Samenvatting

Hendricus (Henricus) Pieters Veuger <VI-13>, koopman, kruidenier, was een zoon van Pieter Hendriks Veuger <V-9> en Geesje Broekhuizen, ged. Meppel 5.6.1786, overl. St.Maartensbrug 27.1.1847, tr. Neeltje Blaauboer Ruinerwolde 24.12.1827 (get. Jan Veuger, 44 jaar, broeder, zilversmid, Meppel; Peter Bot, 40 jaar, koopman, Meppel; Berend Heines, 38 jaar, schoolonderwijzer, Meppel; Hendrik Kuiper, 41 jaar, schoolmeester, Ruinerwold; ouders van de bruid gaven toestemming per notariŽle acte), do. van Gerrit Blaauboer, koopman en burgemeester, en Yda 't Hart, geb. St.Maartensbrug 22.12.1809, overl. St.Maartensbrug 22.5.1856. 12 kinderen. Testament opgemaakt op 5.12.1828 bij notaris Siemers te Schagen. Zie voor de voorouders van Neeltje Blaauboer: Piet Dekker (1966), "Willem 't Hart 1750-1830. Een Zijper zeevaarder in de nadagen der Republiek", Europese bibliotheek, Zaltbommel; en Piet Dekker (2004), "Een 'gulden snede', door het Zijper geslacht Blaauboer met de verwante families Jimmink, Veuger en Lanser", Pirola. In dat laatste boek staat op p462-472, een uitgebreide beschrijving van het leven van Hendricus Veuger, op p509-529 wordt de inboedel van de kruideniersnering in het Hooge Huijs in St-Maartensbrug compleet beschreven aan de hand van de boedelscheidingen op 2.7.1847 (na het overlijden van Hendricus) en op 27.6.1856 (na het overlijden van Neeltje). Het nageslacht van Hendricus en Neeltje in de Zijpe krijgt eveneens veel aandacht in dat boek.

Geschilderd portret van Hendricus Veuger,
omstreeks 1805 toen hij zich in Amsterdam vestigde.

Hendricus of Henricus Veuger, werd samen met zijn tweelingzuster Zwaantje in 1786 in Meppel geboren. Zij waren de jongsten van het gezin. Van Zwaantje weten we verder niets. Hendricus bleek een ondernemende jongeman. Hij vestigde zich al vroeg in Amsterdam, want op 23 april 1805 deed hij daar als negentienjarige belijdenis. Hij woonde toen aan de Heerenmarkt (tussen het West-Indisch Huis en de Brouwersgracht) in een kelder. [op 20.10.1809 was hij ws. getuige bij de doop van Hendericus Johannus, zoon van Hendrik Kuhlman en Helena van Haarst, DTB 36 p.314 fol 155v]. In 1816 wordt als woning de Haarlemmerdijk 327 genoemd (is nu Haarlemmerstraat 11). In 1819 woonde hij daar als commissionair ook, tesamen met hoofdbewoner kruidenier Evert Stoffels met 6 kinderen, en kruideniersbedienden Bosch en Kreuts. In datzelfde jaar werd hij, 33 jaar oud, vrijgesteld voor de schutterij wegens een 'ongemak aan 't been' [Zie Piet Dekker (2004), "Een 'gulden snede'", p463]. Vierentwintig jaar bleef hij in Amsterdam wonen, maar op 10 augustus 1829 vertrok hij met attestatie naar de Zijpe, en stond daar later bij zijn nazaten bekend als 'de rijke jongeling'. Hendricus woonde inmiddels in een een deel van een fraai 18e-eeuws pand op de Haarlemmerstraat 303 (nu nummer 83); hij heeft dus steeds in hetzelfde gedeelte van Amsterdam gewoond. Het was een goede woning want hij betaalde er f 100 per jaar voor. Hoofdhuurder was W.Bert die 300 gulden per jaar betaalde. Tussen 1805 en 1829 speelde zich het nodige af in het Amsterdamse leven van Hendricus.

Haarlemmerstraat 9-15. Het 
tweede pand van links is nr. 11.
Onderbouw is restaurant -
snackbar 't Eethuisje.
Haarlemmerstraat 81-91. Het 
tweede pand van links is nr. 83. 
De onderbouw is vernieuwd in 
Art-Deco stijl. 
Opnames 1956, uit de Beeldbank, Gemeentearchief Amsterdam

Een interessant feit is dat Hendricus lid werd van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge "La Paix". Hij moet dat als een stap in zijn persoonlijke ontwikkeling hebben beschouwd, maar daarnaast kreeg hij ook toegang tot een interessant en nuttig netwerk van intelligentsia, kooplieden en kunstenaars. Hij werd op 15 december 1816 in de meestergraad ingewijd, en in op 10 oktober 1821 zelfs in hogere graden zoals die van de Rozenkruizers. Ook oefende hij later een bestuursfunctie uit (hofmeester), maar trad in 1823 op eigen verzoek weer uit. Naar de redenen kunnen we slechts gissen. Waren het de verplichtingen van de hogere graden, het bestuurslidmaatschap, of had het te maken heeft met het overlijden van zijn moeder Geesje Broekhuizen, op 26 januari 1822, en een erfenis (zijn vader was al in 1817 overleden)? Uit de notulen van La Paix (onderzoek Andrea Kroon, zie onder) blijkt dat hij regelmatig als "commissionair" op reis was, en zelfs "overzee". Uit deze tijd zijn nog steeds verschillende vrijmetselaarsattributen in de familie bewaard gebleven. Ook het bovenstaande portret moeten we waarschijnlijk in die periode dateren, de kleding is typisch vroeg 19e eeuws. 

Het kan zijn dat Hendricus zo druk met zijn koopmanschap bezig was dat trouwen in die periode secundair voor hem was. Maar rond 1827 verandert dat toen hij, mogelijk in Amsterdam, zijn toekomstige vrouw Neeltje Blaauboer ontmoette. Zij was toen nog slechts een meisje van zeventien jaren en Hendricus al veertig. De burgemeestersdochter raakte zwanger van hem. Het moet een turbulente tijd zijn geweest en de relatie heeft in St.Maartensbrug zeker opzien gebaard. [Maar was het echt onverwacht en Neeltje was eigenlijk geen wilde meid? Ze kreeg al in 1826, toen ze 16 jaar was, een onechte zoon Gerrit die maar vijf dagen leefde. Het lijkt er op dat het avontuurlijk bloed van haar voorouders ook door haar aderen stroomde.] In 1827 trouwde het paar, twee dagen na Neeltjes achttiende  verjaardag vlak voor Kerstmis in Ruinerwold onder Meppel, volgens de akte de toenmalige (tijdelijke?) woonplaats van Hendrik. Daarbij waren Neeltje's ouders niet aanwezig. Gerrit Blaauboer en Yda 't Hart gaven per notariŽle acte toestemming voor het huwelijk van hun minderjarige dochter. Neeltje was op dat moment hoogzwanger van haar zoon Gerrit, die twee maanden later op 15 februari 1828 geboren zou worden in het huis van Hendrik's broer Jan in Meppel (wijk 10 no 749, het huis waar eerder zijn ouders waren overleden). Het jaar daarop werd de tweede zoon Pieter op 27 april 1829 in de Zijpe geboren (aangifte door Hendricus). In de tussentijd moet het gezin naar St.Maartensbrug zijn verhuisd (alhoewel Hendricus pas op 10 augustus 1829 met attestatie uit Amsterdam vertrok). Hendricus werd er winkelier in het Hooge Huijs, dat nog steeds op de hoek van de Grote Sloot en de Egalementsloot te vinden is en een grote historische waarde heeft. Het huis behoorde in die tijd aan Gerrit Blaauboer. Het werd in 1601 als 'Gemeenlants Boode Huijs' gebouwd, kort na de inpoldering van de Zijpe in 1597, zie Piet Dekker, 'Oude boerderijen en buitenverblijven langs de Zijper Grotesloot', en het eerder genoemde boek Piet Dekker (2004), "Een 'gulden snede', door het Zijper geslacht Blaauboer met de verwante families Jimmink, Veuger en Lanser", Pirola.

Handtekeningenblad van de toestemming van vader Gerrit Blaauboer
en moeder IJda 't Hart voor het huwelijk van hun dochter Neeltje.

Laatste blad van de huwelijksacte van Hendricus Veuger en
Neeltje Blaauboer, met krachtige handtekeningen.

St.Maartensbrug in 1815 (naar Cornelis Bock), met links het Hooge Huijs 
dat het eigendom was van Gerrit Blaauboer, de vader van Neeltje. 
Het huis met de klokgevel behoorde aan Willem 't Hart, haar grootvader.

St.Maartensbrug vanuit het zuiden in 1818 (reproductie in gedenkboekje
firma M. Meyer (1927))

St.Maartensbrug in 1915. Bij de brug voor de bomen, het Hooge Huijs.

Henricus en Neeltje kregen in totaal 12 kinderen. Bij zijn overlijden verscheen de volgende tekst in de krant waaruit een grote genegenheid spreekt:

Heden overleed mijn dierbare Echtgenoot, de Heer Henricus Veuger, in de ouderdom van ruim 60 jaren, tot bittere droefheid van mij en mijne elf kinderen, waarvan het merendeel hun groot verlies niet kan beseffen. Wat ik in hem, met wie ik 19 jaren door de gelukkigste Echt verbonden was, verlies, zal ieder beseffen die hem in zijn ijverige werkkring heefd gekend. God, hoop ik, sterke mij in dezen moeilijken weg en leere mij in zijnen wijzen wil berusten. Verzoeke van brieven van rouwbeklag verschoond te blijven. 

N. Blaauwboer 
Wed. H. Veuger

St.Maartensbrug, te Zijpe, 27 Januari 1847

Op 13 maart 1847 werd bij notaris Siemers in Schagen door Neeltje Blaauboer de memorie van aangifte van de nalatenschap van Henricus Veuger opgemaakt. Er wordt daarin alleen gerefereerd aan onroerende goederen: een huis en erf in St.Maartensbrug met een oppervlakte van 5 roeden en 30 ellen (sectie D nummer 437 B 438), en een perceel weiland in St.Maarten van 27 roeden en 40 ellen, in sectie B nummer 213. Neeltje erfde een kwart, de elf kinderen samen driekwart.

De volgende advertentie verscheen bij het overlijden van Neeltje Blaauboer in de Opregte Haarlemsche Courant (coll. Iet Barten). Zij was op slechts 46-jarige leeftijd gestorven en liet elf weeskinderen na.