PoŽtische dienstverlening



Tegen de achtergrond van het album amicorum zijn de verzen in de Lauerstryt te beschouwen als poŽtische correspondentie. Als een bekende in onze tijd jarig is, dan kun je hem/ haar persoonlijk feliciteren of je stuurt een kaart. In de zeventiende eeuw was een combinatie van beide ook mogelijk. Een gedicht werd voorgelezen (voorgedragen) en als geschenk overhandigd. Iets dergelijks gold voor funeraire poŽzie, hoewel vrouwen niet op een begrafenis kwamen, schreven ze wel grafdichten, en huwelijksverzen. Het grootste deel van de Lauerstryt is gevuld met dit soort gelegenheidspoezie, waarvan gezegd zou kunnen worden dat zij enigszins afwijkt van de algemene gelegenheidspoŽzie, omdat ze veelal beperkt blijft tot gedichten voor zeer huiselijke gelegenheden.
Schenkeveld- Van der Dussen definieert deze als volgt: GebruikspoŽzie voor een bepaalde gebeurtenis en gericht op een bepaald publiek. Deze poŽzie staat dicht bij het maatschappelijk leven en is niet gericht tot een kleine groep literaire fijnproevers, maar tot een grote groep meebelevers. Vaak werd zij in vriendschappelijke sfeer beoefend als sociale verplichting, dan wel als vriendendienst.
Aan deze gelegenheidspoŽzie werden - ondanks het schijnbaar 'huiselijke karakter' - wel degelijk klassiek-literaire eisen gesteld. Jonge mannen van gegoede komaf leerden op school met behulp van de Latijnse poŽticaboeken hoe hij zijn verzen retorisch moest 'verpakken'. Elk van de occasionele genres had zijn eigen specifieke retorische vorm ( Historische letterkunde , red. M. Spies, p. 75 e.v.). Vrouwen waren echter van het onderwijs in het Latijn uitgesloten, dus zij moesten met behulp van vertaalde/ Nederlandstalige voorbeelden retorische vaardigheden verwerven.
Gelegenheidsdichters hadden normaliter - en zeker wanneer ze in opdracht schreven - een tweeledige taak: ze moesten namens de gemeenschap spreken bij een bepaalde gelegenheid en tegelijk moest die gemeenschap - dmv. retorische trucs - overtuigd worden van hun gelijk( Historische letterkunde , p. 83).
Van deze twee eisen is in de poŽzie van Van der Veer (c.s) maar beperkt sprake: natuurlijk preekt ook zij het algemeen (christelijk) belang; de "aanleidingen" voor haar verzen zijn veelal persoonlijk van aard, dat wil zeggen zonder een algemeen publiek voor ogen te hebben (bijvoorbeeld de inwoners van Amsterdam) en zonder een algemene sententie (leerzame spreuk) aan het eind van een vers. Van der Veer had een bepaald (klein) publiek voor haar gedichten: familieleden en (poŽtische vrienden). Een voorbeeld: Van der Veer had een gedicht geschreven ter gelegenheid van de verjaardag van haar nicht Catharina Molensteen. Door een ongelukje is dit gedicht echter niet alleen gedoopt in het Hippocreense nat (de klassieke inspiratiebron), maar ook beland in een vat met pekel. Van der Veer vat het laconiek op: de pekel zal het gedicht wel conserveren: 'Was 't Jaargedicht op Molesteen/ niet net gedoopt in d'Hipokreen/ Dats niet: het wou een beter nat/ en in het zilte Pekel-vat/ Gedoopt zijn; om 'er geur en luyster te behouden./ Ontbreekter 't Hoefnat aan? de pekel zal 't behouden. ( Lauerstryt , p. 107.)
Dienstverlening over en weer speelt in de gedichten een belangrijke rol: verzen worden niet alleen verstuurd bij bijzondere gelegenheden, maar ook vaak als dank. Het beantwoorden van een vraag, een verleende gunst, een uitnodiging, een geschenk, het lenen van boeken, een toegezonden gedicht etc., het waren allemaal redenen om de pen te pakken en de verleende dienst te honoreren. Op deze manier werden vriendschappen gecultiveerd en in stand gehouden. In het kader van Van der Veer, lijken er naast deze dienstverlenende ook poŽtische banden te zijn, die de vriendschappen bepaalden.