Goudina van Weert en Hieronymus Sweerts, een utilitaire vriendschap



GEDICHTEN AAN VAN WEERT
In de bundel Alle de gedigten staan vier gedichten van Hieronymus Sweerts aan Van Weert. In het eerste gedicht, 'Tijd-snippering, aan juffrou Goudina van Weert' (p. 172-174), spoort hij Van Weert, die blijkbaar een tijdelijk 'writersblock' had, aan om vooral weer te gaan dichten. Enerzijds omdat hij het zonde vindt dat zij 'de veelheid van haar gaven' verwaarloost, anderzijds omdat het bijna winter wordt en er buiten niets meer is dat haar 'maagdeborst zal verfrissen'. In de laatste strofe besluit hij met de volgende woorden:
Wel Nimf, volg aan myn raad, verkies de kostle konst
Van duitsche poëzy; laat die u pen ontspatten.
De vrost [vorst] heeft op de vliet [stroom] van Hipocreen geen vatten.
Wel, zo dan bidden helpt, ik bidde om deze gonst.
Sweerts gebruikt twee keer het woord 'maagd'. In de eerste strofe heeft hij het over Van Weerts 'maagde-veer' en in de tiende strofe dus over haar 'maagdeborst'. De link die Sweerts dan legt met de winter, is interessant. De maagd [Van Weert] heeft een tijd lang niet meer geschreven, wat Sweerts bijzonder betreurt, gezien haar 'veelheid van gaven'. Nu het winter wordt (met andere woorden: nu zij ouder wordt) is er weinig meer dat een maagd zal amuseren. Sweerts raadt haar aan om vooral de pen weer ter hand te nemen, omdat de winter [de ouderdom] geen vat heeft op de dichterlijke aderen en het dichten haar waarschijnlijk wel zal amuseren. We weten niet of Van Weert getrouwd is geweest, en het is dus goed mogelijk dat zij haar hele leven een vrijgezel en dus maagd is gebleven, zoals Sweerts hier lijkt te suggereren.

Het volgende gedicht, 'Request aan juffrou G. van Weert' (p. 201-202) is een verzoek aan Van Weert om als scheidsrechter op te treden. Sweerts heeft met een aantal helaas onbekende dichters acht gedichten geschreven en vraagt Van Weert of zij wil beoordelen wie van hen de Lauwerkroon mag ontvangen. Waarom Sweerts zich in deze kwestie tot Van Weert wendt, blijkt uit de eerste strofe waarin hij schrijft dat de 'prille zanggodinnen' haar meer beminnen dan dat zij het goud van Osiris beminnen. Met andere woorden: de muzen zijn meer gesteld op deze dichteres dan het goud van een Egyptische koning. Waarschijnlijk is Sweerts hier geïnspireerd door de voornaam van Van Weert waarin het woord 'goud' in voorkomt. Woordspelingen met haar voornaam komen ook in andere gedichten van Sweerts voor. Sweerts vraagt een gunst van Van Weert en om haar mild te stemmen, krijgt ze in de eerste strofe een mooi compliment: niemand anders dan de muzen zijn het vrouwelijke lezerspubliek van Van Weert.

Uit 'Aan juffrou Goudina van Weerd, over het stellen van haar naam in 't Knipversje, die ik belooft had, na haar wil, te verzwijgen' (p. 215-216) blijkt dat Sweerts waarschijnlijk één van de initiatiefnemers is geweest voor het schrijven van 'De Knipzang' en het lijkt erop dat hij Van Weert persoonlijk heeft gevraagd eraan deel te nemen. Blijkens de inhoud van het gedicht heeft Van Weert aan Sweerts gevraagd of hij haar naam niet onder haar knipversje wilde zetten. Dat dat uiteindelijk toch is gebeurd, komt omdat Sweerts onder druk is gezet door 'een bende die hem kwam verkrachten'. Uit wie die bende bestond, is niet met zekerheid te zeggen, maar in de volgende regels is sprake van een priester. Wellicht is dit Sandérus die ook deelnam aan 'De Knipzang' en dominee in de Bilt was. Sweerts betreurt het ten slotte dat hij haar vertrouwen heeft geschonden, en vraagt om haar vergeving.

Het laatste gedicht aan Van Weert, 'Offer aan juffrou Goudina van Weert' (p. 217-218), hoorde bij een aantal gedichten dat Sweerts Van Weert aanbood, want de drempel van haar huis 'past [niemant] te naren,/Als met een gift die u behaagt'. Hij vraagt haar niet al te nauwgezet de gedichten te beoordelen, want 'Een wereltling ziet op de driften,/Maar hemelingen op de driften,/Die in het herte zyn gehuyst.' Met andere woorden: dit geschenk komt recht uit zijn hart.

Een utilitaire vriendschap
De relatie die uit deze gedichten spreekt, lijkt er één te zijn waarbij Sweerts als stimulator optrad, zoals dat wel vaker in de zeventiende eeuw gebeurde (Lerner, 1993, p.221) (zie ook relaties). Hij spoort Van Weert aan om de pen weer op te pakken en vraagt haar daarnaast of zij wil deelnemen aan 'De Knipzang'. In tegenstelling tot de gevallen die Lerner beschrijft, is de stimulator hier geen familie of echtgenoot, maar waarschijnlijk een (literaire) vriend en buurtgenoot. Het lijkt er ook niet op dat Van Weert afhankelijk was van Sweerts, in het geval van het 'Request' stelt Sweerts zich zelfs afhankelijk van Van Weert op.

Bijzonder is, dat waar in de zeventiende eeuw meestal de mannen als corrector of adviseur van vrouwengedichten optraden (Met en zonder lauwerkrans, 1997, p. 87), hier een vrouw gevraagd wordt mannenwerk te bekritiseren. De bewondering die Sweerts voor het werk van Van Weert heeft, lijkt los te staan van het feit dat zij een vrouw is. Daar waar hij in een gedichtje voor Van der Veer ('Titel van Juffrou Kornelia vander Veer' (p. 101)) nog haar uiterlijk en deugd roemt en de manier waarop zij het huis bestiert, lijkt het bij Van Weert meer te gaan om haar kwaliteiten als dichteres. Zo heeft hij het in de 'Tyd-snippering' over haar 'trotze maagde-veer' en noemt hij haar brein een 'Goude Myn'. In het 'Request' bestaat haar lezerspubliek uit niemand minder dan de zanggodinnen en in het gedichtje over het opnemen van haar naam onder het knipversje, noemt hij haar vers volmaakt. Er wordt slechts één keer verwezen naar haar uiterlijk (in het 'Request' wordt ze een 'Weerdig Beelt' genoemd).

Het contact tussen Sweerts en Van Weert dat uit de hierboven besproken gedichten blijkt, lijkt een vriendschapsrelatie tussen twee dichters te zijn zoals Stegeman (1997) die in haar proefschrift tussen geleerden beschrijft (met die beperking dat Sweerts en Van Weert geen geleerden zijn). Ondanks de beperktheid van het materiaal (een gedicht van Van Weert aan Sweerts zou erg nuttig zijn geweest voor het onderzoek) meen ik te mogen concluderen dat het hier gaat om twee dichters die elkaar diensten bewijzen zoals het meedoen aan een 'dichtspelletje' en het beoordelen en stimuleren van elkaars werk. Dit alles om te zorgen dat beiden, afzonderlijk en gezamenlijk, werk konden publiceren. Op deze manier gesteld, lijkt de relatie tussen Sweerts en Van Weert een utilitaire vriendschap (deze term is afkomstig van Stegeman, 1997): een zakelijke relatie die voor beiden profijt opleverde en die het waard was in stand te houden, door bijvoorbeeld het brengen van een offer in de vorm van enkele gedichten (zie ook: Kooijmans, 1997). Het doel van hun vriendschap lijkt dan ook het motiveren en bevestigen van elkaars dichterschap, onder meer via het vergroten van elkaars netwerken.