Van der Veer en Questiers



Het contact met Questiers was heel hecht, (bijna) zusterlijk, dat wil zeggen: zij noemen elkaar letterlijk zuster, en verdient dan ook speciale aandacht. Het zusterlijke karakter illustreert prachtig de manier waarop de Lauerstryt tot stand is gekomen. Van der Veer vraagt zich af in een gedicht aan Questiers of de eretitel 'zuster' niet teveel eer is voor haar:
Aan juffr. Catharina Questiers. Over de naam van Zuster.

Gy schrand're maagt die my verwaardich De naam van Suster op 't papier, Verplicht my tot deez letter swier, Al praalt mijn VEER niet, o Questier Gelijk als d'uw; die vluch en te aardich De letters slingert los op 't wit, Vol mergh, vol oordeel, en vol pit, Het zy in proos of maatzang aardich; Questiers wat komt gy, my te noemen Uw zuster? Neen o neen, die eer En past noch niet aan van der Veer. Deyst achterwaarts en neemt u keer, 't Is my genoefh als ik mach roemen Te zijn uw minsten dienares: Uw zusters zijn de die en zes, Die geurig' Heliconse bloemen.'
(Bron: Lauerstryt, p. 139)

Questiers opent de bundel met een poŽticaal gedicht, waarin zij (bewust?) klassieken laat figureren om uit te leggen dat zij stopt met het (publiceren van) dichtwerk. Daarna volgen een tiental lofdichten op de bundel en dan begint de strijd tussen Questiers en Van der Veer: aan wie van hen komt de lauerkrans toe, met andere woorden: wie kan het beste dichten? Questiers opent het gesprek met: 'Kom mijn Lauren aen u schencken/ O, vriendin van my bemint/ Om my daer aan te gedencken/ Pallas lieve voesterkint.' Geheel volgens de traditie ( Spies, p. 284-285) anwoordt Van der Veer in dezelfde rijmwoorden, maar ze geeft Questiers de krans terug. Deze reageert heftig: de goden hebben Van der Veer verkoren om deze lof te krijgen. Van der Veer is echter niet onder de indruk: ze blijft de prijs afwijzen. Na flink wat poŽtisch geharrewar geeft Van der Veer tenslotte de strijd op en neemt de prijs in ontvangst, echter niet zonder Questiers het 'puykst der Lauwer-ranken' genoemd te hebben. Ze besluit het slotvers van de "lauwerstrijd" met deze regels: 'Wel, Questier, ik bid ' verschoon/ Doch mijn VEER van tegen schrijven;/ 'k Zal, zoo langh ik adem haal,/ Uw verplichte Zuster blijven/ En: d'Hemel wil maar voort en voort/ onse vriendtschap in gaan enten:/ Met een eeuwich zoet akkoordt.' Dit is meer dan zomaar een vriendschap: Van der Veer en Questiers behoren tot dezelfde poŽtische familie! Het is wel opvallend dat Van der Veer vrij laat reageert op de gedichten van Questiers, terwijl deze vaak dezelfde dag nog terugschrijft. Het is goed mogelijk dat Van der Veer de lauerkrans echt niet wil hebben en dat ze daarom de boot afhoudt, maar een andere verklaring zou de snelheid kunnen zijn, waarmee Questiers blijkt te kunnen dichten (zie ook 'Aan juffr. Catharina Questiers. Over de naam van Zuster.')
Hoe het ook zij, ook Questiers laat zich meer dan positief uit over de band met Van der Veer; in een gedicht dat zij schrijft in Van der Veers "stamboek" komt de relatie "vriendschap: meeleven" en "vriendschap: poŽtica" aan de orde. Het is interessant dit gedicht in zijn geheel op te nemen, omdat het precies het verschil tussen de twee (eerder onderscheiden) categorieŽn gedichten in de Lauerstryt aanwijst en omdat het laat zien hoe de twee vriendinnen over hun verwantschap dachten.
'Aan Juffr. Cornelia van der Veer, in haer Stam-boek.

Gy eyscht mijn oordeel in de Kunst van PoŽzy.
Ik wenschte, dat mijn Geest naar eysch die kost ontvouwen.
U gulle vrientschap perst my die in waard' te houwen.
Het oordeel staat aan elck, 't zy plomp of schrander, vry.
My dunckt, sy is in 't eerst gelijk de beere jongen,
Voor die noch weynich in die kunst gheoeffent sijn:
Zy keuren 't blinckend glas voor Diamanten schijn,
En maaken zin en maat te plomp en hart ghedwongen.
Maar door het licken van de beesige Beerin
Herformt zy eyndelijk de lompe Ledemaaten.
De Bie draagt weinig Was, noch maakt hy Honigh-raaten.
Het naarstichoordeel maackt het rijm vol geest en zin.
'Moet zijn geklopt, gevijlt, gesuyvert, en gesleepen,
't Polijstrat moet aan 't werck met scharpe Amaril,
En Pallas Oly vet besmeert; zoo wert de wil
Gedreeven, als het rat, door lust en yver zweepen.
Dees roembr'e weetenschap wort van ons bey bemint.
Dees yver noopt ons breynmet prickelende spooren.
Dees kunst komt onse borst met minne-vuer bekooren,
En maakt, dat ons de bant van vriendtschap vaster bint.
Kom streef met my vol moet naar Pindus hooge toppen,
Al viel Bellerophon zoo plotselingh ter aart
Van zijn gevleugelt Ros, weest daarom niet vervaart,
Sijn lust tot wijsheydt kon de bitze monden stoppen.
Misluckt ons ook die reys, wy sijn 't dan niet alleen:
Veel mackers in verdriet maakt minderingh van smerte,
Hy heeft genoegh gedaan, die toonde metter herte,
Dat hem zijn lust en geest dreef booven het gemeen.'
Catharina Questiers.
Bron: Lauerstryt , p. 27-29

Dit gedicht vertolkt duidelijk poŽticale opvattingen die door zowel Questiers als Van der Veer werden gedeeld. Blijkens de eerste regel heeft Van der Veer gevraagd om Questiers oordeel over bepaald (eigen?) dichtwerk. Questiers benadrukt dat een evenwichtig oordeel alleen geveld kan worden door een gevorderd dichter. En aan gedichten moet heel wat worden gesleuteld voor zij gepubliceerd kunnen worden. Schrijven is schrappen en dat weet ook Van der Veer. Beiden zijn erg in dichten geÔnteresseerd en dit maakt 'dat hen de bant van vriendtschap vaster bint'! Ze kunnen elkaar stimuleren om goede dichters te worden en ach, als dat mocht mislukken hebben ze in elk geval elkaar nog: 'Veel mackers in 't verdriet maakt minderingh van smerte.' Ziehier verwoord hoe iemand schrijft uit poŽticale verwantschap. De slotregels van Questiers gedicht zijn moeilijk mis te verstaan: dichten is een zaak van hoger orde. Dat beaamt ook Van der Veer in een verjaarsgedicht op Questiers:
'Ik doop mijn Veeder dan in d'heylghe Hipokrene,
Die gulde en dierbre vogt by ons zoo hoogh geagt:
En offer z'u terwijl uw Jaar-dach is geschene;
Waer door de vlugge tijdt my weder maakt verdagt
Om dankbaerlijk mijn plicht in wensingh u t'ontmoeten:
d'Onwelkbre vriendtschap eyscht met heyl elkaar te groeten.'
Lauerstryt , p. 33-35.

Het contact met Questiers bleek onnavolgbaar, want toen Van der Veer na haar dood met de jonge dichteres Katharina Lescailje iets dergelijks probeerde op te bouwen, liep dat reeds snel stuk