Hans Anten

 

Lex van de Haterd,  De waarheid hooger dan de leus. Over de beeldvorming rondom tijdschrift en uitgeverij De

gemeenschap 1925-1941. Haarlem (In de Knipscheer) 2008, 414 bladzijden.

 

 

 

Van de vele tijdschriften die in het interbellum het aanzien bepaalden van het verzuilde Nederlandse literaire landschap heeft De gemeenschap (1925-1941) in de recente letterkundige neerlandistiek stellig de meeste aandacht gekregen. Niet het minst kreeg die belangstelling gestalte in publicaties van Lex van de Haterd. Zijn documentaire monografie Om hart en vurigheid. Over schrijvers en kunstenaars van tijdschrift en uitgeverij De gemeenschap uit 2004 (besproken in Nederlandse letterkunde 10 (2005), p. 72-75) is daarvan de bekendste. Vier jaar later, om precies te zijn op 16 april 2008, promoveerde Van de Haterd aan de Universiteit van Amsterdam op de studie waarvan hier de rijk geďllustreerde publieksversie besproken wordt: De waarheid hooger dan de leus. Over de beeldvorming rondom tijdschrift en uitgeverij De gemeenschap 1925-1941. Wie de gelijksoortige typografische omslagen van beide boeken in de modernistische trant van De gemeenschap met elkaar vergelijkt, zal alleen al op grond daarvan kunnen vermoeden dat de relatie tussen de twee uitgaven groot is. En inderdaad: in het proefschrift staat veel dat ook in Om hart en vurigheid aan bod kwam, ook al worden de accenten anders gelegd – zie de ondertitels – door nu de beeldvorming in al haar facetten centraal te stellen.                                                        

Daarbij is De waarheid hooger dan de leus een wetenschappelijk werk, wat onder meer tot uiting komt in aspecten die in het boek van 2004 grotendeels ontbraken, zoals een strakke compositie, een ingetogen stijl, een verantwoording van de methodologie en explicitering van onderzoeksvragen. In het inleidende hoofdstuk benadrukt de auteur het stilistische verschil tussen de twee boeken. Wat Van de Haterd daarmee precies bedoelt wordt niet uitgelegd. In ieder geval blijven de weinig subtiel geformuleerde polemische uithalen in Om hart en vurigheid naar wie volgens hem iets niet zag of niet goed zag hier gelukkig achterwege. De waarheid hooger dan de leus bevat tien hoofdstukken. Daaraan vooraf gaat een ‘Inleiding en verantwoording’ waaruit onder andere blijkt dat wederom, als in 2004, gefocust wordt op wat in de secundaire literatuur tot dan toe niet of nauwelijks aandacht kreeg: de uitgeverij De gemeenschap en de uiterlijke vormgeving van tijdschrift en uitgeversfonds. Tevens treft men hier de toelichting op wat een essentieel verschil met het eerste boek genoemd wordt: naast het traditionele interpretatieve onderzoek krijgen onderdelen van het literaire veld nu een institutionele benadering middels kwantitatieve methoden, waardoor de studie rijk is aan tabellen, diagrammen en grafieken die het resultaat van vele tellingen snel zichtbaar maken. Ik kom nog terug op de vraag wat hier de toegevoegde waarde is van dergelijk kwantitatief onderzoek. 

De eerste zes hoofdstukken vormen het omvangrijkste deel I en hebben betrekking op het tijdschrift. Ze behandelen volgens een identiek stramien – inleiding met onderzoeksvragen, de antwoorden daarop, samenvatting en conclusies – facetten die hebben bijgedragen aan de profilering van De gemeenschap: het redactionele beleid (hoofdstuk 2), de bladformule (3), de inzet van medewerkers en deelname aan internationale netwerken (4), de marktpositie en public relations (5) en de uiterlijke vormgeving (6). De uitkomsten van deze vijf hoofdstukken worden telkens geconfronteerd met de bestaande beeldvorming zoals die gepresenteerd is in de kritische bespreking van de belangrijkste publicaties over het tijdschrift die na de opheffing ervan zijn verschenen. Het eerste hoofdstuk van deel I bevat dit in tal van opzichten verhelderende literair-historisch overzicht. Ook daarover kom ik nog te spreken. Deel II is gewijd aan uitgeverij De gemeenschap en behelst drie hoofdstukken met dezelfde opzet als die van het eerste deel. Ze hebben respectievelijk betrekking op het fondsbeleid (7), de fondsformule (8) en de uiterlijke vormgeving van de 143 uitgaven (9). Het tiende hoofdstuk vat de uitkomsten van het onderzoek bondig samen in vijftien slotconclusies en een slotbeschouwing. Daarna volgen nog zeven bijlagen: drie relatief omvangrijke portretten van personen (redacteur Ab van Oosten en de uitgeverijdirecteuren Cornelis Vos en Henri Nelissen) die in de portrettengalerij van Om hart en vurigheid ontbraken, een bijlage met een aantal kleine portretten van Gemeenschapmedewerkers als aanvulling op de in 2004 gepubliceerde notities, een, ten opzichte van de in 2004 opgenomen versie, herziene alfabetische en chronologische fondslijst, en een overzicht van alle 177 gemaakte nummers van het tijdschrift met, voor zover bekend, de namen van de vormgevers of illustrators van de omslagen. De studie wordt gecompleteerd met een bibliografie en een register op personen, tijdschriften en uitgeverijen.                                                                                                                        

Als gezegd staat in het eerste hoofdstuk de beeldvorming centraal zoals die naar voren komt uit de belangrijkste reflecties op het tijdschrift die in de vijfenzestig jaar na de verschijning van het laatste nummer zijn gepubliceerd. Met name de chronologische bespreking van wetenschappelijke studies en literatuurgeschiedenissen geeft een boeiend overzicht van de trends en modes die korte of lange tijd dominant waren in de naoorlogse neerlandistiek. Thans wordt De gemeenschap vooral beschouwd als een hybridisch tijdschrift dat zijn modernistisch profiel onder meer ontleent aan de manifestaties van zowel moderne als antimoderne opvattingen en kunstuitingen. In de huidige visie op de signatuur van het tijdschrift krijgt deze ambivalentie een prominente plaats, evenals het open karakter ten aanzien van niet-katholieke kunstenaars en zijn politiek-maatschappelijke en algemeen culturele dimensies. Deze veelomvattende optiek, die bijvoorbeeld gestalte kreeg in Het spiegelend venster, de dissertatie van Mathijs Sanders uit 2002, wordt door Van de Haterd krachtig en overtuigend bevestigd: ‘De gemeenschap is geen specifiek literair tijdschrift en De Gemeenschap geen specifiek literaire uitgeverij zoals in de literatuur over het algemeen aangenomen wordt’. Met het tweede deel van deze slotconclusie kan ik evenwel niet instemmen. Dat De gemeenschap in de regel wordt getypeerd als een literair tijdschrift duidt niet zozeer op onwetendheid of een te beperkte visie, zoals Van de Haterd stelt. Reeds in 1978 immers belichtte Harry Scholten in zijn proefschrift over De gemeenschap de politiek-maatschappelijke profilering van het tijdschrift. Niet uit onwetendheid maar vanwege pragmatiek lijkt mij de kwalificatie ‘literair’ gebruikt te worden. “Het algemeen cultureel, open katholiek en politiek-maatschappelijk tijdschrift De gemeenschap”: een dergelijke benaming met al die adjectieven is niet alleen nogal omslachtig maar ook minder voor de hand liggend als in de context van de letterkunde geschreven wordt over een tijdschrift met auteurs als Jan Engelman en Anton van Duinkerken als gezichtsbepalende figuren.                                                                                                            

Voor het onderzoek naar de bestaande beeldvorming heeft Van de Haterd zich beperkt tot publicaties die na 1941 verschenen. Hoe begrijpelijk de restrictie tot dit aanzienlijke corpus ook is, toch is het jammer dat contemporaine reacties geheel buiten beschouwing blijven als gezocht wordt naar verklaringen voor de wijze waarop De gemeenschap in de secundaire literatuur ontvangen is. Knuvelders Handboek tot de moderne Nederlandse letterkunde uit 1953 is het receptiedocument waarmee Van de Haterd het hoofdstuk over de bestaande beeldvorming opent. De geringe aandacht die De gemeenschap in deze literatuurgeschiedenis krijgt, wordt gerelateerd aan het gegeven dat Knuvelder in de jaren dertig participeerde in hetzelfde literaire circuit. Vrees voor te weinig afstand en angst voor de beschuldiging van partijdigheid zullen ongetwijfeld een rol hebben gespeeld in Knuvelders terughoudendheid. Niettemin blijft deze argumentatie vaag en ontoereikend als niet wordt ingegaan op maatschappelijke en literaire opvattingen van Knuvelder in het interbellum. Die brachten hem er bijvoorbeeld toe om in 1935 in Roeping, het katholieke literaire tijdschrift waarvan hij hoofdredacteur was, Bordewijks roman Bint, een uitgave van De gemeenschap, enthousiast te onthalen als de eerste fascistische roman in onze literatuur. Gezien dit soort uitspraken is het pas goed te begrijpen dat de naoorlogse literatuurgeschiedschrijver Knuvelder in zijn bespreking van sommige vooroorlogse episoden ofwel zuinig ofwel zwijgzaam was.                                                                                                                                    

Een tweede cruciale correctie, of eerder aanvulling op de bestaande beeldvorming van De gemeenschap kan wčl zonder enig voorbehoud aanvaard worden. Door het fondsbeleid van de uitgeverij en de uiterlijke vormgeving van het tijdschrift en van de uitgaven van De gemeenschap royaal in het onderzoek te betrekken, maakt Van de Haterd aannemelijk wat hij eigenlijk al in Om hart en vurigheid aantoonde: met de publicatie van onder andere de modernistische romans Blokken, Knorrende beesten en Bint van de niet-katholieke Bordewijk of de nieuw-zakelijke industrieromans 8.100.000 m3 zand en Gelakte hersens van de eveneens niet-katholieke M. Revis verleende de uitgeverij onder leiding van Albert Kuyle het tijdschrift een prestige van vernieuwing en normdoorbreking dat althans niet met zoveel woorden eerder geëxpliciteerd werd. Ook de grafische vormgeving en typografie van en de illustraties in de nummers van het tijdschrift en de boeken en brochures van de uitgeverij gaven De Gemeenschap (tijdschrift en uitgeverij) dat modernistische imago. Men moet daarbij niet alleen denken aan het constructivisme van Sybold van Ravesteyn en Gerrit Rietveld of de nieuwe zakelijkheid in de typografie en ontwerpen van Paul Schuitema en Andries Oosterbaan (Blokken), maar ook aan het figuratieve expressionisme van Jozef Cantré en Otto van Rees, dat in het interbellum eveneens gezien werd als een stroming in de moderne kunst. Dat de modernistische uitstraling niet ieder jaar dat het tijdschrift en de uitgeverij bestonden even sterk was, is onder meer te relateren aan de directie- en redactiewisselingen, die eerder uitvoerig zijn gedocumenteerd in het in 2007 uitgekomen boek Roomse ruzie (besproken in Nederlandse letterkunde 13 (2008), p. 105-108). Dat de moderniteit in de periode 1925-1934 het meeste reliëf kreeg, is grotendeels te danken aan Albert Kuyle, die dan als mede-oprichter van het tijdschrift, redactiesecretaris, redacteur en directeur van de uitgeverij de belangrijkste man van De Gemeenschap is. Ook die constatering is vervat in een van de slotconclusies. Ze is een terecht tribuut aan Kuyle, wiens naam vooral wegens zijn collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog in de literatuurgeschiedschrijving niet of nauwelijks voorkomt.

Als eerder vermeld zijn de onderzoeksresultaten van deze studie ten dele gebaseerd op tellingen. Ofschoon Van de Haterd het uitgevoerde kwantitatieve onderzoek nogal eens met enige nadruk releveert, laten de uitkomsten ervan meestal zien dat het getal voor de beeldvorming weinig waarde heeft. Overigens zet Van de Haterd in dit verband niet al te fortuinlijk in door te beweren dat Knuvelder in zijn handboek uit 1953 slechts één bladzijde aan Van Duinkerken besteedt terwijl dat er ruim zeven zijn. Ongetwijfeld zullen de metingen wel correct zijn voor bijvoorbeeld de bijdragen van Ab van Oosten (1898-1969) aan het tijdschrift. Dat zijn er 260, waarvan er 102 bestaan uit gedichten. En daarmee heeft hij van 1931 tot 1941 van alle medewerkers de meeste bijdragen aan het tijdschrift geleverd. Mede op grond daarvan bevordert Van de Haterd in een slotconclusie deze redacteur en redactiesecretaris naast Kuyle, Engelman en Van Duinkerken tot de belangrijkste auteurs en dragende figuren van het tijdschrift. Dat in de literatuur over De gemeenschap de naam van Van Oosten meestal niet genoemd wordt, is echter volkomen te begrijpen. Gelet op de proeven van Van Oostens sociaal-religieuze poëzie die Van de Haterd afdrukt, kan men alleen maar instemmen met Vestdijks oordeel: ‘het is en blijft vanaf het begin tot het eind een toonloos, miserabel, armoedig gezanik’. Het zijn dit soort kwalitatieve evaluaties waardoor Van Oosten ook in de toekomstige literatuur over De gemeenschap ongetwijfeld ongenoemd zal blijven als vooraanstaand auteur, zijn productiviteit en de opwaardering die hem nu ten deel viel ten spijt.                                                                                                                                         

Ten slotte Marsman. De keren dat Van de Haterd stelt het opmerkelijk te vinden dat Marsman in de secundaire literatuur niet met De Gemeenschap in verband gebracht wordt, verraadt zijn verlangen de schrijver bovenal als een Gemeenschapsauteur te bestempelen. De negen boeken die uitgeverij De gemeenschap van de niet-katholieke Marsman publiceerde, leggen daartoe veel gewicht in de schaal. Marsman kan men aldus representatief achten voor de open signatuur van het tijdschrift, waarin hij ook publiceerde, en de uitgeverij. Dat deze voorstelling van zaken toch minder vanzelfsprekend is dan Van de Haterd veronderstelt, is duidelijk te maken aan de hand van het begrip humanitair-expressionisme. Van de Haterd laat op tal van plaatsen in zijn boek zien dat De Gemeenschap nauw verbonden is met deze literaire stroming. Zo is de uitgeverij waarmee De gemeenschap het meest samenwerkt de Antwerpse firma De Sikkel, die aan het begin van de jaren twintig het humanitair-expressionistische tijdschrift Ruimte uitgaf. Medewerkers van dat tijdschrift zijn ook in De gemeenschap te vinden, zoals Wies Moens, Karel van den Oever en Marnix Gijsen. De laatste zou met Jan Vercammen, voormalig redacteur van het humanitair  -expressionistische tijdschrift De tijdstroom, in 1936 redacteur worden van De gemeenschap. Hoe representatief kan Marsman, die een uitgesproken afkeer van dit expressionisme had, nu voor De Gemeenschap zijn? In het tijdschrift Den gulden winckel proclameerde Marsman in 1923 dat het domein van de kunst ‘door humanistisch-, en overeenkomstig-gerichte gezindheden ernstig wordt bedreigd’, een oordeel dat hij dikwijls herhaalde en nimmer herzag…                                                                                                                             

Ondanks de gesignaleerde bedenkingen geeft De waarheid hooger dan de leus een uitstekende impressie van zowel de vele en veelsoortige mechanismen die het profiel van tijdschrift en uitgeverij De Gemeenschap hebben bepaald als van de wijze waarop latere reflecties op hun beurt de beeldvorming hebben beďnvloed. Daarbij is Van de Haterd zeker geslaagd in zijn opzet tijdschrift en uitgeverij een plek in de literatuur- en kunstgeschiedenis te geven ‘die dichter ligt bij de positie die ze in de periode 1925-1941 ook daadwerkelijk innamen’.

 

Universiteit Utrecht

Uit: Nederlandse letterkunde 13 (2008), nr. 3  

Terug naar homepage Hans Anten