De Knipzangers



Aan 'De Knipzang' deden de volgende dichters mee: Joost van den Vondel (tweede en laatste strofe), Lambertus Sanderus (derde strofe), Pieter Dubbels (vierde strofe), Thomas Asselijn (vijfde strofe), David Questiers (zesde strofe), Gerrit Verbiest (zevende strofe), Hieronymus Sweerts (achtste strofe), Katarina Verwers (negende strofe) J. Lemmers (tiende strofe), Catharina Questiers (elfde strofe), Dekker (twaalfde strofe) Goudina van Weert (dertiende strofe), Gerbrand van den Eekhout (veertiende strofe), Maria Massa (vijftiende strofe) I. Massa (zestiende strofe), François Snellinx (zeventiende strofe) en Willem Schellinks (achttiende strofe).

Sweerts en de uitgever van De koddige Olipodrigo, waarin de dichtwisseling is opgenomen, Evert Nieuwenhoff zijn waarschijnlijk de initiatiefnemers van het geheel geweest. Wat opvalt aan het gezelschap, is dat het vrij gevarieerd is. Er zijn een aantal onbekende schrijvers bij: Maria en I. Massa; Dekker (het is onwaarschijnlijk dat dit Jeremias de Decker is geweest) en de rest, op Vondel en Asselijn na, varieert van minder bekend tot redelijk bekend. Van der Aa noemt velen van hen 'dichter uit de zeventiende eeuw'. Het lijkt erop dat we hier te maken hebben met een dichtend gezelschap dat bij elkaar in de buurt woonde en elkaar waarschijnlijk vrij goed kende. Zo was Sweerts één van de veertien dichters die Vondel ten grave droegen en komen we een aantal van de dichters (namelijk: Sweerts, Sanderus, Schellinks en Asselijn) ook tegen in de bundel 't Gebedt onzes Heeren, In Rijmen uitghebreidt door verscheide Liefhebbers der Dichtkunste (1658), waarin ieder een berijming van het Onze Vader geeft. In het gezelschap 'de broederschap der Schilderkunst', een genootschap van schilders en dichters rondom de kunstbeschermer -verzamelaar Marten Kretser, komen we Sweerts, Van den Eekhout, Schellinks en David Questiers tegen.

Daarnaast is er een aantal dichters bij dat ook aan elkaar schreef: Dubbels schreef twee lofdichten op Verwers' Spaensche Heydin, Verwers en Questiers schreven gedichten aan elkaar, Vondel schreef gedichten aan Questiers, Sweerts schreef gedichten aan Van Weert en Van den Eekhout en tot slot schreven Sweerts, Schellinks, David Questiers en Van den Eekhout acht gedichten naar elkaar waarin ze elkaar de lauwerkrans toestuurden . De eerste vier van deze gedichten zijn op dezelfde dag geschreven, een aanwijzing voor een frequent contact. (de meeste gegevens zijn ontleend aan Minderaa, 1964, p. 118-145)

Kennelijk gaat het hier dus om Amsterdammers die bij elkaar in de buurt woonden en waarvan sommigen elkaar ook persoonlijk kenden. De gegevens uit het bovenstaande stuk wijzen sterk in de richting van een gevarieerd netwerk. De bijdrage van vrouwen aan 'De Knipzang', mag bijzonder genoemd worden. Zie bijvoorbeeld de reactie van I.D. Klijn in zijn Kermis-Gift voor de laatdunkende Knippers en Knipsters op de deelname van Verwers. Tegen Nieuwenhoff zegt hij: 'Kan je nu geen mans belezen,/Datje teere Vrouwen neemt?'. Van Van Weert is bekend dat ze op persoonlijke uitnodiging van Sweerts (een man) deelnam; Questiers was een graaggeziene dame in de Warmoesstraat, waar zij ook een rijk voorziene kunstkamer had en wellicht is Verwers via Dubbels of Questiers in het gezelschap opgenomen. Zo lijkt het dat deze vrouwen binnen het netwerk gerespecteerd werden vanwege hun dichtkunsten en dat hun deelname op prijs gesteld werd.