Theorievorming



Netwerken en vriendschap
Het woord vriendschap is al eeuwen oud. In de loop der tijden is de betekenis ervan echter niet steeds gelijk gebleven. In de vroegmoderne tijd duidde het niet zozeer een affectieve relatie aan, als wel een verhouding waarbinnen wederzijds dienstbetoon een centrale rol speelde (Kooijmans 1997; Stegeman 1996, p.115-116). Het hebben van een vriendschappelijke relatie bracht bepaalde rechten en plichten met zich mee. Door het bewijzen van een dienst aan de ander bouwde men krediet op. De familie speelde in dit kader een belangrijke rol; veel vrienden waren ook verwanten.
Deze min of meer zakelijke vriendschappen had men nodig om zich staande te houden in een turbulente periode. Het hebben van een vriendschappelijke relatie stabiliseerde iemands maatschappelijke positie.
Ook binnen de geleerdenwereld van universiteit waarborgde vriendschap ook de communicatie. Men was het aan elkaar verplicht zijn bevindingen bekend te maken. Dit kon door ze te publiceren in een tijdschrift of boek, maar, wat veel gebeurde, ook per brief. Zo hielp men elkaar aan benodigde boeken en manuscripten, aan nieuws en recommendatiebrieven.
Het was voordelig hierin toeschietelijk te zijn, omdat dan een welwillende houding van de ander als beloning verwacht kon worden. Een uitgebreid netwerk van contacten was niet alleen nuttig; wanneer een hoge functie op het oog had, waren aanbevelingsbrieven van hooggeplaatsten noodzakelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige geleerden er een uitgebreide 'vriendenkring' en correspondentie op na hielden, die in sommige gevallen tot over de landsgrenzen reikte. Overigens sprak men over deze zakelijke relaties in affinitieve termen, dit om de gelijkwaardigheid van de partners en het vriendschappelijke kader te benadrukken.

De geleerdenmaatschappij was een mannenmaatschappij. Vrouwen waren uitgesloten van de universitaire wereld en moesten daarom elders intellectuele steun van anderen zoeken. Eerder onderzoek toont aan dat veel intellectuele vrouwen een mannelijke mentor of 'supporter' hadden (Lerner 1993, p.223). Deze man kon hun echtgenoot zijn of een ander familielid. Soms publiceerden zij ook onder hun mans naam. Ook vormden zich rond bepaalde Renaissance-hoven en families clusters van geleerde vrouwen. Deze vrouwen, vaak onderwezen door vader of broer, gaven de opgedane kennis weer door aan hun dochters.
In de 17de eeuw ontstonden de eerste 'affiniteits-clusters': groepen van vrouwen die geÔnteresseerd waren in literatuur, religie, filosofie en onderwijs. Sommige van hen waren bevriend en onderhielden contacten met een wijde kring van intellectuelen. Met de term 'Bluestockings' werd een groep vrouwen aangeduid die regelmatig bij elkaar kwamen in 'kabinetten' of 'salons'. Hier maakten zij het voor intellectuele mannen en vrouwen mogelijk om elkaar te ontmoeten en ideeŽn uit te wisselen.
Uit onderzoek naar relaties tussen vrouwen in de 18de eeuw blijkt dat er hartstochtelijke vriendschappen tussen vrouwen hebben bestaan (Everard 1994, p.30). Deze vriendschappen, waarvan Betje Wolff en Aagje Deken een mooi voorbeeld zijn, kenmerkten zich door trouw, gelijkwaardigheid van de partners en een streven naar zielsgemeenschap. Overschaduwde in de relaties tussen mannen in de vroegmoderne tijd het eigenbelang de affectie, bij vrouwen waren deze twee waarschijnlijk ten minste even belangrijk, of prevaleerde zelfs de liefde, emotionele band boven het materiŽle nut dat een relatie kon geven.