De vrijheid van Katharina Lescailje



De zelf ongetrouwde schrijfster doet in diverse gedichten uitspraken over de gebondenheid van het huwelijk. Zo spreekt ze in een huwelijksgedicht voor Willem van Zon over 'de slaafsche huw'lyksband' (deel II, p. 71). Ook in een tweede gedicht ter ere van Van Zons huwelijk met Helena van der Hek, reageert Lescailje verbaasd op het feit dat haar vriend zijn vrijheid opgeeft.
In de mengeldichten is het intrigerende gedicht Klachten aan myn afweezende Feizant (deel 1, p. 287-289) opgenomen. Ook in dit gedicht refereert Lescailje aan de beknotting voor vrouwen van het huwelijksleven. Termen als 'vastgezet', 'streng gekluisterd' en 'gevangen' geven de toon aan van dit gedicht, waarin Katharina zich beklaagt over het feit dat zij Feizant al geruime tijd (waarschijnlijk sinds haar huwelijk) niet meer heeft gezien. Wellicht heeft de echtgenoot van Feizant vr zijn huwelijk beloofd dat Lescailje en Feizant elkaar konden blijven ontmoeten. Dat het na de huwelijksvoltrekking anders uitpakt, heeft misschien ook te maken met de geografische afstand tussen beide dames. Feizant was niet in staat op eigen gelegenheid Lescailje te bezoeken omdat het voor vrouwen ongebruikelijk was alleen te reizen. Het gedicht doet vermoeden dat de echtgenoot van Feizant zijn vrouw na de huwelijksvoltrekking beperkingen heeft opgelegd wat betreft haar vrijheid. Opvallend zijn de dichtregels waarin Lescailje haar vriendin aanraadt:
Zoek uwe vryheid wer te vinden.
Vlieg van zyn tafel, huis en oog,
Of uit de handen van zyn vrinden,
Bedrieg hem die u eerst bedroog.

(Katharina Lescailje, deel 1, p. 288)
In deze dichtregels adviseert Lescailje de 'afweezende Feizant' om haar echtgenoot met gelijke wapens te bestrijden en wellicht zo een bezoek te bewerkstelligen. Zinsneden als 'tierannig', het 'onverdraagelyke juk' en 'dat ge als voet-en handveeg dient' schetsen verder ook niet een bepaald rooskleurig beeld van het huwelijksleven van Feizant. In de laatste regels va het gedicht raadt Lescailje haar vriendin aan om zicht, zoals een goed echtgenote betaamt, edelmoedig op te stellen in haar huwelijk en zo haar lot te dragen:
Doch neem, zo hem uw be verstoort,
Geduld, en laat hem triomfeeren
Met iets dat hem niet toebehoort,
en zonder luister is gewonnen:
Blyf edelmoedig in zyn band.
.
(Katharin Lescailje, deel 1, p. 289)
Nu is het niet altijd even eenvoudig om de gedichten uit de Tooneel- en Mengelpozy te doorgronden, want de teksten zijn doorspekt met beeldspraak en stijlfiguren. Aan de ene kant vind je in Lescailjes woorden de retorica van haar tijd terug, gefundeerd op de Bijbel en de mythologie. Aan de andere kant komt er uit de gedichten ook een beeld naar voren van een vrouw die erg gehecht was aan haar zelfstandigheid. Dit wordt ondersteund door het gegeven dat Katharina ongetrouwd bleef, en zelfstandig de zaak van haar vader overnam. Deze onafhankelijke positie was voor een vrouw alleen denkbaar als zij ongetrouwd was of als weduwe het bedrijf van haar overleden man voortzette.
In de zeventiende eeuw lag de eerste taak van vrouwen binnen het huwelijk: in het huishouden en in de opvoeding van het nageslacht. Getrouwde vrouwen konden dus alleen schrijven als zij hun traditionele taken niet verwaarloosden. Ongebondenheid betekende op die manier meer kansen op een artistieke loopbaan. De drie delen van de Tooneel- en Mengelpozy tonen Lescailjes enorme produktiviteit op dit gebied. De vele namen van belangrijke personen (veelal mannen) die we tegenkomen in de index van haar verzameld werk, geven aan dat ze in een wijdvertakt literair netwerk functioneerde. De lofdichten die op haar werk zijn verschenen, tonen op hun beurt weer aan dat zij in deze kringen ook zeer gerespecteerd werd. Deze positie heeft Katharina Lescailje alleen kunnen bekleden omdat zij als zelfstandige vrouw kon functioneren, zowel op het artistieke vlak als in de uitgeverswereld. Vanuit dat gezichtspunt is het begrijpelijk dat Lescailje veel waarde hechtte aan het begrip 'vrijheid', en hier ook op zinspeelde in gedichten die ze voor haar vrienden maakte.