De schonckensonnetten



Toen Huygens zich in 1612 klaarmaakte om als secretaris van een gezantschap naar Engeland te gaan, zond Hooft hem een sonnet, waarna Huygens als antwoord een sonnet aan Hooft stuurde met hetzelfde rijmschema en waar ook het woord 'schoncken' in voorkwam. Later deden Tesselschade en Anna Roemersdr. Visscher, Jacob van Brosterhuysen en George Doublet ook aan dit literaire spel mee (Agnes Sneller en Van Marion, 1994, p. 24). De schonckensonnetten zijn uiteindelijk opgenomen in de bundel Otia (1625) van Huygens.

In vergelijking met De Knipzang lijkt er hier geen sprake te zijn van een van tevoren geregeld spelletje: Anna Roemersdr. Visscher reageert als eerste en blijkbaar op eigen initiatief. Hierna volgen haar zuster, Van Brosterhuysen en Doublet (beide vrienden van met name Huygens). Blijkbaar was het gewoon dat de dames in dit gezelschap op eigen initiatief dichtten, daar waar bij de Knipzangers bijvoorbeeld Van Weert nog uitgenodigd moest worden. Enige voorzichtigheid is hier wel bij geboden: Van Weert kan bijvoorbeeld uit bescheidenheid gewacht hebben tot ze gevraagd werd. Waarschijnlijk genoten de zussen Visschers een zeker aanzien in tegenstelling tot Van Weert. Damsteegt (1980) geeft aan dat Anna bovendien Hooft en Huygens op het idee van de gedichtenwisseling heeft gebracht. Hij gaat ook in op het verschil in toon tussen de bijdragen van de vrouwen en de mannen aan de schonckensonnetten. Interessant voor ons is de nadruk die Anna legt op 'vriendschap', daar waar de mannen elkaar de lof toezingen. Anna is verheugd dat zij twee zulke dichters als vriend heeft en dat de twee dichters zelf, door haar toedoen, bevriend zijn geraakt. Een vrouw noemt zichzelf hier dus 'een vriend' van haar dichtende collega's, die overigens niet de minsten zijn. Van onderdanigheid ten opzichte van de mannelijke dichters lijkt hier geen sprake. Dit past ook bij het al eerder genoemde aanzien dat de beide zussen hadden. Bij de Knipzang wordt het woord 'vriend' door niemand gebezigd.

Bij de schonckensonnetten lijkt het kortom meer te gaan om het op eigen initiatief etaleren van het eigen dichterschap ('Kijk eens hoe knap ik een variatie op het thema kan schrijven.') waar het bij de Knipzangers meer om een gezelschapsspel zonder al te hoge literaire pretenties gaat.