CKI-10

Karolien van Dam

studentnummer: 0111163

 

TAALVERWEKING

Taalvermogen bij primaten

Kanzie - een aap uit het primatencentrum,

Kanzie is een Bonobo die ze een taal willen leren. Spraak is moeilijk omdat een primaat daarvoor niet de geschikte organen beschikt (bij een mens zijn deze verder ontwikkeld). Symboolsystemen, daarentegen leren Bonobo’s gemakkelijk, met name symbolen die concrete objecten betekenen. Kanzie keek toe hoe een andere aap werd onderwezen en pikte onderwijl zelf het symbolensysteem op. De andere aap bleek niet slim genoeg om het symbolensysteem te leren.

Dergelijke onderzoeken worden gedaan om te kijken of andere organismen, dan mensen, en dan met name primaten, ook taalvermogen kennen en of het genetisch bepaald is. Dit willen we graag weten om er achter te komen of we qua intelligentie uniek zijn in deze wereld.

Definities van Taal

De vraag is of Kanzie wel of geen taal leerde.

Argumenten voor: Kanzie was in staat om symbolen te combineren

Argumenten tegen: Trucjes/herkenning, door middel van de beloningstactiek uit het beheaviorisme is het mogelijk om dieren trucjes te leren, en dingen te herkennen, zo kan het ook met het symbolensysteem werken.

Om antwoord op de vraag te geven is het belangrijk om te definieren wat menselijk taal nou precies inhoudt. Het is een combinatie van grammatica woordcombinaties en kennis.

Belangrijk is niet alleen betekenis van symbolen maar ook de vaardigheid van het herkennen van combinaties en het structureel vormen van combinaties. Dit laatste wordt in de algemene opvatting gezien als essentiele eigenschap van de menselijke taal.

Verder is het binnen de menselijke taal mogelijk om met een beperkt aantal symbolen en oneindig aantal combinaties te maken.

Bij Kanzie, en andere primaten met wie soort gelijk e experimenten gedaan zijn, kwam elke keer naar voren dat hoewel combinaties herkend werden er geen structuur zat.

Dus nee primaten kunnen geen taal leren.

Een aan te brengen kanttekening is dat het misschien niet aan het taalvermogen van primaten ligt dat ze de menselijke taal niet eigen worden, maar de manier waarop mensen hem proberen aan te leren.

Een voorbeeld hiervan is het walvissenlied, dat misschien wel een taal is, maar dat voor ons niet duidelijk is, opnieuw ligt de moeilijkheid binnen de defenities van de taal.

Het uitganspunt is hierna dat alleen mensen beschikken over taal en dat het voor primaten niet mogelijk is om de menselijke taal eigen te maken.

Taalvermogen bij de mens

Vermogen om grammatica te leren is soortspecifiek, biologisch bepaald:

1. Gevoeligheid voor relevante prikkels

2. Uniforme ontwikkeling: Kritische periode.

3. Modulariteit (taalvermogen = autonoom)

4. Blauwdruk voor grammatica

5. Inspanning

1. Gevoeligheid voor relevante prikkels

Pauze, ritme, de duur van klinker binnen lettergrepen en timing hangen allemaal samen met de grammatica van een zin.

Mensen zijn instaat om met bovenstaand hulpmiddelen delen van zinnen te herkennen, en gebruiken dit ook.

In teksten die normaal worden voorgelezen vallen de pauzes van de voorlezen automatisch samen met de zinsdeelen. Uit experimenten met baby’s blijkt dat ze meer aandacht vertonen voor teksten waarin deze 2 inderdaad samenvallen, dan voor teksten waarin de pauzes kunstmatig worden ingelast. Dit laat zien dat deze vaardigheid aangeboren is.

Opvallend hierbij is dat tot 6 maand de baby’s geen voorkeur hebben voor moedertaal of een vreemde, maar dat dit na 6 maand wel op gaat treden.

Bij het leren va je moedertaal is het belangrijk om onderscheidt te maken tussen inhouds- en funtctiewoorden. Dingen in deze wereld zijn inhoudswoorden, functiewoorden verbinden de inhoudswoorden.

Er is een verschil in uitspraak tussen inhouds- en functiewoorden. Bij de laatste zijn er geen klemtonen, en de klinkers zijn verkort.

Baby;s geven aan verhaaltjes waarin de functie woorden vervangen worden door klanken als ba, ki, po, ku en gi meer aandacht dan aan " correcte" (qua functie woorden) te kosten.

Jonge kinderen blijken heel alert te zijn op alle informatie die helpt bij taalontwikkeling.

Kinderen beginnen rond hun eerste jaar woorden uit te spreken.

2. Uniforme ontwikkeling: Kritische periode

o maand Huilen

glimlachen

3 maand vocaliseren

6 maand articulatorisch spel zitten

9 maand gevarieerd brabbelen

12 maand 1ste woord, 1-woordszinnen lopen

2 jaar meer-woordszinnen

(telegramstijl

snelle toename woordenschat

morfologie/morfosyntaxis

3 jaar toename zinslengte

enz.

4 jaar naar school

5 jaar ontwikkeling van de grammatica

Dit is voor elke taal en binnen elke cultuur identiek. En loopt gelijk met de onwikkeling (rijping) van het brein. De tijd verschilt per individu, de volgorde van ontwikkelingen is praktisch altijd gelijk. Waarbij opvallend is dat jongens vaak wat voor lopen op meisjes.

Kritiek periode Als je het nu niet leert dan leer je het nooit meer.

Taalvermogen is zowel een kwestie van Nature, als van Nurture, dus het is voor een gedeelte aangeboren en het is voor een gedeelte aangeleerd.

Bij zogenaamde wolfskinderen en kinderen die zeer geisoleerd opgroeien vind er vaak ontwrichte taalontwikkeling plaats.

Bijvoorbeeld Genie, Haar vader had haar opgesloten in een donkere kamer, en er werd nauwlijks met haar gecommuniceerd. Op haar 12de werd ze ontdekt, en vanaf dat moment bestudeerd door Suzanne Curtis. Op dat moment kende zelf slechts 2 woorden. In de loop der tijd groeide haar woordenschat wel, maar haar grammatica nauwlijks en haar zinnen bleven hangen in telegramstijl. Opvallend is verder dat Genie haar intonatie nooit correct is geworden.

Cognitieve vaardigheden

Uit onderzoek naar personen met hersenbeschadiging is gebleken dat het taalvermogen niet direct samen hangt met andere cognitieve vaardigheden. Als het taalvermogen van een kind slecht is wordt over het algemeen eerst andere problemen, als doofheid en psycho-sociale problemen uitgesloten waarna de diagnose specific language impairment wordt gesteld.

Op het moment dat er wel een duidelijk taalvermogen is, maar dat andere cognitieve vaardigheden achter blijven spreken we van het Williams-Syndroom. Mensen die haar aan lijden hebben de eigenschap dat ze heel veel praten maar dat het vrijwel inhoudsloos is, terwijl het grammaticaal gezien correct is.