Aristoteles, Over Dieren

[Dit werk is ook bekend als Toon Peri Ta Zooia Historioon en als Historia Animalium. Hieronder volgen enkele interessante fragmenten uit Boek 4, deel 9, secties 535 en 536]

Stem en geluid zijn verschillende dingen, en spraak is wéér iets anders. Ieder dier kan z'n stem alleen laten klinken vanuit z'n keel -- daaruit volgt dat dieren zonder longen ook geen stem hebben -- en spraak is de articulatie van stemgeluiden door middel van de tong. Dus (1) klinker-geluiden worden voortgebracht met de stem en het strottehoofd, (2) medeklinkers worden gemaakt met de tong en de lippen, en (3) spraak bestaat uit deze klinkers en medeklinkers. Daaruit volgt dat dieren die geen tong hebben, of een tong die niet vrij kan bewegen, geen stem en ook geen spraak hebben (hoewel ze wel op andere manieren geluid kunnen maken). (…) Vogels kunnen wel hun stem laten klinken, en ze articuleren beter naarmate ze een platter of dunner tongetje hebben. (…) stem, Gr. phoonè
geluid, Gr. psophos, 'ongearticuleerd geluid' (!), ook geruis van water of bladeren
spraak, Gr. dialektos

Levendbarende viervoeters hebben een stem waarmee ze allerlei geluiden voortbrengen, maar ze kunnen niet spreken. Dit vermogen om te spreken is eigen aan de mens. Spraak is alleen mogelijk met een stem, maar niet iedereen met een stem kan ook spreken. Twee voorbeelden:
eigen, Gr. idion, wel 'specifiek' maar niet 'uniek'
  • Mensen die doof geboren zijn, zijn ook altijd stom, dat wil zeggen, ze kunnen wel hun stem laten klinken maar ze kunnen niet spreken.
  • En: kleine kinderen hebben nog geen beheersing over hun ledematen, en evenmin over hun tong. Die zit nog vastgegroeid, en moet zich geleidelijk losmaken, en in de tussentijd kunnen kinderen alleen haspelen en hakkelen.
Stemgeluiden, en spraakklanken, verschillen per streek. De stem wordt gekarakteriseerd door z'n toonhoogte (hoog of laag); en de aard van de stem verschilt niet binnen eenzelfde diersoort. Maar gearticuleerde geluiden, die we "spraak" zouden kunnen noemen, verschillen wèl per streek, zowel tussen diersoorten, alsook binnen eenzelfde soort. Bijvoorbeeld: sommige patrijzen kakelen, en andere knerpen. (…) Het is ook werkelijk waargenomen dat een moeder-nachtegaal lessen gaf aan haar jong. Uit deze waarneming mogen we afleiden dat de spraak van de vogel niet aangeboren is zoals zijn stemgeluid, maar dat die spraak nog gevormd en gekneed kan worden. Alle mensen hebben eenzelfde soort stem, maar ze verschillen van elkaar in hun spraak. Volgens Thompson is dit echter een specifiek onderscheid, d.w.z. tussen verschillende soorten patrijzen.

Geschreven ca. 350 v.Chr. door Aristoteles (384-322 v.Chr.); deze vertaling © 2000 door Hugo Quené.

Meer weten?
Lees on-line griekse brontekst (vanaf markering (9) onderaan in dat fragment) of engelse vertalingen; encyclopedische achtergrond bij dit werk (alles van Perseus project).

Geraadpleegde edities: