SONNET

Faam

Lofloffelijcke maeght waar van ik derve roemen
Dat Sy een fenix is, mits dat haer Poesle leen
Soo heerlyck zyn begaeft met veel uyt muntend heen
Door haere Poezy. zy beelt de geurge bloemen.
Als of s'in Floraas hof daar Sephiers soete winden
Geteelt waren door d'aerdt en 't geen dat zy Boetseert
Vertoont zigh of het leeft. kom Amstels Nimpjes eert
Questiers, soo riep de faam wat sullen wy best vinden
Om dees haer komste dagh te off'ren tot haer loon
Gespeelen ziet ay ziet gins daalen al de Goon
Het schynt zy koomen af om Catharien te groeten
Met over hel geluydt Apollo, slaet de maet
Zy zijn Hemels, gesiert in doorluchtich gewaet
Laet ons flux derwartz treen om de Goon t'ontmoeten.

Catharina Verwers
(Bron: Het eerste deel van de Amsterdamse mengel-moez. Bestaende uit veelderhande bootzigh, en geestigh rijm-tuigh, als kusjens, minne-deunen, verjaar-zangen, drink-lieden, klink-rijmen, en tusschen de zelve verzien met rondeeltjens, en andere snaakerijtjens, noit meer in 't licht geweest. Amsterdam 1658, p. 171).
Flora: godin van de bloemen en de lente.
Zephyrus: god van de westenwind die Flora schaakte en haar de heerschappij over de bloemen schonk.
(Deze gegevens zijn ontleend aan: Van Achilleus tot Zeus. Amsterdam, 1997.)