HANS ANTEN

 

Ambivalente verbeeldingen van Berlijn in Nederlandstalig proza

***

 Ute Schürings, Metaphern der Groβstadt. Niederländische Berlinprosa zwischen Naturalismus und Moderne. Münster: Waxmann, 2008. (Niederlande-Studien Band 43). 181 p. ISBN 978 3 8309 2037 3. Prijs: € 43,95.

 

‘Jenseits der Kategorien […] findet sich eine Komplexität, die zur Neuentdekkung auch solcher Texten einlädt, die bereits vielfach und scheinbar erschöpfend analysiert sind, und die neugierig macht auf Autoren, die man längst zu kennen glaubt’. De categorieën in dit citaat waarmee de Duitse neerlandica Ute Schürings haar boek over representaties van Berlijn in Nederlandstalig proza tussen naturalisme en modernisme besluit, hebben betrekking op de rubricering van auteurs in de literatuurgeschiedschrijving, bijvoorbeeld met het etiket naturalist of modernist. Dat een wereld van nuance en verschil schuilgaat achter de veelal eenduidige literair-historische positionering van gecanoniseerde schrijvers en hun werk laat Schürings op adequate wijze zien in Metaphern der Groβstadt, de publieksversie van de studie waarop zij in 2005 promoveerde aan de universiteit van Oldenburg.                                               

Als bekend verbleef een aanzienlijk aantal Nederlandse schrijvers in de eerste decennia van de vorige eeuw gedurende korte of lange tijd in Berlijn, een stad die sommigen van hen in hun literatuur een prominente plaats gaven. Het is vooral de fascinatie voor deze metropool als centrum van de internationale avant-garde, als dynamisch brandpunt van artistieke vrijzinnigheid, vernieuwing en vooruitgang die belicht wordt in de twee belangrijkste publicaties over Nederlandse kunstenaars in Berlijn: Berlijn-Amsterdam 1920-1940. Wisselwerkingen uit 1982 en ‘Verrek, waar is Berlijn gebleven?’. Nederlandse schrijvers en hun kunstbroeders in Berlijn 1918-1945 uit 2002. Het zijn deze publicaties waarin enige aandacht wordt gegeven aan drie van de vier teksten die centraal staan in Schürings’ onderzoek: Duczika. Een Berlijnsche roman van Herman Heijermans, die in 1912 en 1913 in De nieuwe gids verscheen, de roman in brieven Het onuitsprekelijke die J. van Oudshoorn tussen 1920 en 1923 in Groot Nederland publiceerde, en de roman Vera van H. Marsman, in 1931 opgenomen in De vrije bladen en nadien nimmer door de schrijver uitgegeven. De vierde tekst is Paul van Ostaijens in 1954 postuum verschenen filmscenario De bankroet-jazz uit 1922. De keuze van dit corpus wordt onder meer gemotiveerd door de vergelijkbaarheid van het genre (proza) en het gegeven dat de consensus groot is met betrekking tot de literair-historische situering van de auteurs en de teksten. Die classificatie vormt telkens het uitgangspunt voor de vier hoofdstukken waarin Schürings analyseert hoe de representatie van Berlijn gestalte krijgt in de metaforen van de fictie van achtereenvolgens Heijermans, Van Oudshoorn, Marsman en Van Ostaijen.                                                                                              

Op het eerste gezicht maakt de lectuur van deze vier teksten duidelijk dat de beeldvorming van Berlijn ook negatief kan zijn. De Pruisische hoofdstad wordt dan voorgesteld als een vijandig en gedegenereerd oord waar ranzig amusement, decadente zondigheid en beangstigend militarisme de mens confronteren met desillusie, eenzaamheid en verval. De tegenstrijdige Berlijnrepresentaties van enthousiasme en afwijzing laten zich verbinden met een traditionele negatieve en een modernistische positieve verbeelding van de grote stad. In de literatuurgeschiedschrijving nu is deze ambiguïteit in de regel gereduceerd tot de eenzijdigheid van een eenduidige negatieve of positieve interpretatie. Als vermeld is die constatering het repoussoir voor de vier tekstanalyses die de kern van de studie vormen.           

Daaraan vooraf gaat het eerste hoofdstuk waarin op een kritische wijze getraceerd wordt wat de concepten avant-garde en modernisme zoal betekenen in een aantal Nederlandse en internationale wetenschappelijke publicaties. Dat daarbij geen gebruik is gemaakt van het eind 2004 verschenen verhelderende overzichtsartikel ‘”Modernisme à tort et à travers”. Over modernisme in de Nederlandse letterkunde van de twintigste eeuw’ van Van den Berg en Dorleijn (in de bundel Moderniteit. Modernisme en massacultuur in Nederland 1914-1940) zal te maken hebben met de omstandigheid dat secundaire literatuur van na 2005, het jaar waarin Schürings dit onderzoek voltooide, buiten beschouwing is gebleven. Omdat volgens Schürings in veel studies een tekstgerichte benadering met oog voor de retorische middelen ontbreekt, wordt in dit hoofdstuk ook het instrumentarium toegelicht waarmee zij in de hoofdstukken twee tot en met vijf de beeldspraak in de vier teksten analyseert en interpreteert. De terminologie en werkwijze zijn ontleend aan onder andere Van Buurens dissertatie “Les Rougon-Macquart” d’Emile Zolà. De la métaphore au mythe uit 1986. Frequent gebruikte termen als comparé, comparant en motif zijn in Nederland middels een veelgebruikt studieboek als Literair mechaniek van Van Boven en Dorleijn waarschijnlijk bekender in hun Engelse vertaling tenor, vehicle en ground. Vervolgens belicht Schürings de verandering die rond de Eerste Wereldoorlog optrad in de representatie van de grote stad, van traditioneel – negatief, bedreigend – tot modernistisch – positief, fascinerend. Ten slotte laat Schürings in deze theoretische inleiding zien hoezeer op het Berlijn van de Weimartijd de topoi van toepassing zijn die de wereldstad negatief of positief stereotyperen, afhankelijk van de visie op het eigen land van de buitenlander. Het zesde en laatste hoofdstuk vat de resultaten samen, toegespitst op drie cruciale deelgebieden: de periodisering, de metaforiek en Berlijn als plaats van handeling.                                                                                                                                      

Als gezegd vormen de vier tekstanalyses de essentie van Metaphern der Groβstadt. Eerst wordt ingegaan op de classificatie en evaluatie van de auteur en zijn proza in latere gezichtsbepalende publicaties. Daarbij maakt Schürings duidelijk dat de criteria op grond waarvan men indeelt en oordeelt niet in de laatste plaats gestoeld zijn op poëticale uitspraken van de auteur zelf en van contemporaine critici. Het gevolg daarvan is onder meer een eenduidige visie en taxatie die geen recht doen aan de cruciale ambivalenties van de tekst. Zo wordt, ik beperk me tot één exemplarisch voorbeeld, Marsmans roman Vera door Goedegebuure in zijn dissertatie over deze schrijver Op zoek naar een bezield verband (1981) besproken als een mislukking: ‘Op veel plaatsen hebben we te maken met een draak’. Dit negatieve oordeel, weet Schürings, komt niet alleen overeen met, maar is ook ontleend aan dat van Du Perron, Ter Braak en, bij nader inzien, aan dat van Marsman zelf. In 1932 verschijnt Marsmans opstel ‘De aesthetiek der reporters’ in Forum, het tijdschrift van Ter Braak en Du Perron, en daarin distantieert hij zich van de nieuwe zakelijkheid. Nu is Vera met deze stroming in verband te brengen, alsook de poëticale beschouwing ‘De kansen van ons proza’ uit 1929 waarin Marsman een visie op het proza formuleert die verwant is aan de literaire nieuwe zakelijkheid. Het is volgens Schürings aan de renommee van Ter Braak en Du Perron te wijten en aan de programmatische status die ‘De aesthetiek der reporters’ kreeg als openingstekst van Marsmans verzameling Critisch proza uit 1938 dat uitsluitend de negatieve beoordeling in de literatuurgeschiedschrijving is doorgedrongen en Marsmans veranderende, ambivalente opvattingen daar werden gediskwalificeerd. Wat dat laatste betreft is het woord ‘draaikont’ waarmee Anbeek in zijn Geschiedenis van de literatuur in Nederland (1999) de tussen vernieuwing en traditie pendelende Marsman typeert veelzeggend.                                                                               

Het is in zekere zin paradoxaal te noemen dat Schürings vervolgens onder meer Marsmans expliciete poëtica in de vorm van het opstel uit 1929 gebruikt als nuttig zoeklicht voor haar analyse van Vera. De beschouwing die dan volgt, en ook die over de andere drie teksten, zijn voorbeeldige proeven van close reading waarin ontleding en interpretatie van de metaforiek weliswaar centraal staat, maar waarin tevens de vertelsituatie – perspectief en focalisatie – en tal van lexicale en syntactische eigenaardigheden nauwkeurig onder de loep worden genomen. Het belangrijkste resultaat van deze excursie is dat Schürings overtuigend aantoont dat het Berlijnbeeld in Vera inhoudelijk en formeel fundamenteel ambivalent is. Dat beeld evoceert zowel een negatieve als positieve representatie van de grote stad, in combinatie met traditionele metaforen die bijvoorbeeld organische comparants hebben, ontleend aan de natuur èn modernistische metaforiek met anorganische comparants ontleend aan de techniek.                                                                                                                                  

Wat opgaat voor Vera geldt eveneens voor de andere drie teksten. Ook hun ambivalente verbeelding van Berlijn staat haaks op de eenduidige, geijkte classificatie die ze in de literatuurgeschiedschrijving kregen: naturalistisch afwijzend bij Heijermans en Van Oudshoorn, modernistisch instemmend bij Van Ostaijen. Men kan dan ook de uitspraak die ik aan het begin van deze bespreking citeerde volledig beamen. De tekstuele complexiteit die Ute Schürings in haar studie heeft onthuld, rechtvaardigt het zonder meer bekende dikwijls becommentarieerde literatuur opnieuw te bezien.

 

Terug naar homepage Hans Anten 

 

In: Spiegel der letteren 51 (2009)                                                                                                                                                                                                       Universiteit Utrecht