenote van heer en burgemeester Cornelis van Vlooswyck en D' ondanckbare Fulvius, en getrouwe Octavia (1665) werd opgedragen aan Catharina Opcy, echtgenote van Dr. Cornelis Witsen, oud-burgemeester en raad van Amsterdam.

Opvallend is dat dit allemaal vrouwen zijn en qua status zeker niet de minste. Zelf zegt Questiers hierover dat haar genegenheid tot de eigen sexe de weg opent voor haar om het stuk aan Van Hooren aan te bieden: " De genegenheyt tot mijne sex, derft my zoo veel spoors openen, dat ick zonder eerbiedigh verloff al voorens te verzoecken, Uet. deze ruwe en ongheslepe Vaarzen, derf koomen op-off'ren". (Questiers 1656, opdracht). Verder zorgt Van Hoorens status voor opwaardering van haar verzen: "zoo kom ick mijne om ne-velde Vaarzen, blaackeren in de straalen van Uet. helle en doorlughte Zon.". (Questiers 1656, opdracht). Blijkbaar stonden de opgedragenen evenals de lofdichters garant voor de kwaliteit van het stuk en fungeerden ze als beschermvrouwen. Des te hoger hun status, des te meer profijt had Questiers ervan.

Voorts blijkt dat Catharina zich ervan bewust was dat ze zich door haar dedicatie verplichtte aan de dames. Weliswaar vereeuwigde zij de opgedragenen, maar in ruil daarvoor ontving zij dan ook bescherming en een waarborg voor de kwaliteit van haar stuk. Hiervoor werd weer iets terug verwacht. Zo beloofde ze Van Hooren: " zoo zal ick voortaan betoonen, wat werck ick maacken zal, om de naam te mooge bekleede Van me-vrouwe U.E. Ootmoedige Dienaresse Catharina Questiers." (Questiers1656, opdracht) en aan Opcy: " waar door Uw Wel-Eedt. tot eeuwige danckbaarheyt zult verplichten, Mevrouwe, Uw Wel-Eedts. ootmoedige dienaresse, Catharina Questiers." (Questiers 1665, opdracht). De opdracht was dus niet alleen een dienst van Questiers, die de beschermvrouwen vereeuwigde, maar ook van de opgedragenen, die van Catharina weer een wederdienst vereiste.

In dit licht is de opdracht aan koningin Christina interessant. Van haar is bekend dat ze een mecenas was voor verschillende kunstenaars. ( Grote Winkler Prins, dl.5, p. 424-425). Verwachtte Catharina (financiŽle) steun van haar? Een reactie van Christina is niet bekend. In ieder geval gaven haar naam en haar status, zowel maatschappelijk als in de kunstwereld, cachet aan Questiers' toneeldebuut. Questiers' bewonderaar Bruno achtte haar zeker een gunsteling van Christina waardig. ( Lauwer-stryt 1665, p.147).

Dank was Questiers behalve aan haar lofdichters en opgedragenen ook verschuldigd aan haar hooggeŽerd publiek. Ze schreef de magistraat van Amsterdam immers een gedicht als dank voor het bijwonen van Casimier of gedempte hoogmoet . ( Lauwer-stryt 1665, p.245-246). Het was voor haar blijkbaar niet vanzelfsprekend en een grote eer dat zo'n belangrijk persoon haar toneelstuk bijwoonde en haar op deze manier erkenning gaf.