Universiteit Utrecht Faculteit der Letteren


studierichting Fonetiek, Trans 10, 3512 JK Utrecht, telefoon 030-2536265, fax 030-2536000

Fonetiek : Handig om te weten

Dit document bevat allerhande handige aanwijzingen, "tips and tricks" waarmee studenten en docenten Fonetiek hun voordeel kunnen doen.
Naast dit document is er meer uitleg beschikbaar over het gebruik van spraak-programmatuur van Fonetiek (die uitleg overlapt sterk met officiële documentatie).

LPC: aantal coëfficiënten | Exotische bemonsteringsfrequenties
Fade-in en fade-out | Nullijn in spraaksignaal
Van FEP results naar SPSS data | SPSS: Paste Syntax | SPSS: Recode Subjects
Solliciteren en Curriculum Vitae
Afdrukken vanuit Praat | Afbeeldingen van Praat naar MS-Word
Web: Notatie-conventies in URL | Web: HTML-bestanden opgeslagen op W:\
Word: PostScript of PDF bestand aanmaken


LPC: aantal coëfficiënten

Als je LPC wilt gebruiken om formanten te meten, dan is het aantal coëfficiënten van zeer groot belang. Lees de documentatie over LPC-analyse zeer goed door.
(Hugo Quené, april 1996, november 1999)

Fade-in en fade-out

Als je je geluidsbestanden wilt aanbieden met een fade-in en fade-out (om kliks te vermijden) dan kan dat op twee manieren.
De handigste manier is door in je FEP-design een extra regel in te voegen, waardoor FEP al je geluidsbestanden automatisch zal in- en outfaden als ze worden aangeboden.
Dit ziet er zo uit:

Sound: geluid[PRIMARY] {
duration: -1; // onbekend, gebruik werkelijke duur
scaling: 1.0
fade_duration: 10,10; // de fade in ms
fade_contour: COSINE, COSINE;
}

Wil je je geluidsbestanden toch apart in- en outfaden kan dit het makkelijkst in het programma Praat. Met behulp van een scriptfile kun je alle bestanden dan automatisch aanpassen. De meest bewerkelijke manier is met het programma GIPOS; je moet dan iedere fade handmatig aanbrengen.
(Joyce Krull, januari 1998)

Nullijn in spraaksignaal

Door onvolkomenheden in de DA-converter zie je vaak dat de nullijn van een gedigitaliseerd signaal niet precies bij nul ligt, maar meestal erboven. Dit probleem treedt overigens niet op als de digitalisatie is uitgevoerd door de DAT-recorder, en als je vervolgens het signaal in digitale vorm kopieert van DAT naar geluidsbestand.
Het probleem is in Praat makkelijk op te lossen, en wel als volgt:
(Bob Sevenster, Hugo Quené, januari 1998)

SPSS: Paste Syntax

In de (X-)Windows-versie van SPSS vul je dialoogvensters in om opdrachten aan SPSS te geven. In feite doen die dialoogvensters niets anders dan tekstuele SPSS-opdrachten opbouwen op een gebruiksvriendelijke manier. De opgebouwde opdrachten worden vervolgens doorgegeven aan de SPSS Processor, die deze uitvoert. In de statusbalk van het "spreadsheet"-venster zie je linksonder welke opdracht momenteel in behandeling is.
Ondanks zijn gebruiksvriendelijkheid heeft deze methode ook nadelen. Het is moeilijk en lastig om de opdrachten vast te leggen, bv. voor verslaglegging of voor herhaling ervan.
Het is echter mogelijk om de interactief opgebouwde opdrachten vast te leggen met de knop Paste. Met een druk op die knop kopieer je de SPSS-opdrachten naar een SPSS Syntax venster. De inhoud van dit venster kan je aanbieden aan de SPSS Processor (menu of knop Run), of bewaren (menu File > Save As...) voor je logboek of voor batch-verwerking.

Er kunnen meerdere SPSS Syntax vensters open zijn. Slechts één daarvan is het zgn. "designated" venster, dat de opdrachten van knop Paste opvangt. De titel van dit "designated" venster begint met een uitroepteken. Je kan een SPSS Syntax venster "designate-n" via de menu-keuze Options > Designate... in dat venster.

Als voorbeeld zie je hieronder een ingevuld dialoogvenster.

SPSS dialoogvenster

Als je nu drukt op de knop Paste dan worden de corresponderende commando's gekopiëerd naar het designated SPSS Syntax venster:

COMPUTE rtE = rtb - wduur .
VARIABLE LABELS rtE 'RT vanaf woordeinde' .

Vooral bij complexe opdrachten is het handig om ze op deze wijze te bewaren in een bestand. Zo'n bestand kan je weer openen in een SPSS Syntax venster; daarna selecteer je de gewenste opdrachten en tenslotte kies je de knop Run.
(Hugo Quené, februari 1998)

SPSS: Recode Subjects

Als je een experimenteel design hebt met meerdere groepen proefpersonen, dan doe je meestal een analyse met de onafhankelijke variabele pp genest binnen de onafhankelijke variabele groep. Dat vereist echter wel dat de proefpersonen genummerd zijn van 1..G binnen iedere groep, waarbij G = het aantal proefpersonen in iedere groep.
Bij het afnemen van het experiment verdient het de voorkeur om de binnenkomende proefpersonen toe te wijzen aan de opeenvolgende groepen: pp1 groep1, pp2 groep2, pp3 groep1, pp4 groep2, enzovoort. Zo "vul" je de groepen gelijkmatig. Je kan de proefpersonen dan gewoon volgnummers geven, zoals in bovenstaand voorbeeld. Maar voor MANOVA moeten de proefpersonen dan omgenummerd worden, en wel als volgt:
groep pp PPNEW
111
221
132
242
Gelukkig kan dit in één commando ...

COMPUTE ppnew = 1 + MOD( pp-1, {G} ) .

... waarbij je voor {G} het aantal proefpersonen in iedere groep invult. Geef daarna voor de duidelijkheid nog aan wat deze nieuwe variabele voorstelt:

VARIABLE LABELS ppnew 'pp binnen groep' .

(Hugo Quené, februari 1998)

Solliciteren en Curriculum Vitae

Hier vind je nuttige richtlijnen over writing application forms and Curriculum Vitae
(Roeland Ordelman, april 1998)

Afdrukken vanuit Praat

Veel gebruikers (alle op vier na) van Praat lukt het niet om vanuit Praat direct te printen naar de postscript printer. Het defaultcommando lp -c %s is ongeldig (bij Fonetiek in Utrecht).
Het probleem kan als volgt worden verholpen:

In Praat, selecteer Control > Preferences > Set print command.
Vul nu in: lpr %s of lpr -Php_ps_10_2 %s . Praat roept voor afdrukwerk nu het Unix commando lp aan.

Een tweede mogelijkheid is om op te geven dat Praat het Unix commando lpr moet aanroepen. Vul dan in, bij dezelfde instel-optie: lp -c -d hp_ps_10_2 %s

(Theo Veenker, mei 1998, Jules van Weerden, februari 2000)

Van FEP results naar SPSS data

Iedere keer als je met FEP een proefpersoon laat deelnemen aan je experiment, dan maakt FEP een nieuwe resultaat-file voor die proefpersoon. Meestal hebben die files de naam experiment.list.nnn, waarbij experiment de naam is van jouw FEP programma, list is de naam van jouw stimuluslijst, en nnn is het nummer van de proefpersoon in de huidige Subject Database van FEP. Een typische naam van zo'n resultaatfile is bv. bfc.list1.023. De precieze naamgeving hangt af van het zgn 'result file template' dat je in FEP kan instellen onder Options > Setup.

Iedere resultaatfile bestaat uit een header, een aantal data-regels, en een footer. Voor de statistische analyse zijn we alleen geïnteresseerd in de data-regels. Iedere regel correspondeert met één responsie. De informatie op iedere data-regel is weggeschreven in het FEP-programma met de opdracht log; je kan dus in jouw FEP-programma nagaan welke gegevens er op iedere data-regel staan.

Voor de verdere analyse willen we (1) de data-regels van alle proefpersonen combineren in één grote data-matrix, en (2) de header en footer van resultfiles hierbij negeren. Bovendien is het handig als (3) op iedere regel (d.w.z. bij iedere responsie) ook vermeld staat van welke proefpersoon die afkomstig is. Het proefpersoon-nummer kan afgeleid worden uit de filenaam van de resultaatfile.

Deze taken kunnen handig uitgevoerd worden met het programma awk, dat juist is ontwikkeld voor dit soort manipulaties op datafiles. (In feite gebruiken we nawk, een nieuwe versie van nawk). We kunnen volstaan met een éénregelig programmaatje, dat te vinden is in bestand fep2data.awk. Lees vooral ook het commentaar in de header van dit programmaatje!

Een typische aanroep van dit programmaatje is als volgt (vanuit Unix commandline):

nawk -f fep2data.awk bfc.list*.* > exp.dat
.i.. ......ii....... ....iii.... ....iv...

(i) Deze aanroep start nawk, (ii) waarbij nawk zijn opdrachten leest uit file fep2data.awk. Het programma nawk op zijn beurt (iii) neemt als invoer alle bestanden die overeenkomen met de specificatie bfc.list*.*. Zorg dat deze specificatie overeenkomt met alle-en-alleen resultaat-files van jouw experiment.

Controleer deze specificatie eerst met de aanroep ls bfc.list*.*; deze aanroep moet alle-en-alleen resultaat-files weergeven. Pas de specificatie zonodig aan.

(iv) Het resultaat van nawk wordt weggeschreven naar de standaard output (normaliter is dat het scherm), met > exp.dat wordt de standaard output omgeleid naar het bestand exp.dat. Let hierbij zeer goed op dat er niet een bestand exp.dat is dat reeds waardevolle gegevens bevat; deze worden gegarandeerd overschreven door de nieuwe uitvoer!

Het resultaat is een datafile exp.dat dat (1) alle data-regels bevat van de gespecificeerde resultfiles, dat (2) alléén die data-regels bevat, zonder headers en footers, en (3) waarbij iedere regel begint met het nummer van de proefpersoon. Dit bestand kunnen we weer importeren in SPSS of andere statistische programmatuur.

(Hugo Quené, april 1999)

Exotische bemonsteringsfrequenties

Hoe kan je een andere bemonsterfrequentie dan 8, 11.025, 16, 22.05, 32, 44.1, of 48 kHz instellen via het "audio panel" op een SGI werkstation? Gebruik het volgende commando (vanuit een shell window):

apanel -rate 10000

Je kan ook verschillende bemonsterfrequenties instellen voor bij opnemen en afspelen:

apanel -inrate 25000 -outrate 5000

Het audio panel meldt de werkelijk ingestelde bemonsterfrequentie. Onder IRIX 6.5 is praktisch elke frequentie tussen 3.7 kHz en 48 kHz in te stellen (dus ook 10 kHz, zie LPC: aantal coefficienten).

Zie man apanel en apanel -help voor meer informatie.

(Theo Veenker, april 1999)

afbeeldingen van Praat naar MS-Word

Soms wil je een afbeelding van Praat gebruiken in een verslag of manuscript. Dat kan. De procedure bestaat uit 2 stappen: (1) plaatje van Praat bewaren als PostScript-bestand, (2) PostScript-bestand importeren in Word.
van Praat naar PostScript
in Praat:
van PostScript naar Word
in Word:
PostScript converter installeren
Als je pech hebt, is jouw MS-Word nog niet in staat om bestanden in PostScript (een grafische programmeertaal) te begrijpen. Dat moet je aanpassen, door een zgn. PostScript converter te installeren. De installatie daarvan zit diep weggestopt (meestal) in MS Office.
LET OP: Om de één of andere onbegrijpelijke reden werkt deze converter alleen goed in de engelstalige versies van MS-Word. Als je een nederlandstalige versie hebt, dan is het helaas niet mogelijk om PostScript afbeeldingen in een document afgedrukt te krijgen.
(Hugo Quené, oktober 1999)
Meer nuttige aanwijzingen en achtergronden over PostScript en aanverwante zaken staan in een document getiteld FAQ - How do I create a ps or pdf file of my paper? (met dank aan Willemijn Vermaat voor deze hyperlink).
(Hugo Quené, januari 2001)

Web: Notatie-conventies in URL

Deze informatie is bedoeld voor iedereen die zelf HTML-pagina's maakt.
  1. Het is handig om adressen in leesbare tekst tussen <vishaken> te zetten. Niet in de links zelf natuurlijk, maar wel als je een URL uitschrijft in de tekst zelf. Met vishaken kunnen allerlei programma's beter die adressen herkennen. (Dat sommige programma's zoals Eudora of Word het ook zonder die vishaken kunnen, wil niet zeggen dat deze conventie overbodig is; het e-mail-programma Pine bv heeft die vishaken wel nodig).
  2. Als je vóór een e-mail-adres, binnen de vishaken, het protocol aangeeft...
    <mailto:Voornaam.Achternaam@let.uu.nl>
    ... dan wordt het hopelijk (in sommige programma's, zie hierboven) een echte URL die direct be-klik-baar is. Handig!
  3. Als je in een URL verwijst naar een directory, dan is het voor de browser handiger om de URL te eindigen in een slash: Naam/personal/
    De server weet dan meteen dat er om een directory gevraagd wordt, en niet om een file met die naam. De server serveert dan meteen de file index.html of wat dan ook in dat directory. Zonder slash gaat het wat moeizamer, omdat de server dan moet gaan zoeken naar de bedoelde directory. Voordeel van die slash is dus dat een pagina sneller laadt, en minder netwerkverkeer oplevert. Nadeel is dat het minder mooi is voor een mensenoog. Maar in onzichtbare URLs is dat nadeel nihil.
(Hugo Quené, februari 2000)

Web: HTML-bestanden opgeslagen op netwerk-schijf W:

Deze informatie is primair bedoeld voor medewerkers van de opleiding Taalwetenschap.
Als je een web-pagina hebt aangemaakt op je PC, dan kan je deze makkelijk opslaan op de virtuele schijf W:\ die aan je PC is gekoppeld. Deze schijf is gekoppeld naar een Unix-machine; de pagina's worden dan rechtstreeks opgeslagen op de juiste locatie voor de web-server. Hierbij wordt de opgeslagen web-pagina geconverteerd van Windows-formaat naar Unix-formaat.
Om onbekende redenen wordt ook de file-protectie van de opgeslagen file gewijzigd, zoals je kan zien als je via Unix naar het zojuist opgeslagen document kijkt. Met het commando ls -l zie je de inhoud van een directory. De file-protectie (in eerste kolom) bleek gewijzigd van -rw-r--r-- naar -rwxr--r--. De file is 'executable' geworden, ofwel: het document is een programma geworden. Dat wordt ook zichtbaar door een sterretje achter de filenaam (in laatste kolom).
Alweer om onbekende redenen heeft deze gewijzigde file-protectie tot gevolg, dat je niet in JavaScript eigenschappen van het document kan bepalen. In concreto: de JavaScript aanroep document.lastModified geeft niet meer het gewenste resultaat.
De oplossing is simpelweg, om de file-protectie weer te herstellen. In Unix doe je dat met het volgende commando:

chmod a-x mydocument.html

Voor meer informatie over Unix file-protecties en chmod kan je kijken in een Unix handboek, of bij de manual pages (Unix commando man chmod).
(Hugo Quené, februari 2000)

Word: PostScript of PDF bestand aanmaken

  1. Een PostScript printer installeren in MS Windows.
    Kies Start > Settings > Printers > Add Printer. Ik gebruik Apple Color LaserWriter 12/600, die levert correcte PostScript uitvoer zonder printer-specifieke eigenaardigheden, zoals het hoort dus.
  2. In Word, document afdrukken naar bestand; kies Print... > Print to file, met gebruik van hierboven geïnstalleerde PostScript printer driver.
  3. Extensie van resulterende print-file veranderen van *.prn naar *.ps .
    Het resultaat is een PostScript bestand dat je kan distribueren. Dit document wordt overal ter wereld identiek afgedrukt, mits op een PostScript printer. Een PostScript bestand is meestal nogal groot.
  4. In MS Windows een viewer installeren voor PostScript bestanden, GhostScript (onderbouw, interpreter) en GSView (bovenbouw, viewer). Deze twee programma's werken bovenop elkaar, in tandem. Je hebt beide programma's nodig. Beide programma's zijn te vinden in één pakket, via het facultaire netwerk te vinden bij Q:\Fonetiek\GS*w32.exe . Meer informatie is beschikbaar via de GhostView webstek.
  5. In GSview, bestand *.ps inlezen; kies File > Open.
  6. In GSview, actieve bestand afdrukken als pdf bestand; kies File > Print. In het Printer Setup venster kan je daarna een output device selecteren, dat moet dan device PDFWRITE zijn.
    Verdere instellingen: "Print to file" YES, "Postscript Printer" NO, resolutie 600.
    Het resultaat is een PDF bestand dat je kan distribueren. Dit document wordt overal ter wereld identiek afgedrukt (op alle printers), en ziet er overal ter wereld identiek uit op het beeldscherm. De gebruiker heeft wel een PDF viewer nodig, bv Adobe Acrobat Reader. Een PDF bestand is meestal een stuk kleiner dan een PostScript bestand.
LET OP: in de PostScript bestanden zijn alle fonts in orde, ook al ziet het er op het scherm niet altijd goed uit. Dat is omdat het beeldscherm geen PostScript device is, maar een PostScript printer wel.
Bij de conversie van PostScript naar PDF gaan alleen de elementaire fonts goed over naar PDF. Dat zijn de openbare fonts die in GSview ingebouwd zijn. Andere fonts, zoals fonetische tekens, komen niet mooi in het PDF document terecht.
(Hugo Quené, juli 2000)