Van der Veer en Hoflandt



Justus Hoflandt, die ook contact onderhield met De Graef (hij schreef o.m. een lofdicht op De Graefs werk), was een duidelijke literaire contactpersoon voor Van der Veer. Hij loofde haar (dichtkunst) in alle toonaarden en misschien beminde hij haar zelfs, getuige dit vers uit de Lauerstryt (p. 369):
'Ghy oefent, streelt, verweckt, door vaersen lieftal seeden/ Uw breyn, mijn hart, mijn tongh, tot wijsheydt, liefde, reeden/ Want wijsheyt, l i e f d e sprack, verheugt, verwint, ontwart/ De ziel, door gunst d'onrust, in Godt, elck een van 't hart.' Liefde, wijsheid, ziele-onrust, rust in God: Van der Veer laat Hoflandt bepaald niet onberoerd. Met plezier heeft hij dan ook een reeks dicht-antwoorddichten met haar geschreven (iets wat Van der Veer ook met Questiers en Lescailje gedaan heeft).
Dicht-antwoorddichten nemen een opvallend groot deel van de literaire productie van zeventiende-eeuwse dichteressen in, hoewel het ook bij hun mannelijke collega's voorkomt. Dit hangt samen met de veranderde positie van de vrouw in de maatschappij: zij mocht (Renaissancistisch ideaal) deelnemen aan de literaire conversatie, wat onderdeel was van de beschaafde omgangsvormen. Belezenheid was hiervoor de eerste voorwaarde en deze moesten vrouwen - in tegenstelling tot de goed opgeleide mannen - zelf verwerven. In de omgang met vrienden en kennissen kon spelenderwijs de kennis van de letterkunde worden vergroot en hiertoe dienden ondermeer de dichtwisselingen, waarbij in poŽzie op elkaar werd gereageerd en waarvan De Graef hierboven de werking beschreef.( Nederlandse literatuur een geschiedenis. , p. 282-287).
Op pagina 175 van de Lauerstryt opent Van der Veer de conversatie door een vers te schrijven over een bepaald voorval: zij kreeg van Hoflandt een doodshoofd in handen gedrukt toen zij zijn bibliotheek bewonderde, blijkbaar kwam ze bij hem thuis. Voor haar is dit voorval aanleiding om hem eens op zijn vingers te tikken ( Lauerstryt , p. 175-176). Een dag later reageert Hoflandt met twee verzen: hij bewondert haar wijsheid en had er - eerlijk gezegd - niet aan gedacht dat dit stervenslot ook hem wachtte. Cornelia, gevleid, schrijft dezelfde dag nog een antwoord terug: ondanks zijn ondoordachte optreden van eergisteren, schrijft hij toch dingen "waarin veel heyls besloten is". Niettemin wil Hoflandt het gesprek wat rekken en hij schrijft terug dat 'doodsgedachten toch wel de beste gedachten zijn voor een mens'. "Memento mori", beaamt ook Cornelia in haar reactie, zeker nu de pest-roe Amsterdam getroffen heeft. Overigens beneemt deze straf van God haar bijna de lust tot dichten, zo erg vindt ze het. Tegelijk is het leerzaam om middels "poŽtische correspondentie" deze zaken aan te roeren. In een samenvattend "Besluyt-antwoort" heeft Hoflandt het laatste woord; einde dichtwisseling. De datering van de gedichten doet vermoeden dat deze dichtwisseling misschien heeft plaatsgevonden tijdens een logeerpartij bij Hoflandt thuis; de vrienden schrijven elkaar immers dagelijks terug. Interessant is ook een gedicht van De Graef op dit thema: wist hij ervan dat ze zo geschrokken was of heeft hij de dichtwisseling tussen Hoflandt en haar gelezen? Is hij misschien zelf ook eens op bezoek geweest en is hem toen hetzelfde overkomen?
Uit de gedachtenwisseling - geschreven tussen 7 en 9 augustus 1664 - blijkt dat beiden de bijbelse boodschap, zeker in deze roerige tijden, stellen boven het ijdele verzen schrijven. Niettemin gebruiken zij het wel, maar alleen als leerzaam instrument (Lauwerstryt , p. 175-188).