Vrouwenliefde



Hoewel een aantal gedichten van Katharina Lescailje de mogelijkheid openlaten voor een vrouwenliefde, vraagt Lia van Gemert zich in Met en zonder lauwerkrans (p.398) af of zeventiende-eeuwers homoseksuele gevoelens van vrouwen wel konden identificeren. De verwoording van hechte vrouwenvriendschappen was vaak erotisch gekleurd. Vriendschapsgedichten zijn dan moeilijk van liefdesgedichten te onderscheiden. Myriam Everard bespreekt in haar boek Ziel en zinnen (p. 30) het fenomeen 'romantic friendship'. Deze vriendschap was met haar hartstochtelijke liefdesverklaringen, verlangen naar een ononerbroken en altijddurend samenzijn, zielsverbondenheid en eeuwige trouw in alle opzichten (bahalve het genitale) gelijk aan een liefdesverhouding. Het lijkt dus moeilijk om een onderscheid te maken. Toch impliceert een toevallig gevonden citaat van Bidloo over de 'tegen natuurlyke geylheyd' van de Griekse dichteres Sappho een relatie tussen vrouwen die zich tot in het fysieke uitstrekt.
Catharina Questiers (1637-1669) stond bekend als de 'tweede Sappho', Katharina Lescailje was de 'Amstedamse' en Betje Wolff (1738-1804) de 'Beemster Sappho'. De vergelijking met de legendarische Griekse dichteres heeft hierbij steeds een positieve connotatie. De dichtkunst van de betreffende dame werd zo met enthousiasme geprezen.

Uit twee opvallende citaten die ik heb gevonden, blijkt dat men in de zeventiende eeuw toch ook op de hoogte geweest moet zijn van de mythe rond het leven van de Griekse dichteres Sappho. Vooral haar verhouding met meisjes, blijkt zeer tot de verbeelding te hebben gesproken.

Zo publiceerde de Franse arts Nicolas Venette (1633-1698) in 1685 het Venus minsieke gasthuis; een voorlichtingsboek op het gebied van huwelijk en seksualiteit. Daarin zegt hij over de lesbische liefde:
Men heeft'er andere gesien, die vreesende de moeielyke gevolgen van liefde, hare
wellusten namen met de Dochteren, als of die Mannen geweest hadden [...] en dat
Sappho van Lesbos menigte Dienstmaegden by haer had tot diergelijkke bedryvens.

(Venette, p. 75)
Lambert Bidloo verwijst in zijn PanpoŰticon Batavum ˇˇk naar Sappho's vermeende seksuele losbandigheid als hij spreekt over:
'een uytnemende PoŰtres [...] De vaarssen die men van haar vind, zyn veel
uytmuntend schoon van styl, maer zommige zulk een vuyle goot van tegen
natuurlyke geylheyd, dat het beter is die te swygen, als de namen te bestraffen...'

(Bidloo, p. 267).
De 'tegen natuurlyke geylheyd' waar Bidloo over spreekt, verwijst hier toch wel naar een (vermeende) lesbische geaardheid. Dat homosexualiteit in de zeventiende eeuw veroordeeld en afgekeurd werd, moge duidelijk zijn.