Lofdichten op Verwers' Spaensche heydin



Het eerste gedicht is van Joannes Serwouters, eveneens toneeldichter uit het midden van de zeventiende eeuw, en zelfs buurtgenoot van Verwers. De titel is 'd'Aamstelgod aan juf. Katarina Verwers op haar Spaanse Heydinne'. Serwouters beschrijft een dichter die in een lieflijk landschap ligt te slapen en gewekt wordt door de 'Zusteren van 't hooge Helicon'. Zij roepen hem op te gaan kijken naar het toneel dat in zijn stad gespeeld wordt. Ze zeggen de joffer die het stuk geschreven heeft te gaan kronen met loof dat op de Parnassus heeft gebloeid. Ook de dichter blijkt gecharmeerd van de dichtkunsten van de joffer en zegt dat zij 'de laarzen der Griekse dichter' waard is. Hij wenst dat haar naam in een weide omgeving bekend zal worden en dat ze een lang leven zal leiden.

De tweede lofzang, 'Aan Minerva voor Juffrouw Katarina Verwers' is ondertekend met 'In all's u lijden'. De dichter(es) roept de dochter van de donder Athene op om Verwers, net als Athenes broer Perseus, een schild van kristallijn te geven. Dit schild moest Perseus destijds beschermen tegen de verstenende blik van Meduza en zal hopelijk bescherming bieden aan de afgunst die op Verwers zal afkomen. De onbekende auteur lijkt erop te zinspelen dat Verwers kritiek zal krijgen op haar dichterschap. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat zij de eerste vrouw was die een toneelstuk schreef dat opgevoerd is. Het is niet onvoorstelbaar dat deze gebeurtenis reacties uitlokte. Het is nogal een verschil of vrouwen een gedichtje in de bundel van manlief schrijven of met een heel toneelstuk tevoorschijn komen dat vervolgens ook nog eens een aantal keer opgevoerd wordt. De auteur van deze lofzang is in ieder geval blij met dit nieuwe bloed: het gedicht eindigt met de opmerking dat de felle afgunst zal worden omgebracht door een vrouw. Met andere woorden: Verwers zal de afgunst van de critici kunnen pareren en er zelfs niet door geschonden mogen worden, zoals in regel 5 al vermeld staat.

Hierna volgen twee gedichten van buurtgenoot Pieter Dubbels. Het eerste gedicht, 'Op het Spaans heydinnetje van Juf. Katarina Verwers D. Aan de Weteloose Weters' is interessant omdat Dubbels Verwers' toneelstuk verdedigt tegen bepaalde negatieve reacties. Ook hier dus een reactie op de kritiek die geuit is vanwege het feit dat een vrouw zich met toneel bezig hield. Het 'verstandeloos ghespuys' wordt door Dubbels verdacht van eigenwaan, die zelfs zo ver gaat dat ze ervan uitgaan dat er in een vrouw geen geest en kennis kan stoelen. In tegenstelling tot deze 'Weteloose Weters' is Dubbels ervan overtuigd dat Verwers toneelstuk haar eeuwige roem zal brengen, ondanks de kritieken die als Atropos' messen door haar lijf snijden.

In het tweede gedicht, 'Aan juf. Katarina Verwers. Voor d'Amstel Juffertjes' vertelt Dubbels de Amsterdanse juffertjes dat er een zeer goed schrijfster in Amsterdam woont. Hij vindt haar werk zelfs zo goed dat hij besluit met de opmerking dat in haar brein Apollo's orgel welhaast moet spelen:

Is 't dan wonder? Katarijntje!
Dat Minerve ons geesjes troont,
In den Hemel van uw' breyntje:
Daar Apolloos orgel toont.

Wat opvalt aan de lofzangen op de Spaensche heydin, is dat twee ervan duidelijk ingaan op kritiek die verwacht wordt vanwege het feit dat een vrouw een toneelstuk schrijft. Met name Dubbels juicht het juist toe dat een vrouw zich op toneel richt en de onbekende dichter(es) verwacht dat een vrouw de afgunst van mannelijke critici zal kunnen ombrengen. Serwouters gedicht lijkt meer een traditioneel lofdicht, maar het feit dat een mannelijke collega-toneelschrijver positief over een door een vrouw geschreven stuk schrijft, mag (zeker gezien de te verwachten kritiek waar de andere twee dichters op zinspelen) opvallend genoemd worden. Zo wordt Verwers toneelstuk ingeleid door een groepje dichters dat het toneel als verbindende factor heeft, maar ook 'pro-vrouw' genoemd mag worden en dat wars is van de kritiek die anderen op haar dichterschap zullen hebben.