Bloemlezing



Inhoud



  • Sweerts, Offer aan juffrou Goudina van Weert
  • Livius, Op het geestigh conterfeitsel....(Maria van Belle)
  • Verwers, Sonnet (Faam)
  • Dubbels, Spaans Heydinnetje
  • Vondel, Op d'afbeeldinghe van de jonghvrouw Catharina Questiers
  • Vondel, Op de kunstige tekeningen en bootseersels.... (Questiers)
  • Oudaan, Aen mejuffrouw Catharina Questiers.....
  • Questiers, Aen juffr. Cornelia van der Veer
  • Constanter, In het stamboeck van de wonderlijcke Juffr. Catharina Questiers
  • Bruno, Inmaninge van de beloofde geheyme minnaar... (Questiers)
  • Questiers, Danckoffer aan den E.E. achtb're magistraat van Amsteldam.....
  • Questiers, Aan J.D.H. doen hy syn robijn...
  • Lescailje, (zonder titel) (Carjoncle)
  • Lescailje, (zonder titel) (Carjoncle)
  • Lescailje, Verlooren en wedergevonden vriendschap
  • Lescailje, Klachten aan mijn afweezende feizant
  • Van der Veer, Aan juffr. Catharina Questiers, over de naam van zuster
  • Questiers, Aan juffr. Cornelia van der Veer, in haar stam-boek
  • Van der Veer, Bijdichten aan den geestrijken sr. Justus Hoflandt....
  • Hoflandt, Bijdichten aen de geestrijke Amstel-nimph juffr. Cornelia van der Veer
  • Hoflandt, Bij-dichten, tegen-sang over het selve dootshooft.... (Van der Veer)
  • Van der Veer, Bij-dichten, wederantwoord aan de zoet-vloeyende... (Hoflandt)
  • De Graef, Bijdichten aen me-juffr. Cornelia van der Veer



    OFFER

    Aan Juffrou

    GOUDINA van WEERT.


    GOUDINA die een myter draagt,
    Van goude stralen om uw haaren,
    Wiens drempel niemant past te naren,
    Als met een gift die u behaagt:

    Vergunme dat ik voor 't schabel,
    Van uwe voet mach buygend' nad'ren,
    En offren dees weynig bladren,
    Gevult met verssen, slecht van stel.

    Endien gy, als Arons zoon,
    Dit offer alte nau woud keuren,
    Gy zoud zo veel gebrek bespeuren,
    Dat ongenade was myn loon:

    Terwyl papier, perzoon en dicht,
    Onweerdig zyn dat eens de stralen,
    Van uwe oogen op hun dalen,
    Of wandlen over 't werelts licht.

    Die bid ik, keur niet al te juist.
    Een wereltling ziet op de giften;
    Maar hemelingen op de driften,
    Die in het herte zyn gehuyst.

    Twe duyfjens die de * Moedermaagt,
    Van herten Gode bracht ten offer,
    Twe weduwpeningskens in 't koffer,
    Die hebben hem het best behaagt.

    Wel dan, GOUDIEN, ziet ook op 't hert,
    Dat zich dus van beloft' komt quyten,
    En dat syn levensloop wil slyten,
    In 't geen van u geboden wert

    * Maria

    (Bron: Hieronymus Sweerts, Alle de gedigten. Amsterdam, 1696, p. 217-218).
    terug

    Op het geestigh conterfeitsel van Juffer me Juffer Maria van Belle: geschildert door Livius.

    Beroemde Lievens wijk, want schoon gij naar het leven,
    Kont treffen als Apel, door uw vernuftig zweven;
    Zo zult gij deze praal, die als een middagzon
    Komt schitteren voor het volk op Amstels Helicon,
    Haar deugd, niet schilderen af; de kostelijkste verven,
    Die moeten voor dit licht bezwijken, en versterven.
    En schoon gij t wezen treft, haar over-gouden lof
    En innerlijk vernuft zoudt gij met beter stof
    Als rijmen, dan met verf, dit hemels beeld doen pralen,
    Wanneer gij geesten-schoont, naar t leven af zult malen.

    (Bron: Met en zonder lauwerkrans. Amsterdam, 1997, p. 247).
    terug

    SONNET

    Faam

    Lofloffelijcke maeght waar van ik derve roemen
    Dat Sy een fenix is, mits dat haer Poesle leen
    Soo heerlyck zyn begaeft met veel uyt muntend heen
    Door haere Poezy. zy beelt de geurge bloemen.
    Als of s'in Floraas hof daar Sephiers soete winden
    Geteelt waren door d'aerdt en 't geen dat zy Boetseert
    Vertoont zigh of het leeft. kom Amstels Nimpjes eert
    Questiers, soo riep de faam wat sullen wy best vinden
    Om dees haer komste dagh te off'ren tot haer loon
    Gespeelen ziet ay ziet gins daalen al de Goon
    Het schynt zy koomen af om Catharien te groeten
    Met over hel geluydt Apollo, slaet de maet
    Zy zijn Hemels, gesiert in doorluchtich gewaet
    Laet ons flux derwartz treen om de Goon t'ontmoeten.

    Catharina Verwers

    (Bron: Het eerste deel van de Amsterdamse mengel-moez. Bestaende uit veelderhande bootzigh, en geestigh rijm-tuigh, als kusjens, minne-deunen, verjaar-zangen, drink-lieden, klink-rijmen, en tusschen de zelve verzien met rondeeltjens, en andere snaakerijtjens, noit meer in 't licht geweest. Amsterdam 1658, p. 171).
    terug

    Op het

    Spaans Heydinnetje

    Van

    JUF. KATARINA VERWERS D.

    Aan de Weteloose Weters

    Verstandeloos ghespuys! Wiens ongesouten oordeel, (vol aygewaan gepropt:) uyt dwaase lippen spoelt, Dat in het Vrouwelijk noch geest, noch weet lucht stoelt: Uw'waansucht steunt vergheefs, op kraft van aygen voordeel.

    Siet hier een bondigh werk! Niet met den groven hamer Van Mulciber ghesmeedt: maar door een Vrouwenhandt Gekant, geront, geplet op 't ambeelt van 't verstandt, Begonnen en voltooyt in Verwers harssen-kamer.

    Alwaar Tritonia met lieflijk gorgel-donderen, (Terwijl men in een vloet van Hipokreenen swemt;) Dees Meer als aartse tocht uyt kraale klipjes stremt. Vaar voort; eel-aarde geest! Doorsnuffel Paens wonderen Dat schoon uw' poesel rif door Atrops zeyssen sneef. Uw eyndeloose roem op eeuwighe wiekken sweef.

    Pieter Dubbels


    (Bron: Dusart, C. van, Spaensche heydin. Amsterdam 1644).
    terug

    Op
    d'AFBEELDINGE
    Van de Jonghvrouw
    CATHARINA QUESTIERS

    Zoo maalde een Schilders hant de schoone KATHARYN,
    Doch 't leven overtreft zoo ver den schilderschijn,
    Als een gemaalde Roos met hare doove kleuren
    Een Roos in 't leven wijckt, wiens levendige geuren
    Het hart verquicken, op den oever van de doodt.
    Apollo noemde dees de tiende kunst-genoot,
    Een waerde Zuster van de nege Kunst-godinnen.
    Hy wenschte uyt minne-gloet haer edel hart te winnen:
    Maer zy te vrede met der sterfelijken lot,
    Ontzey de min van dien onsterfelijken Godt:
    En had hy haer bestaen te schaecken teghens d' orden;
    QUESTIERS waer gheen Laurier maer eene Roos geworden.

    J. v. Vondel

    t' Amsterdam 1661. den 20.
    in Hooimaent.

    terug

    Op de kunstige
    Tekeningen en Bootseersels
    van Jonghvrouwe
    SAFFO QUESTIERS.

    Tweede Saffo in uw Dichten,
    Hoe bestiert Natuur uw' geest,
    Als ghy levende op haer leest
    Ons saizoenen door 't verlichten,
    Knoppen, bloemen, airen, ooft,
    Ys, en kegels, ziel en leven
    Op uw bladen weet te geven,
    Ja een' out bloemist berooft
    Van zijn sinnen, van zijn oogen,
    Die van geen bedrogh bewust,
    Waent den levenden August
    Aen te zien, en staet bedrogen.
    Maer ick stel dit wonder werck,
    Sonder schimp, by d'andre zeven,
    Dat een Maeght is Maeght gebleven,
    Buiten opspraeck van de Kerck,
    Schoonse een Kindt bootseerde en teelde,
    't Welck natuurlijck leeft, en bloost,
    In wiens aanschijn 't eigen kroost
    Van de suivre Moeder speelde.
    Zoeckt Natuur by Kunst wat viers,
    Datze licht hael by Questiers.

    J. v. Vondel


    (Bron: Lauwer-stryt 1665, p. 36, 78).

    Zie ook: Twee gedichten van Vondel aan Questiers.
    terug

    Aan Me-Iuffr. CATHARINA QUESTIERS. Met een Boeck genaemt, De Roomsche Mogentheyt.

    Letterlust, en hoog gedacht,
    Rijck bezit van schat en gaven,
    Om de stand voor by te draven
    Van het vrouwelijck geslacht,
    Zijn my in uw' gunst gebleken,
    O doorluchte KATHARIJN;
    Dies is 't billijck, dat de mijn',
    Tot erkentenis en teken
    Van mijn plicht, bekent mach staan;
    Wen gy dit, van kleener waarde,
    Op die wijs belieft t' aanvaarden
    Als 't u toekoomt van
    OUDAAN.


    Zie ook: Oudaan aan Questiers.
    terug

    Aan Juffr.
    CORNELIA van der VEER
    Op haar
    KOUSEBAND
    Die zy op mijn Kaamer had laaten leggen:

    Wou my de hulp-Goddin van 't groot gyptenlant
    Zoo gunstigh zijn, als zy wel eertijds Iphis deede.
    Ik liet, spijt Engelland, een Waapen voor my smeeden,
    En wiert een Ridder van dees nieuwe Kousebant.

    Catharina Questiers.


    (Bron: Lauwer-stryt 1665, p.66)

    Zie ook: Oudaan aan Questiers
    terug

    .
    In het Stamboeck,
    Van de wonderlijcke Juffr.
    CATHARINA QUESTIERS.

    Daer 't soo vol Roosen staet, en was ick niet te noemen;
    En daerom spaer ick hier
    Uw kostelijck Papier.
    Wie dat daer teghen spreeckt, ghy mooght het niet verdoemen:
    Gedenckt u niet QUESTIER ?
    Mijn land en werpt niet op als ydel, Korenbloemen.
    Hoe schickte sulcken Stof,
    Dat buyten onkruyt heet, in 't binnenst van den Hof?

    Constanter.


    (Bron: Lauwer-stryt 1665, p. 67).

    Zie ook: Huygens aan Questiers
    terug

    .
    Inmaninge van de beloofde.
    GEHEYME MINNAAR
    Van Juffr.
    CATHARINA QUESTIERS.

    O waerde zogelingh der negen Zangh-Goddinnen,
    Selfs tiende Zangh-Goddin, die my van mijn' vijf zinnen
    Ter naesten by vervoert, door diepe zinlickheyt,
    Die in my op uw' diep GEHEYME MINNAAR leyt;
    Maeght, die in uw' bloem, in uwe Lente-jaren,
    Een schoon papiere-kint quamt uyt u hooft te baren.
    Amstel-Pallas, waert om gunstelingh te zijn
    Van Sweedtsche Pallas, noyt waerdeerlicke Christijn,
    Ick hebb' u werck gesien, gelesen, en gepresen;
    Maar hebb' het niet gekocht: hoe soo? dat mocht niet wesen,
    Ick had 't verlooft te doen: dewijl uw' heusche mondt
    Door een belofte van 't te senden zich verbondt.
    Al heeft de vrecke droes mijn herte noyt beseten,
    Veel liever had ick noch u werck u dank te weten,
    Dan mijn' gekruyste munt, om dat soo lieven handt
    Hier gunst door senden soud', en dit tot onderpandt.
    Ick ongeveynsde dan, ik openbare minnaar
    Van uw' GEVEYNSD' en u heb Catharijn, mijn zin daer
    Voor seeker op gestelt, dat ghy 't niet weyg'ren zult;
    Ghy hebt het my belooft, beloftenis maeckt schult.
    Uw' heuscheyt kon my tot een stoute bed' laer maecken.
    Eer ghy u selven maent, sal ick geen manen staecken.
    En schoon ghy door u woort my dit niet schuldigh waert:
    Apolloos Priester waer een Priesteres dit waert.
    Waer 't vremt, dat ghy my van uw' herssenkroost geriefde?
    Ick eyscht uyt Broeder-recht; geeft ghy't uyt Suster-liefde.

    Hendrick Bruno

    (Bron: Lauwer-stryt 1665, p. 147-148).

    Zie ook: Smeekbede om een toneelstuk
    terug

    .
    DANK-OFFER
    Aen den
    E.E.Achtb're Magistraat van Amsteldam.
    Na 't spelen van
    CASIMIER,
    of
    Gedempte Hooghmoedt.
    In den Schouwburgh.

    Met wat voor slach van groote dankbaarheden,
    Zal best ons Pen verschaffen zulke reden,
    O Opperhoofden van het hooft der Steden!
    Die na waardy
    Van u Groot achtbaarhen te pas nu komen?
    Wijl ge u ontslaat van Roer en Goude-toomen,
    Waar me ghy stiert des wijde werelds stroomen,
    Alhier aan 't Y.
    Die 't Burgerlijk bestier om ons wilt staken;
    Neen: die slechs adem haalt, om te vermaken
    In Maatgezangh, die Letterlin niet smaken;
    Zoo is ons Dicht.
    Regeerders van het achtste werelds wonder,
    Hoe blinkt u kennis uit, in elk byzonder!
    Gy ziet van 't hoogste hoogh, na 't laaghste onder;
    Dies stelt de plicht,
    Ons schreumend' maaghden hart, vol danken, ope,
    Omheint met zorgh, gestijft door duizent hope.
    Ik offer dank, Vree-Vaders van Europe,
    Door slecht gedicht.

    Catharina Questiers.



    (Bron: Lauwer-stryt 1665, p. 245-246).

    Zie ook: Een gedicht als bedankje
    terug

    .
    Aan J. D. H.

    Doen hy sijn Robijn voor mijn Diamant-Ringh wilde ruylen.

    Gy wenscht mijn Diamant met u Robijn te ruylen.
    Wat hebt gy hier mee voor? Is 't insicht van gewin?
    O neen, 'k geloof dat niet; hier speelt wat anders in.
    Een schrand're minne-trek gaat sich hier onder schuylen.
    Gy soekt door dese list te rechten Eere-zuylen,
    En 't schitterige vyer van 't bloosende Robijn
    Aan my te schenken, om my onder dese schijn
    De herde Diamant en 't killig Ys t' ontschuylen.
    Neen; 't Ys dat past my best, al valt het meenigh suur;
    U borst, gelijk Robijn, een blaakend minnevuur.
    Een Minnaar moet geen smert noch ongemacken vreesen.
    Als een Salamander moet hij onverteerbaar zijn,
    En met stantvastigheyd verdraagen wrede pijn.
    Soo dwinght hy 't harde hert hem end' lijk te geneesen.



    (Bron: Lauwer-stryt Amsterdam 1665, p. 54-55.)

    Zie ook: 'Aan J.D.H.'
    terug

    .
    Fiere SARA, schoone Bruid,
    Heeft de liefde uw hart gebuit?
    Zult gy 't maagdelyke leeven
    Voor den naam van Vrouw nu geeven,
    Om een Man uw gunst te bin?
    Is het mooglyk, kan 't geschin?
    En uw afkeer dus verkeeren?
    Kon de Min u zo verheeren?
    Acht gy dan uw Vryheid niet?
    Vryheid, vryr van verdriet
    Dan het Huwlyk, daar 't verbinden
    Vaak doet moeite en zorgen vinden?

    (Bron: Katharina Lescailje, deel II, p. 16)

    Zie ook:Sara de Canjoncle
    terug

    .
    Te ongeruster,
    Om dat gy,
    Zo naby,
    My uw wezen,
    Waard gepreezen,
    Myn gezicht,
    Met het licht
    Van uw oogen,
    Onmedoogen,
    Dus onthoud.
    Ach! verkoud
    Al uw liefde,
    Die my griefde
    Met een wond
    Op n stond?
    Ik kom klaagen,
    Om te vraagen
    Of 't u lust,
    Om myn rust,
    Hier te komen,
    Om te schroomen
    Met de smart
    Van myn hart
    weg te jaagen.
    Wilt niet traagen:
    'k Zit alleen
    Hier en steen.

    (Bron: Katharina Lescailje, deel I, p. 353)

    Zie ook: Sara de Canjoncle.

    terug

    Verlooren en wedergevonden vriendschap

    Wanneer de vriendschap op het aardryk scheen verlooren,
    Zocht myn verliefde geest haar op van stad, tot stad,
    En vloog door land en zee; maar nergens was die schat
    Aan bergen, bosch, of beek: dies scheen haar val beschooren.

    't Gerucht van haaren dood drong zelfs al in myn ooren,
    Wyl sno geveinsdheid reeds op haaren zetel zat.
    Toen viel myn droevig hart, van zoeken afgemat,
    In wanhoopsduisterheid: want niets kon my bekooren.

    Doch eindelyk verscheen aan my dat Godlyk licht,
    In Sara, die de deugd en trouw in 't aangezicht,
    En waare vriendschap heeft in 't oog en hart geslooten.

    Dus licht zy als de Zon in d'opgang van haar Jeugd,
    En smelt en mengt myn ziel, als zy ze ontfonkt in vreugd:
    Dus bloeit ze met de haare in nieuwe vriendschaps looten.


    (Bron: Katharina Lescailje, deel I, p. 352)

    Zie ook: Sara de Canjoncle
    terug

    .
    Klachten aan myn afweezende FEIZANT.

    Hoe ongelukkig zyn de tyden !
    Helaas! ach, ach! Wat moet de deugd
    Al smaad en onderdrukking lyden;
    Terwyl de snoodheid zich verheugt
    Als zy de eenvoudigheid mag plaagen,
    De list met onrecht zaamenspant,
    En geeft aan yder stof tot klaagen!
    O myn doorluchtige Feizant,
    Alleen tot myn vermaak geschaapen,
    Zo schoon, zo heerelyk, en net,
    Daar ik zou kunst en vreugd uit raapen !
    Waar heeft men u dus vastgezet,
    Dat gy niet wer tot my kunt koomen?
    Ik wachtte u lang: maar 't was om niet.
    Dies moet myn hart met reden schroomen,
    En zuchten, ach! om uw verdriet,
    Terwijl men u houd streng gekluisterd,
    En van uw waardigste sieraad
    misschien tierannig heeft ontluistert.
    My dunkt ik zie u reeds versmaad,
    En hoe gy 't licht slechts moogt aanschouwen
    Op dat ge als voet- en handveeg dient.
    Wat mogt ik u dus licht betrouwen
    Aan zulk een ongetrouwen Vriend,
    Die my beloofde u waardig te eeren,
    En wer te stellen in myn hand!
    Maar hy belet u zelfs het keeren,
    O myn doorluchtige Feizant!
    . Och! moest gy zyn zo schoon gebooren,
    Door de eed'le kunst van myn Vriendin,
    Op dat gy zoud het oog bekooren
    Van hem die, nu verkeerd van zin,
    U zo ondankbaar houd gevangen?
    Doch schoon gy zyt in zulk een stand,
    Ik wacht uw komst noch met verlangen,
    O myn doorluchtige Feizant!
    Zoek uwe vryheid wer te vinden.
    Vlieg van zyn tafel, huis en oog,
    Of uit de handen van zyn vrinden.
    Bedrieg hem die u eerst bedroog.
    't Geschied slechts om uw hals te vryn
    . Van 't onverdragelyke juk
    Van snoode en lange dwinglandyn.
    Doch dorst hy, tot myn ongeluk
    Uw zuiv're vleugelen verkrachten,
    Zo bid hem staag, waar hy zich wend
    (Hy moet door schaamt' zyn pligt betrachten)
    Dat hy u vaardig tot my zend,
    Daar gy in volle vreugd zult leeven,
    Daar alle u ellef Broeders zyn,
    Die, uit een zuiv're zucht gedreeven,
    Uw afzyn strekt tot wreede pyn:
    Want gy zyt veugels van n veeren.
    Doch neem, zo hem u be verstoort,
    Geduld, en laat hem triomfeeren
    Met iets dat hem niet toebehoort,
    En zonder luisteris gewonnen:
    Blyf edelmoedig in zyn band
    En denk, zo zy uw troost begonnen)
    O myn doorluchtige Feizant!
    Dat hy u heeft met list gekreegen.
    'k Verwin de schade, en hou den zegen.


    (Bron: Toneel en Mengelpozy, deel I, p. 287-290).
    terug

    Aan juffr. Catharina Questiers. Over de naam van Zuster.

    Gy schrand're maagt die my verwaardich De naam van Suster op 't papier, Verplicht my tot deez letter swier, Al praalt mijn VEER niet, o Questier Gelijk als d'uw; die vluch en te aardich De letters slingert los op 't wit, Vol mergh, vol oordeel, en vol pit, Het zy in proos of maatzang aardich; Questiers wat komt gy, my te noemen Uw zuster? Neen o neen, die eer En past noch niet aan van der Veer. Deyst achterwaarts en neemt u keer, 't Is my genoefh als ik mach roemen Te zijn uw minsten dienares: Uw zusters zijn de die en zes, Die geurig' Heliconse bloemen.'


    (Bron: Lauerstryt, p. 139)

    . Zie ook: Van der Veer en Questiers.
    terug

    'Aan Juffr. Cornelia van der Veer, in haer Stam-boek.

    Gy eyscht mijn oordeel in de Kunst van Pozy.
    Ik wenschte, dat mijn Geest naar eysch die kost ontvouwen.
    U gulle vrientschap perst my die in waard' te houwen.
    Het oordeel staat aan elck, 't zy plomp of schrander, vry.
    My dunckt, sy is in 't eerst gelijk de beere jongen,
    Voor die noch weynich in die kunst gheoeffent sijn:
    Zy keuren 't blinckend glas voor Diamanten schijn,
    En maaken zin en maat te plomp en hart ghedwongen.
    Maar door het licken van de beesige Beerin
    Herformt zy eyndelijk de lompe Ledemaaten.
    De Bie draagt weinig Was, noch maakt hy Honigh-raaten.
    Het naarstichoordeel maackt het rijm vol geest en zin.
    'Moet zijn geklopt, gevijlt, gesuyvert, en gesleepen,
    't Polijstrat moet aan 't werck met scharpe Amaril,
    En Pallas Oly vet besmeert; zoo wert de wil
    Gedreeven, als het rat, door lust en yver zweepen.
    Dees roembr'e weetenschap wort van ons bey bemint.
    Dees yver noopt ons breynmet prickelende spooren.
    Dees kunst komt onse borst met minne-vuer bekooren,
    En maakt, dat ons de bant van vriendtschap vaster bint.
    Kom streef met my vol moet naar Pindus hooge toppen,
    Al viel Bellerophon zoo plotselingh ter aart
    Van zijn gevleugelt Ros, weest daarom niet vervaart,
    Sijn lust tot wijsheydt kon de bitze monden stoppen.
    Misluckt ons ook die reys, wy sijn 't dan niet alleen:
    Veel mackers in verdriet maakt minderingh van smerte,
    Hy heeft genoegh gedaan, die toonde metter herte,
    Dat hem zijn lust en geest dreef booven het gemeen.'
    Catharina Questiers.
    (Bron: Lauerstryt , p. 27-29).

    Zie ook: Van der Veer en Questiers.
    terug

    By-dichten.


    Aan den Geestrijken SR.

    JUSTUS HOFLANDT

    Als zijn E.
    my een Dootshooft (dat
    op zijn Boek-kamer lagh) in
    handen gaf.

    Ik schrikke! Wijl dit hooft van vel, en vlees,
    berooft is,
    En schouw de nietigheydt van 't menselijk
    geslagt;
    Dogh hoe ik 't meer bezie, hoe min 'k zie van
    wie 't hooft is,
    Zoo makt de Graf-spelonk elk even hoogh ge-
    agt,
    't Ken van een Burger-heer, 't ken van een Bur-
    ger wezen,
    Of een Maro, en Homeer stack na de
    Kroon,
    Of Kleopatra, van een eedelmoedigh wezen,
    Of een verwaande Sot, of Laasrus die gewoon
    Was aan de deur des Poorts om zijn behoef te
    beedlen;
    Of een Nero in zijn wreedtheydt was ge-
    lijk,
    Of wufte Speel-man, die wel lustigh op kon
    veedlen,
    Wie zal ons hier van doch vertoonen waar-
    heyts blijk?
    Terwijl 'er niemant is, noch Arts, noch werelt-
    wijzen,
    Noch dat gy 't zelfs niet kent, zoo zie ik
    brave geest
    Dat gy hier door u zelfs leerdt kennen en af-
    grijzen,
    En met d'Egyptenaars in zulk een Spiegel
    leest,
    Als gy met Boeke-spijs uw leerzugt komt te
    spijzen,
    Opdat de waanzugt die het Menschdom ey-
    gen is
    U niet verruikt, maar voor dien Spieghel wegh
    moet deyzen,
    Geen klaarder Spiegel als die aanwijst wat
    men is.
    Ik tragt VEERder,
    Cornelia van der Veer.

    (Bron: Lauer-stryt, p. 175-176).

    Zie ook: Van der Veer en Hoflandt.
    terug

    By-dichten.
    Aen de
    Geestrijke Amstel-Nimph.
    Juffr.
    CORNELIA van der VEER.
    Op haer Letterkroon, gevlochten om
    Boek-kamer in handen gaf, ghe-
    volgt den trant van haar E.
    eygen sluytwoorden

    Ghy toont uw Maegd'lijk hooft niet van
    verstant berooft is,
    Maer dat ghy in manier bootst na 't Egipts
    geslacht,
    Wie doots ghedachten plaetst, zy zelver als een
    Hooft is;
    De doodt hoe meer bedocht, de doodt hoe
    min geacht,
    Mijn hooft eens ander mensch deed u godt-
    vrughtig weesen.
    Hoe VEER, CORNELIA,wint ghy
    van my de Kroon?
    Ick hebt, en denk niet eens aan dit Doots eygen
    weesen,
    Geluckig Maegt, die dees gedachten zijt ge-
    woon
    . Dorst ick, 'k zou dees manier van denken van u
    beedlen,
    En worden aen uw geest, rechtmatig, en ge-
    lijk:
    . Dan soud ick dit gheschrift, op hooger snaeren
    veedlen,
    En geeven door mijn daen des doots gedach-
    tens blijck
    . Wie dit betracht, die toont sig van des werelt-
    wijsen,
    't Verdooft der sonden drift, in 't oefnen van
    den geest;
    Het jong wort deugdig out, eer tijdt het hooft
    doet grijsen:
    Dit Boek maekt eerder wijs, als die veel boe-
    ken leest.
    Ghy doet 't gheen ick moet doen, als ick mijn
    ziel wil spijsen,BR> Mijn hooft dat oeffent u, al of 't uw eyghen
    is:
    Uw rijm toont hoe ick moet u voor desen spie-
    gel deysen,
    Dit hooft toont niet, wie 't was, maar wel
    wat datmen is.


    terug

    By-dichten.
    TEGEN-SANG
    Over het selve
    DOOTSHOOFT:
    Beweecht door het schrijven van Juffr.
    CORNELIA van der VEER

    Dit tong, en breynloos hooft, van oogh,
    en oor berooft is
    Roept echter, mensch, ick ben van 't men-
    schelijk geslacht,
    Veel luyder als een tong, die in een Preeckers
    hooft is.
    Dees steen leert groot, en kleyn, ja meesters
    hoog geacht:
    Dit holle harsen vat, toont nietheydt niet te
    weesen
    Als ydel hol, ontglanst van staet, van eer, en
    kroon:
    Wie sich roemt meer te sijn, besiet dit leersaem
    weesen,
    Dit Boeck is 't wijste breyn te leeren, wel ge-
    woon.
    Men hoeft geen weyste spreuck, van boek, of
    man te beedlen,
    De opgepronckte reen zijn noyt de saek ge-
    lijck.
    Een onbeploeght verstandt kan op dees snaere
    veedlen;
    Mits naeckte waerheyt hoeft geen reen to
    waerheyts blijck.
    Dit ongelettert boek bewijst de wereldts yl-
    sen
    Wat wereldt op het ent geest 's wereldts yl-
    heyts geeft.
    Zy zijn afgrijselijck, die deesen Boeck afgrij-
    zen;
    hy heeft genoegh geleert die maer dit Boek
    doorleest.
    Dit leesen sal de ziel ten eeuwigh leven spij-
    sen,
    Dit hooft aan my niet meer, als elk een ey-
    gen is,
    Hy is sijn selver 't naest wie van dit hooft kan
    deysen,
    Mits dat dit alderbest kan leeren wat men is.

    . UYT
    .

    Justus Hoflandt.
    terug

    By-dichten.
    Weder-Antwoordt aan de Zoet-
    Vloeyende Poet, Sr.
    JUSTUS HOFLANDT,
    Over het
    . DOODTSHOOFT
    Op de selve trant als voren

    Wat is een Neskebol die van 't verstandt berooft is?
    Gelijck'er veele zijn in't menschelijk gheslagt,
    Veel slimmer in der daat als wel dit doode hooft is,
    . En werdt van niemant meer als van zich zelfs geagt.
    Dit hooft kan 't aller-tijdt voor ons een Spiegel wesen,
    Daar steeckt meer voordeel in als in een Konings Kroon.
    Het wijst de Nietigheyt van 't menschelijke leven;
    Wel zaligh is die geen die vaakmaal is gewoon
    Voor 't Heyligh Zoen-Altaar het Hemels Brood te beedlen,
    't Geen hem een disgenoot van Sion maakt gelijk,
    En zoo met Jesse Soon op Cimbel, Harp, en Veedlen;
    Der Vadren Vaders lof op queelt in voller blijk.
    Zulk een heeft meerder lof als een der werelt-wijzen.
    Des doots gedachten zijn liefkozers van zijn geest;
    Hy zal voor geen geraamt afkeerig achter deyzen,
    Maar toonen hoe hy daar zijn nietigheyt uit leest;
    Gelijk ik rede las, toen gy my quamt te spijzen
    Met lekkre lettertrant, waar noch uw Dootshooft is.
    'k Zal voor uw maatgezangh, noch Dootshooft achter deyzen;
    Wijl dat in elk van dien veel heyls beslotenis.

    Ik tracht VEERder.
    Cornelia van der Veer.

    Bron: Lauer-strijt, p. 181-182.
    terug

    By-dichten.


    Aen Me-Juffr.

    Cornelia van der Veer,
    Op het besichtige van het Dootshoofe tot
    Sr. JUSTUS HOFLANT

    Ryck is hy die rijck in Godt is,
    Want de doodt een yeders lot is:
    Leer dan sterven domme mensch,
    Zalig sterven is mijn wensch.
    Veer, uw Veer mijn menscheydt leerde
    Toen ick my naer 't Dootshooft keerde,
    Wat de mensch is, en zijn roem.
    Ach, wy zijn gelijck een bloem,
    Lichter als de lichste winden,
    Roock de welck men ziet verzwinden.
    Waer is wijsheydt, grijsheydt, eer?
    Maro, Nazo, en Homeer
    Boer, of burger, burger-vader,
    Deucht-beminder, wet-versmader,
    Geen van allen ick hier zie:
    Doots-hooft zeght my, toch eens wie
    Dat gy waert in 't nietigh leven?
    Hoe kunt gy geen antwoort geven?
    'k Zie gy zijt gevoelenloos:
    Ach! wat is ons leven broos.
    'k Leer dan levend 't leven derven.
    Zaligh sterven is geen sterven.
    Mr. H.D. Graef

    (Bron: Lauer-strijt, p. 344 ).

    terug