Katharina Lescailje (1649-1711)



Katharina Lescailje was de tweede dochter van boekdrukker Jacob Lescailje en Alida Verwou, vrouw en later weduwe van de drukker Jan van Dorsten. Door zijn huwelijk met Alida verwierf Jacob Lescailje het bedrijf van Van Dorsten, en na zijn dood, in 1679, zette Katharina de op de Middeldam gevestigde uitgeverij voort. Dat juist zij en niet een van haar halfbroers de zaak overnam, kwam misschien omdat de ongetrouwde Katharina, anders dan de anderen nog een eigen nering had. Wellicht ook werd ze als de meest geschikte opvolger voor de in toneel en dichtkunst gespecialiseerde uitgeverij gezien, omdat ze van jongs af aan zelf de dichtkunst beoefende. Gezien de omvang van haar oeuvre heeft Katharina Lescailje, naast het runnen van haar eigen bedrijf, ook nog gelegenheid gevonden om te blijven schrijven. In de inleiding van Met en zonder lauerkrans (p. 68) stelt Schenkeveld-van der Dussen dat Lescailje de Franse toneelstukken (die zijn opgenomen in het derde deel van haar verzameld werk) waarschijnlijk vooral om den brode vertaalde.

Katharina Lescailje heeft veel geschreven en ook enkele losse gedichten gepubliceerd. Merkwaardig genoeg heeft ze van bundeling van haar eigen werk afgezien, terwijl ze daar als boekhandelaar-uitgever toch gelegenheid toe gehad zal hebben. Pas in 1731, 20 jaar na haar dood, werden de verzamelde werken van Katharina Lescailje in drie delen uitgegeven bij de 'Erven Lescailje en D. Rank' onder de titel: Tooneel- en Mengelpoëzy. Voor deze publikatie waren zeker veertig titels van Lescailje al een keer in druk verschenen, onder andere in bloemlezingen, als drempeldicht, als pamflet of als treurspel. De Tooneel- en Mengelpoëzy geldt als één van de eerste uitgaven van het verzameld werk van een vrouw.
In het eerste deel zijn 21 staatsgevallen (gedichten die naar aanleiding van een belangrijke (inter)nationale gebeurtenis zijn geschreven), 30 lofdichten, 13 afbeeldingen, 67 verjaardagsgedichten en 73 mengeldichten opgenomen. Het tweede deel bestaat uit 95 huwelijkszangen, 30 lijk- en grafdichten en 11 stichtelijke gedichten. In het algemeen betreft het gelegenheidswerk dat [volgens Lia van Gemert (Met en zonder lauwerkrans, p. 398)] inhoudelijk geen groot opzien baart.
In het derde deel van het verzameld werk zijn zeven toneelbewerkingen van Lescailje opgenomen. Katharina leverde een gewaardeerde bijdrage aan het repertoire van de Amsterdamse schouwburg met haar uit het Frans vertaalde tragedies. Van de zeven treurspelen werden er zes in de Amsterdamse schouwburg opgevoerd.

De eindeloze reeksen bruilofts-, verjaars-, lof- en lijkdichten geven een indruk van het wijdvertakte literaire netwerk waarin Lescailje functioneerde. In de index van haar werk komen we veel dezelfde persoons- en familienamen tegen.
Tijdens dit college is onderzocht welke contacten Katharina Lescailje onderhield, wat de aard van deze contacten geweest zou kunnen zijn, op welke manier de contacten ontstonden, en hoe de weerslag hiervan is terug te vinden in de gedichten.
Zonder te willen stigmatiseren, zijn er verschillende categorieën aan te brengen in de contacten die Lescailje onderhield. Op basis daarvan is haar totale netwerk te karakteriseren.

Ten eerste waren er natuurlijk familierelaties, die zoals Kooijmans ons leert vaak nauw verbonden waren met vriendschapsbanden. In de Tooneel- en Mengelpoëzy vinden we o.a. een huwelijksgedicht voor Lescailjes zuster Barbara ter gelegenheid van haar huwelijk met de drukker Matthias de Wreedt. Verder treffen we in het eerste deel verjaardagsgedichten aan voor haar vader, haar moeder en haar zuster Aletta.

Uit andere gedichten zijn contacten af te leiden die, in de moderne zin van het woord, als 'vriendschappelijk' omschreven kunnen worden. Zo zijn voor Willem van Zon (domheer van Oudmunster) en zijn gezin maar liefst 17 gedichten in het verzameld werk opgenomen. Dit grote aantal biedt genoeg aanknopingspunten om deze relatie nader te onderzoeken.
Ook constateren we een nauw contact met de dichteressen Cornelia van der Veer en Sara de Canjoncle, voor wie een paar curieuze liefdesklachten zijn opgenomen in de Tooneel- en Mengelpoëzy. Daarnaast klinken ook uit het intrigerende gedicht voor Feizant persoonlijke emoties van Lescailje door.

Natuurlijk heeft Lescailje door haar werk als drukker en auteur ook veel utilitaire vriendschapsbanden gehad. Zo komen we bij de huwelijksgedichten een aantal telgen van het beroemde drukkersgeslacht Blaeu tegen. In het gedicht dat Lescailje in 1679 maakte op het huwelijk van Joan Blaeu en Eva van Neck, spreekt zij haar grote bewondering uit voor deze drukkersfamilie. Drie jaar daarvoor had Lescailje al een vers gemaakt op het huwelijk van Joan Geerkens en Louize Jakobe Blaeu. Ook in dit gedicht roemt zij de grote reputatie van de familie Blaeu. Verder vinden we in het verzameld werk een gedicht uit 1671 waarin Lescailje de nieuwe drukkerij van Joan Blaeu bezingt. Twee jaar later bericht zij in een mengeldicht dat dit 'pronkjuweel' droevig ten onder is gegaan tengevolge van een felle brand.

In de Tooneel- en Mengelpoëzy zijn dus gelegenheidsgedichten opgenomen voor een omvangrijk aantal personen. Tot de talrijke contacten die Katharina Lescailje via haar poëzie onderhield, behoorden o.a. predikanten (zoals Willem Sluiter), artsen, apothekers, collega's uit het boekenvak en letterkundigen.
Het feit dat de drukkerij van Lescailje veel werk van de Amsterdamse schouwburg uitgaf, verklaart waarschijnlijk dat in de index van haar verzameld werk veel namen zijn te vinden van personen die op een of andere manier bij de Amsterdamse schouwburg betrokken waren. Zo lezen we gedichten voor een groep 'geleerde heren' waartoe o.a. Pieter Bernagie, Joan Pluimer en David van Hoogstraten behoorden.

Het feit dat we steeds dezelfde namen tegenkomen in de publikaties van genoemde auteurs, impliceert een wijdvertakt literair netwerk, waarin ook Lescailje functioneerde. Een groot deel van de geschreven gedichten was volgens de inleiding van Met en zonder lauerkrans (p. 56) bedoeld voor het sociale verkeer. Het gaat hier om gebruikspoëzie in de volle zin des woords. Men schreef gedichten voor elkaars huiselijke feest- of rouwdagen, promoties, gedichten en boeken. Vandaar de eindeloze reeksen verjaardagsedichten, bruiloftsdichten, lijk- en grafdichten en 'boekenloven' die in tal van bundels zijn aan te treffen.
Zo openden verschillende dichters hun dichtbundel met een lofdicht van Katharina op hun werk. In de gedichten van David van Hoogstraten (1697) is direct na de opdracht aan den Heere Willem Boreel, Sekretaris der Stad Amsterdam, een lofdicht van Katharina Lescailje opgenomen en De Gedichten van Joan Pluimer beginnen met een gedicht van deze 'Nederlandse Sappho'.

Nu werd volgens Marianne Peereboom (1995, p.40) bijna iedere vrouw die op literair of wetenschappelijk terrein actief was, wel een keer met de Griekse dichteres Sappho vergeleken. De vergelijking met deze dichteres werd over het algemeen niet gemaakt vanwege een verwantschap in stijl of thematiek. Dichteressen werden zelfs al met Sappho vergeleken in de tijd dat er van Shappo's poëzie weinig of niets bekend was. Hieruit blijkt volgens Peereboom dat de benaming Sappho voor willekeurig welke dichteres in de zeventiende eeuw tot een cliché verworden was. Ook Katharina Lescailje was voor haar vele bewonderaars een tweede Sappho. Dit blijkt o.a. uit de talrijke gedichten op haar overlijden:

De koopstad treurt, om dit verlies verslagen
Van haar, waar op zy meerder roems mag dragen,
Dan Lesbos op zyn Saffo.
(Katharina Lescailje, deel I, p. 25)

Kathryn, wiers groot vernuft een ieder kon bekooren,
Waar in de Griekse maagd van Lesbos scheen herbooren.
(Katharina Lescailje, deel I, p. 35)

In andere gedichten over Lescailje is verder nog sprake van Amstels Saffo, de Duitsche Saffo, Katryne, die geen Grieksche Saffo week, Kathryne, een saffo onzer dagen, enz.
(Sanders, 1960, p.60-67 en Van Gemert, p. 396-398)