Van der Veer en Graef



Mr. H. D. Graef, die in de Lauwerstryt maar liefst zes keer aan Van der Veer schrijft, kan ook als een lid van het literaire netwerk worden beschouwd. In zijn verzen aan Van der Veer komt hij naar voren als een kunstminnende bewonderaar van haar werk. Zij is als de vleesgeworden tiende Muze voor hem, mede doordat zij zo wijs is: 'Door uw geest ontfonckte mijn geest o, Van der Veer! en: Dies maeck ick Veer van Veer, wiens veer wert staegh gepreesen/ Die haest de thiende by het Negental sal weesen' ( Lauerstryt , p. 41). In een belangrijk lofdicht op de bundel legt De Graef de titel als volgt uit: de strijd tussen Questiers en Van der Veer is dan misschien beslecht (Van der Veer heeft de lofkrans aanvaard en er Questiers een terug gegeven: ze zijn dus even goed), maar poëtisch gezien gaat deze gewoon door: elk (toegezonden) gedicht vraagt immers om een reactie. Daarom zou De Graef wel veel meer willen dichten, want het is een heerlijke strijd: 'Maer ach! de tijt gunt mij geen tijt/ Dies laet, O Veer, mijn Veer herschrijven/ En zal Questiers, steets dienstbaer blijven;/ Zoo raeckt men uyt de strijt in strijt.' Uit de strijd, maar niet voor lang blijkbaar: het volgende gedicht, waar je op dient (?) te reageren word je alweer toegezonden.