Willem van Zon en Helena van der Hek



Uit de index van de Tooneel- en Mengelpoëzy blijkt een duidelijke connectie van Katharina Lescailje met Willem van Zon (domheer van Oud Munster) en zijn echtgenote Helena van der Hek. In 1687 maakte de schrijfster twee bruiloftsgedichten voor dit echtpaar. Maar ook in de rest van het werk komen we de naam Van Zon regelmatig tegen. Zo schreef Lescailje in de zomer van 1690 gedichten op de afbeelding van beide echtelieden. Blijkbaar logeerde Lescailje op dat moment bij het echtpaar van Zon, want de gedichten zijn ondertekend op Doornburg, het bij Maarssen aan de Vecht gelegen buitenhuis van Willem van Zon. In het eerste deel van de Tooneel- en Mengelpoëzy vinden we nog meer sporen van Lescailjes verblijf op Doornburg. In lyrische verzen wordt het lusthof voor de eigenaar Willem van Zon bezongen. Ook is er een gedicht uit 1682 gewijd aan Lescailjes vertrek van Doornburg. Verder vinden we het ongedateerde gedicht Op een kipje; verdronken op Doornburg aan de Vecht. In de genoemde gedichten wordt, met behulp van de nodige beeldspraak en stijlfiguren, de landeljke omgeving van het buitenhuis geprezen en wordt de eigenaar bedankt voor zijn gastvrijheid. Deze lofzangen vinden plaats in vrij algemene bewoordingen. Het is moeilijk om uit de gedichten op te maken wat de precieze aard was van de relatie tussen Katharina Lescailje en Willem van Zon. In het oeuvre van Lescailje vallen de gedichten voor Van Zon voornamelijk op door het grote aantal dat is opgenomen.

In het eerste deel van de Tooneel- en Mengelpoëzy zijn maar liefst zeven verjaardagsgedichten voor leden van het gezin van Willem van Zon opgenomen.
In1688 schreef Lescailje drie gedichten op de eerste verjaardag van de oudste dochter, Joanna Louize van Zon. Zowel de jarige als de beide ouders werden door de dichteres met een gedicht vereerd. Dat de relatie van Katharina Lescailje met de familie Van Zon niet van korte duur was, bewijst een gedicht uit 1708 ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van Joanna Louize.
De felicitatie voor de eenjarige Helena van Zon, uit mei 1690, herinnert volgens Lia van Gemert (Met en zonder lauwerkrans, p. 398) aan Vondels lijkdicht Constantijntje, 't zalig kijntje, vooral in ritme en verkleinwoorden. Uiteraard kiest de schrijfster een luchtiger toon: ze profeteert dat het meisje uiterlijk en innerlijk even volmaakt zal worden als haar 'schoone Naamgenoot', haar moeder Helena van der Hek.
Op de tweelingzusjes Izabella Jacoba en Sara Maria van Zon heeft Lescailje in 1692 een gedicht gemaakt ter gelegenheid van hun 'halve jaargety'. In 1693 schreef ze een verjaardagsdicht ter ere van de eerste verjaardag van de 'tweelingzonnen'. Een grafdicht van Lescailje uit 1711 herinnert aan de vroege dood van Izabella Jacoba.

Behalve de verjaardagsgedichten zijn er nog zes mengeldichten in de Tooneel- en Mengelpoëzy opgenomen die betrekking hebben op de familie Van Zon, waaronder een opdracht aan Willem van Zon bij Lescailjes treurspel Genserik en een opdracht aan Helena van der Hek bij het treurspel Wenceslaüs.

Uit bovenstaande gegevens kunnen we voorzichtig concluderen dat er sprake was van vriendschappelijke betrekkingen tussen Katharina Lescailje en Willem van Zon en zijn gezin. In de gedichten refereert Lescailje enige malen direct naar deze vriendschap. In het huwelijksgedicht dat zij in 1687 op het huwelijk van Willem van Zon en Helena van der Hek maakte, zegt ze: 'zy (Katharina) voelt haar van uw vriendschap aangedreeven...' en in het grafdicht dat Lescailje maakte op de vroege dood van de dochter Izabella Jacoba vermeldt ze: dit 'treft myn teêrgevoelig harte, dat deelt in uw verdriet en smarte'. Ook in de laatste regels van dit gedicht heeft de dichteres het over het delen van smart, een emotie die exclusief verbonden lijkt met vriendschappelijke, persoonlijke gevoelens.

Het gedicht voor Willem van Zon 'Na mijn vertrek van Doornburg' stamt uit 1682, dus vijf jaar voor zijn huwelijk met Helena van der Hek. Ook de opdracht bij Lescailjes treurspel Genserik (1685) dateert van voor zijn huwelijk. In dit gedicht vraagt Katharina om een reflectie op haar werk:
Gy die de Dichtkunst kent in veelerleije taalen,
Die zelf haar licht moet van uw schrander oordeel haalen,
Wyst best my aan waar 't spoor der Fransche deftigheên
Is wel, of kwaalyk op myn dichtmaat naargetreên.
(Katharina Lescailje, deel I, p. 321-322)

Zij durft dit blijkbaar aan hem te vragen:
(...) dewyl ik weet dat gy
Vaak achting toonde voor myn Duitsche Poëzy.
(Katharina Lescailje, deel I, p. 321)

In het vervolg van het gedicht spreekt Lescailje de hoop uit dat Van Zon haar werk zal goedkeuren. In een artikel in Vooys 1994, p. 73) bespreekt Lia van Gemert het vrouwelijk bescheidenheidstopos. Ze geeft aan dat veel vrouwen hun eigen poëtische gaven bagatelliseerden. Men kan zich hierbij de vraag stellen of dit een verplicht betoon van nederigheid was in de door mannen gedomineerde Republiek der Letteren, of een werkelijk gevoel de mindere te zijn. Ook in het geciteerde gedicht van Lescailje kan men zich afvragen met welke reden de schrijfster Willem van Zon om raad vroeg. Ook hier kunnen we te maken hebben met bescheidenheidsformuleringen. Lescailje geeft Van Zon in ieder geval een soort mentorfunctie door haar werk aan hem voor te leggen. Uit de woorden van Katharina valt af te leiden dat Van Zon een literair onderlegd man geweest moet zijn. Helaas wordt Willem van Zon niet genoemd in de naslagwerken van Te Winkel en Van der Aa. Het is niet duidelijk of hij zélf ook schreef. Er zijn zover wij weten geen publikaties van hem bekend. Maar zijn literaire kennis was blijkbaar zó groot dat hij Lescailje kon adviseren inzake haar vertaling van het toneelstuk.
In het lofdicht dat Lescailje maakte op Doornburg beschrijft ze het buitenhuis van Willem van Zon als 'Hengstebron' en 'Hippokreen'. In de Griekse myhologie dronken de Muzen en dichters uit deze bron, die dichterlijke vervoering schonk. Van Zon wordt in dit gedicht als mecenas opgevoerd, die de dichteres inspiratie schenkt:
Uw borst is my een Hengstebron,
En streeft de Hippokreen te boven;
Gy myn Parnas, ô Eer der hoeven !
waar op uw Voedsterheer, uw zon,
Zal, als Apol, myn dichtlust wekken,
En voor Mecenas my verstrekken.
De vriendschap tussen Willem van Zon had dus voor een belangrijk deel een literaire functie. De dichteres zoekt ondersteuning, advies en inspiratie bij Van Zon, die zij beschrijft als een literair onderlegd man. Ook in het huwelijksgedicht dat Katharina in 1687 schreef voor Willem van Zon en Helena van der Hek besteedt de schrijfster aandacht aan de literaire interesse van de bruidegom:
Zy zingt: Wat wonder dat van Zon meê kan beminnen!
Dat hy beheerschen laat de vryheid van zyn zinnen,
En onverschillend hart! dat hart gewoon voorheen,
In letteroeffening, de wysheid naar te treên,
En, onvermoeid van haar eerwaardig vuur aan 't blaaken,
Zich in zyn boekvertrek alleenlyk kon vermaaken....
(Katharina Lescailje, deel II, p. 67)

In deze passage spreekt Katharina tevens haar verbazing uit over het feit dat Willem van Zon zijn vrijheid opgeeft. Ook in het tweede huwelijksgedicht refereert de schrijfster aan waarschijnlijk eerder gedane uitspraken van Van Zon over zijn vrijheid en ongebondenheid:
Gy die alleen maar in uw vryheid schiep behaagen,
O schrandere Van Zon! Gewoon in deezen stand,
De min te haaten, en de slaafsche huw'lyksband
Belagchende yder die van liefde kwam te klaagen.
(Katharina Lescailje, deel II, p. 71)

We kunnen ons natuurlijk afvragen in hoeverre een man zijn vrijheid opgaf door te trouwen. In ieder geval waren de gevolgen va de echtelijke staat voor mannen veel minder groot dan de consequenties die deze verbintenis had in een vrouwenleven.
Het is duidelijk dat Katharina Lesquailje erg op haar vrijheid en zelfstandigheid was gesteld. De zelf ongetrouwde schrijfster doet ook in gedichten voor anderen uitspraken over de gebondenheid van het huwelijk.

Het is niet duidelijk of Willem van Zon na zijn huweljk de rol van mecenas handhaaft. De gedichten waarin de schrijfster hem deze rol toebedeelt of om een reflectie op haar werk vraagt, stammen uit de tijd vóór zijn huwelijk. Uit de datering van de overige gedichten blijkt dat de contacten tussen Lescailje en Van Zon in ieder geval tot 1708 (drie jaar voor Lescailjes dood) voortduurden.