Hans Anten

 

Menno ter Braak, De canon. Nederlandse cultuur in veertig portretten. Samengesteld en van een nawoord voorzien door Léon Hanssen. Amsterdam (J.M. Meulenhoff) 2004, 383 pp.

 

De vraag of hij na zijn dood nog gelezen zou worden, of hij nog een levende factor in onze cultuur zou zijn, die vraag moet Menno ter Braak zich dikwijls hebben gesteld. Dat kan men tenminste afleiden uit het gegeven dat hij, schrijvend over anderen, dikwijls stilstaat bij of speculeert over het al dan niet gedateerd raken en de mogelijke oorzaken van die processen. Voor cultuurhistoricus en literatuurwetenschapper Léon Hanssen, de samensteller van het hier te bespreken boek De canon, speelde dat probleem eveneens een prominente rol. Op het omslag van De canon kan men nog de optimistische mededeling lezen dat Ter Braaks oordelen thans nog altijd worden geparafraseerd, bestreden of met instemming begroet, maar dat kenmerk van onverminderde aanwezigheid wordt door Hanssen in zijn nawoord evenwel krachtig ontkend.

            In een krantencolumn formuleerde Marita Mathijsen eens de stelling dat in Nederland alle literatuur die ouder is dan vijftig jaar het etiket van historische letterkunde en het stigma van onleesbaarheid krijgt. Ofschoon er toch genoeg voorbeelden zijn aan te wijzen die de algemene geldigheid van deze bewering teniet doen, blijkt de samensteller het met deze uitspraak eens te zijn. Ook Ter Braak is thans dus onleesbaar, passé; zijn houdbaarheidsdatum is ruimschoots overschreden, zo staat het in het nawoord.

            Hoe dit ook zij, als geconstateerd kan worden dat het wel meevalt met de gedateerdheid van Ter Braak, is dat niet het minst te danken aan de inspanningen van Hanssen. Hij is immers de schrijver van de bekroonde monumentale Ter Braakbiografie, die in 2000 (deel 1) en 2001 (deel 2) verscheen. (In dit tijdschrift besproken in jaargang 6, p. 182-185 en jaargang 7, p. 168-170). In 2003 publiceerde hij met Menno ter Braak 1902-1940. Leven en werk van een polemist een beknopte editie van zijn biografie in één band. En nu, in 2004, is hij de bezorger van De canon, een verzameling van negenendertig portretten van Nederlandse cultuurdragers en een inleidend essay, teksten die Ter Braak voor het merendeel voor het dagblad Het vaderland schreef. Met dit boek is voor het eerst sinds 1992, toen de bundel De draagbare Ter Braak uitkwam, weer kritisch-essayistisch werk van Ter Braak verkrijgbaar, en daar mag men Hanssen dankbaar voor zijn.

            Zonder enige twijfel behoort Ter Braak tot de beste essayisten en critici die Nederland gekend heeft; de hier gebundelde stukken bevestigen die reputatie volkomen. Het valt op hoe trefzeker en helder Ter Braak in al deze essays zijn personalistische visie op de Nederlandse cultuur en literatuur verwoordt, hoe consequent hij zijn normen inzet in de genuanceerde taxatie van de geportretteerden en hoezeer veel van zijn oordelen niets aan geldigheid en overtuigingskracht hebben ingeboet. Vanzelfsprekend presenteerde Ter Braak met deze beschouwingen tevens een markant zelfportret waarin met behulp van telkens gebruikte sleutelwoorden als unzeitgemäss, authenticiteit, individualisme, humor, eerlijkheid en onbevangenheid een beeld wordt geschetst van een ondogmatisch en polemisch denker, wiens afkeer van bijvoorbeeld extremiteiten in esthetiek en nationalisme even karakteristiek is als de voorkeur voor een levenshouding die met de geijkte moraal geen rekening houdt.

            De criteria op grond waarvan de portretten geselecteerd zijn, worden bondig en niet al te duidelijk toegelicht. Voorop stond het ‘kwaliteitscriterium’ van Ter Braak zelf. Daarnaast speelde ook de vraag mee ‘wat wij tegenwoordig als kenmerkende figuren van de Nederlandse cultuur beschouwen’. Zo zullen waarschijnlijk op grond van het eerste of van beide criteria esays zijn opgenomen over bijvoorbeeld Erasmus, Multatuli, Dèr Mouw, Couperus, Van Schendel, Carry van Bruggen, Bordewijk, Slauerhoff, Marsman, Du Perron, Vestdijk, Willink en Van Duinkerken. Eerder aan het tweede criterium zal de opname te danken zijn van beschouwingen over onder anderen Vondel, Beets, Kloos, Van Eeden, Henriëtte Roland Holst, Huizinga, en Achterberg en Vasalis, die beiden het grootste deel van hun oeuvre pas na de Tweede Wereldoorlog zouden publiceren.

            Als gezegd was een panorama van Nederlandse cultuurdragers, en voor Ter Braak zijn dat vooral schrijvers, het uitgangspunt van deze uitgave. Omdat het corpus teksten dat daarvoor in aanmerking komt zeer omvangrijk is, zal iedere keuze discutabele delen bevatten. Ik merk in dit verband slechts op dat met andere doelstellingen een ander boek is samen te stellen dat evenzeer een scherp zelfportret van Ter Braak zal bieden. Zo valt te denken aan een Nederlandstalig literair perspectief (Elsschot, Walschap), aan een internationaal literair perspectief (Gide, Thomas Mann), aan een cultuurhistorisch corpus (Benda, Nietzsche), of aan een selectie uit de vele artikelen over thans geheel of nagenoeg vergeten auteurs (Ehrenburg, Wagener). Het is Hanssen kortom niet kwalijk te nemen dat deze en andere cultuurdragers niet in De canon voorkomen.

            Deze wat mij betreft vanzelfsprekende lankmoedigheid kan evenwel niet betracht worden als in de beschouwing betrokken wordt op welke wijze de samensteller gemeend heeft Ter Braak ‘over de beruchte drempel van vijftig jaar heen te tillen’. Toen Ter Braak in 1938 uit vele dagblad- en tijdschriftartikelen zijn bundel In gesprek met de vorigen samenstelde, elimineerde hij zoveel mogelijk ‘het krantendeel’ uit de originele teksten, vulde die aan, voegde die samen, kortom: hij bewerkte die stukken zodanig dat het resultaat door velen geprezen werd. Hanssen moet zich door dat voorbeeld en die adhesie gestimuleerd hebben gevoeld op soortgelijke manier de tekstbewerking voor De canon ter hand te nemen. Maar als de editeur zich vrijheden veroorlooft die in de regel zijn voorbehouden aan de schrijver – een schrijver kan in zekere zin met zijn teksten doen wat hij wil – is het resultaat een presentatie die regels van behoorlijke tekstbezorging negeert.

            Hanssen verantwoordt de samenstelling en presentatie van De canon aldus: ‘ Teksten zijn waar nodig omgewerkt, aangevuld of met andere samengevoegd. Verwijzingen naar de literaire actualiteit van de jaren dertig, die de huidige lezer niets meer zeggen en de lezing van de stukken bemoeilijken, zijn consequent weggelaten. Om verwarring te voorkomen zijn alle bewerkte teksten van nieuwe titels voorzien. Veranderingen in de oorspronkelijke tekst zijn nergens door tekens gemarkeerd, omdat het hier nadrukkelijk een leeseditie betreft. [...] Omwille van de toegankelijkheid is besloten de tekst geheel te herspellen en te moderniseren.’ Let wel: de komma achter het woord ‘dertig’ in dit citaat impliceert dat alle actualiteit van toen de lezer van nu niets meer zegt en de lectuur onnodig bemoeilijkt.

Volgens de samensteller is deze drastische werkwijze de enige weg om de historische afstand van onleesbaarheid tussen Ter Braak en de huidige lezer te overbruggen. Ik betwijfel echter ten zeerste of iemand die anno 2004 de moeite neemt een boek van Ter Braak te kopen of te lenen en te lezen, gebaat is met en genoegen neemt met de defecte versies van de essays die hij nu onder ogen krijgt. Iets van wat de ingrepen in de praktijk betekenen, kan de lezer vermoeden als hij aandacht heeft voor redundante passages en onverwachte overgangen. Maar wat nu zoal echt de effecten van deze bewerking zijn, kan alleen aangetoond en beoordeeld worden wanneer men de oorspronkelijke teksten vergelijkt met de tranformaties ervan in De canon, een handeling waar de gemiddelde lezer zich waarschijnlijk niet toe zal zetten. Ik heb een drietal essays op die manier onderzocht en maakte daartoe een keuze uit de zestien portretten die samengesteld zijn uit twee of drie teksten. Die basisteksten dienden wèl alle in Ter Braaks Verzameld werk te staan. Enige controle op de gevolgde procedure wordt wel erg lastig als zo’n tekst bijvoorbeeld alleen als artikel in Het vaderland is gepubliceerd, wat nogal eens het geval is.

Hanssen heeft gelijk: zijn vrijheid van tekstpresentatie, zegt hij zelf, gaat ver. Ik beschouw het essay over Couperus als exemplarisch voor zijn werkwijze. Dat portret, door de samensteller getiteld ‘’s-Gravenhage 1900: het genie van Louis Couperus’, is samengesteld uit twee in Het vaderland verschenen kronieken, respectievelijk in 1935 en 1938. Het eerste deel van het essay in De canon is gebaseerd op het artikel uit 1938. De oorspronkelijke openingszin is herschreven omdat wat achter de datum ’10 juni 1938’ stond – ‘Onlangs woei deze datum met vele andere data, plotseling over mijn schrijftafel’ – verwijderd is. Tot de eventueel nog te billijken ‘moderniseringen’ behoort de vervanging van ‘der’ door ‘van de’, maar met het elders stilzwijgend vervangen van een woord als ‘gans’ door een moderner equivalent als ‘compleet’ of ‘geheel’ ligt de weg wel erg verleidelijk open voor nog rigoureuzere ingrepen. Tenslotte zijn uit het artikel van 1938 een aantal zinnen en delen van zinnen geschrapt die betrekking hebben op de Couperusbiografie van Henri van Booven. Ter Braak illustreerde daarmee zijn uiteenzetting over hoe een toekomstige biograaf te werk diende te gaan en aldus werken dit soort geëlimineerde passages verhelderend. Ook in het niet als zodanig gemarkeerde deel van het essay dat gebaseerd is op de kroniek uit 1935 is iedere referentie aan Van Booven verdwenen. Toch is Hanssen er gelukkig allerminst in geslaagd de literaire actualiteit van de jaren dertig consequent weg te laten. Een dergelijke reductie zou ook onmogelijk zijn geweest omdat die actualiteit, hoe impliciet ook aanwezig, nu eenmaal een intrinsiek aspect is van Ter Braaks werk en zeker van zijn dagbladartikelen. Het fragment waarin Ter Braak De boeken der kleine zielen in verband brengt met het moderne stijlprocédé van de nieuwe zakelijkheid is dus niet geschrapt, zoals ook een vraag als hoe ‘is de verhouding Jan ten Brink – Couperus geweest’ is blijven staan. Ongetwijfeld zal de portee van deze en vele andere passages voor de huidige lezer niet onmiddellijk te begrijpen zijn, maar dat probleem is door een goede annotatie op te lossen. Het is bijzonder jammer dat Hanssen zich in zijn noten grotendeels heeft beperkt tot literatuuropgaven, terwijl talloze, nogmaals, gelukkig niet geschrapte fragmenten het zonder enige toelichting moeten stellen. Wie weet nog wie Mae West was of wat bedoeld wordt met ‘de debacle van het katholicisme in zijn tegenwoordige toestand’, om een voorbeeld uit een ander essay te geven. Tot slot: de compositie van het stuk over Couperus in De canon vertoont tenminste één weinig logische en redundante overgang die het gevolg is van het assembleren van twee artikelen tot een nieuw, nimmer zo door Ter Braak geschreven geheel. Halverwege het essay accentueert Ter Braak nu: ‘Ik stel voorop, dat Couperus volsterkt niet het type is van de schrijver, die altijd op hetzelfde superieure plan werkt’, terwijl deze constatering de kern vormt van het betoog waarmee Hanssen Ter Braak laat beginnen...

Ik kom tot de conclusie dat de publicatie van De canon een zeer welkome daad van rechtvaardiging is ten aanzien van een van onze belangrijkste essayisten. Het werd tijd dat een deel van het meest toegankelijke pars van Ter Braaks oeuvre weer verkrijgbaar is. Dat nagenoeg alle portretten ondanks de vrijpostige tekstbewerking overtuigen, zegt veel over de kwaliteit van Ter Braaks schrijverschap. Ik meen dat Ter Braak en zijn huidige lezer toch het meest gediend zijn met een uitgave waarin de tekstbewerking minimaal en de annotatie maximaal is.

Universiteit Utrecht

Uit: Nederlandse letterkunde 9 (2004), p. 415-418.

  Terug naar homepage Hans Anten