Sara de Canjoncle



We kennen de Amsterdamse dichteres Sara de Canjoncle alleen uit de gedichten van anderen. Helaas zijn er geen gedichten van De Canjoncle zelf overgeleverd en ook in het Amsterdamse gemeente-archief zijn geen sporen van haar bestaan achterhaald door ons.
Uit een gedicht van Lescailje blijkt dat Sara de Canjoncle ook dichteres was. In de slotregels van dit gedicht blijkt dat Lescailje haar vriendin een dichtbundel cadeau heeft gedaan. Waarschijnlijk was dit de Hollandse Parnas, gezien de titel van het gedicht: Aan juffrouw Sara de Canjoncle, nevens een Hollandschen Parnas. Katharina raadt De Canjoncle aan het werk van deze (mannelijke) dichters goed te bestuderen, dan zal zij mettertijd:

Hun roem en lof te boven treeden,
En pronken met de onsterflykheid,
Een kroon die u Apol bereid.

(Katharina Lescailje, deel I, p. 351)

Ook in een (ongedateerd) lofdicht dat Lescailje maakte voor Joan Goris komt de dichtkunst van Sara de Canjoncle aan de orde. Lescailje bedankt Goris in het betreffende gedicht voor haar verblijf bij hem in Dordrecht. De idyllische omgeving heeft haar reisgenoot Sara de Canjoncle tot dichten aangezet:

De schrand're Sara, myn getrouwe Reisgenoot,
En lieve Gezellin, die staag de vreugd vergroot,
Verdrinkt schier in die zee zo vol van lekkeraye.
Hier word haar geest ontvonkt door drift der Pozy,
Waar zy met my noch was en dichtte op deezen stond.

(Katharina Lescailje, deel I, p. 251)

Uit deze passage valt verder op te maken dat Lescailje en De Canjoncle samen op reis gingen. De slotregels van het gedicht vermelden dat Lescailje naar Dordrecht is afgereisd met haar 'Zuster, en vriendin'. Volgens het WNT wordt met de omschrijving 'Zuster' niet altijd een directe bloedverwantschap aangegeven. Het begrip 'Zuster' wordt ook gebruikt om iemand van dezelfde sexe mee aan te duiden. In dit geval zou het dus om dezelfde persoon kunnen gaan: Sara de Canjoncle.

Als ik uw deugden zing, met al de heerlykheden
Van 't onverdiend onthaal, dat gy met gullen zin
Toonde op n tyd aan my, aan Zuster, en Vriendin.

(Katharina Lescailje, deel I, p. 255)

Sara de Canjoncle blijkt dus niet alleen een reisgenoot te zijn, maar wordt door Lescailje ook als 'vriendin' omschreven. Uit de magere gegevens die ons ter beschikking staan, valt af te leiden dat er een bijzondere vriendschapsband tussen Lescailje en De Canjoncle bestaan moet hebben. Katharina schreef namelijk een aantal gedichten voor Sara waarin een zekere spanning voelbaar is, onder andere een nogal verwijtend bruiloftsdicht bij De Canjoncles huwelijk met Nicolaas Buitendoor in 1677. Het gedicht begint verontwaardigd:

Fiere SARA, schoone Bruid,
Heeft de liefde uw hart gebuit?
Zult gy 't maagdelyke leeven
Voor den naam van Vrouw nu geeven,
Om een Man uw gunst te bin?
Is het mooglyk, kan 't geschin?
En uw afkeer dus verkeeren?
Kon de Min u zo verheeren?
Acht gy dan uw Vryheid niet?
Vryheid, vryr van verdriet
Dan het Huwlyk, daar 't verbinden
Vaak doet moeite en zorgen vinden?

(Katharina Lescailje, deel II, p. 16)

Blijkbaar begrijpt Lescailje niet goed waarom haar vriendin de 'maagdelijke staat' vrijwillig opgeeft door een huwelijk aan te gaan. De dichteres hechtte zelf erg aan haar zelfstandigheid, die door de ongehuwde status mogelijk werd gemaakt. Het beeld van het huwelijksleven dat hier door De Canjoncle geschetst wordt, is ook weinig rooskleurig. Uit bovenstaande dichtregels blijkt onbegrip voor De Canjoncle, die haar ongebonden leven vrijwillig opgeeft, en daarmee dus bewust haar vrijheid beperkt.

In het huwelijksgedicht voor Sara de Canjoncle en Nicolaas Buitendoor schrijft Lescailje zelfs over een 'afkeer' van het huwelijk, de afkeer om 'een Man uw gunst te bin'. Blijkbaar is Sara's afkeer voor het huwelijksleven omgeslagen. De lezer van het gedicht kan zich afvragen of dit een gemeenschappelijk gevoel was. Misschien voelde Lescailje zich verraden omdat De Canjoncle bij nader inzien toch een andere mening was toegedaan, of in ieder geval een andere keuze maakte.

Lia van Gemert verwijst in Met en zonder lauwerkrans (p.398) onder andere naar deze passage, wanneer zij stelt dat een aantal gedichten van Lescailje de mogelijkheid openlaten voor een vrouwenliefde.
Een interessante aanvulling hierop is het gegeven dat Cornelia van der Veer zich in een gedicht jaloers beklaagde over Lescailjes aandacht voor De Canjoncle. Volgens Van Gemert zijn er echter geen harde bewijzen voor een eventuele lesbische verhouding. Bovendien vraagt Van Gemert zich af of zeventiende-eeuwers homoseksuele gevoelens van vrouwen wisten te identificeren.
In de inleiding van Met en zonder lauerkrans (p. 12) wordt gesproken over belangrije relaties die schrijvende vrouwen onderhielden met hun (kunst)vriendinnen. De verwoording van dergelijke vriendschappen is vaak erotisch gekleurd. Vriendschapsgedichten zijn dan niet van liefdesgedichten te onderscheiden.

Bij de mengeldichten treffen we een (ongedateerd) gedicht dat zich goed leent om de relatie tussen Katharina Lescailje en Sara de Canjoncle verder te onderzoeken. In dit gedicht geeft de dichteres duidelijk te kennen dat zij lijdt onder de afwezigheid van De Canjoncle. Deze eenzaamheid is des te kwellender voor Lescailje omdat zij Sara, die blijkbaar veel voor haar betekende, zo dichtbij waant en tch onthouden wordt van haar gezelschap:

Te ongeruster,
Om dat gy,
Zo naby,
My uw wezen,
Waard gepreezen,
Myn gezicht,
Met het licht
Van uw oogen,
Onmedoogen,
Dus onthoud.

(Katharina Lescailje, deel I, p. 353)

Daarna beklaagt Lescailje zich over de verkillende liefde van Sara de Canjoncle. Hiermee zijn we terecht gekomen op een interessante 'open plek' in het gedicht. We weten als lezer immers niet wat er voorgevallen is tussen de beide dames. Blijkbaar is er iets gebeurd wat Katharina Lescailje gegriefd heeft:

Ach! verkoud
Al uw liefde,
Die my griefde
Met een wond
Op n stond?

(Katharina Lescailje, deel I, p. 353)

Maar ondanks haar 'gegriefde' hart heeft Lescailje toch behoefte aan De Canjoncles gezelschap. Ze vraagt in dit gedicht of Sara bij haar wil komen om haar verdriet te verjagen:

Ik kom klaagen,
Om te vraagen
Of 't u lust,
Om myn rust,
Hier te komen,
Om te schroomen
Met de smart
Van myn hart
weg te jaagen.
Wilt niet traagen:
'k Zit alleen
Hier en steen.

(Katharina Lescailje, deel I, p. 353)

Ook het uit 1675 daterende mengeldicht Verlooren en wedergevonden vriendschap biedt interessante aanknopingspunten om de relatie tussen Katharina Lescailje en Sara de Canjoncle nader te beschouwen. In dit petrarkistisch aandoende sonnet heeft Lescailje het over haar 'verliefde geest' die naarstig op zoek is naar vriendschap. Net als zij, met een droevig hart, de wanhoop nabij is, verschijnt Sara aan de horizon:

Wanneer de vriendschap op het aardryk scheen verlooren,
Zocht myn verliefde geest haar op van stad, tot stad,
En vloog door land en zee; maar nergens was die schat
Aan bergen, bosch, of beek: dies scheen haar val beschooren.

't Gerucht van haaren dood drong zelfs al in myn ooren,
Wyl sno geveinsdheid reeds op haaren zetel zat.
Toen viel myn droevig hart, van zoeken afgemat,
In wanhoopsduisterheid: want niets kon my bekooren.

Doch eindelyk verscheen aan my dat Godlyk licht,
In Sara, die de deugd en trouw in 't aangezicht,
En waare vriendschap heeft in 't oog en hart geslooten.

Dus licht zy als de Zon in d'opgang van haar Jeugd,
En smelt en mengt myn ziel, als zy ze ontfonkt in vreugd:
Dus bloeit ze met de haare in nieuwe vriendschaps looten.

(Katharina Lescailje, deel I, p. 352)

Het gedicht begint met het weergeven van een groot lijden. Het slachtoffer doolt rusteloos rond op zoek naar vriendschap. Tegen de petrarkistische traditie in betreft het hier echter een vrouw die lijdt. Ze heeft het gerucht gehoord dat 'de vriendschap' gestorven is, en er enkel nog 'geveinsdheid' bestaat. Maar dan verschijnt als een goddelijk licht, Sara. Zij is als de zon en kan de ziel van de dichteres laten smelten. Hiermee wordt de petrarkistische verhouding tussen dienaar en gebiedster (aanbedene) duidelijk weergegeven, zij het dat een vrouw de traditionele mannenrol van de klagende minnaar op zich heeft genomen.

Volgens Schenkeveld van der Dussen (Literatuur, p. 340) was het petrarkistisch jargon goed bruikbaar in de gedichten die vrouwen voor andere vrouwen schreven. Het petrarkistisch model maakte heteroseksuele liefdespozie vanuit een vrouwelijk perspectief vrijwel onmogelijk. Als een vrouw op die manier uiting zou geven aan haar liefde voor een man, dan zou ze daarmee van haar voetstuk afdalen, en de verhouding (dienaar en gebiedster) zou niet meer binnen het petrarkistisch model passen. Deze terughoudendheid hoefde niet in acht genomen te worden in pozie die vrouwen voor elkaar schreven. De dichteres kon volgens dit model tegenover een vrouw de rol van aanbidder op zich nemen en zich als dienares tegenover de gebiedster opstellen. Zo kan er in gedichten getreurd worden bij het vertrek van een geliefde vriendin, er kan jaloezie getoond worden tegenover een rivale en er kan geklaagd worden over een verkillende liefde.

Uit het voorafgaande blijkt dat de relatie tussen Katharina Lescailje en Sara de Canjoncle genoeg stof tot speculatie biedt. Uiteraard kan in de relatie tussen Katharina Lescailje en Sara de Canjoncle ook sprake zijn geweest van een vroege uiting van het fenomeen dat Myriam Everard beschrijft als zielsvriendschap (Everard, Ziel en zinnen, p.36 ). Deze achttiende-eeuwse vriendschapscultus idealiseerde de vriendschap boven de 'seksuele-liefde'. De zielsvriendschap ging gepaard met eenzelfde hang naar zielsgemeenschap, eenzelfde strijd tegen de lust van het vlees, eenzelfde streven naar wederzijdse zelfvolmaking en een zelfde preoccupatie met de dood en het weerzien in de eeuwigheid als binnen een huwelijk.