Samenvatting van Lezing :"Taal en Acquisitie"(F. Wijnen, 9-10-2001)

Samengevat door : Wouter Van Gool CKI10 2001

 

1. Wat is Taal?

F. Wijnen begon zijn lezing met een verwijzing naar experimenten met apen die symbolen leren. Het bekendste voorbeeld hiervan is de bonobo Kanzi, die 256 symbolen kent. Deze experimenten zijn belangrijk omdat men zo kan zien of taalvermogen louter menselijk is en dus eigen is aan onze unieke, genetische en biologische constitutie of ook voorkomt bij dieren.

Om te weten of dieren een taalvermogen bezitten is het belangrijk om eerst het begrip taal te definieren. Taal is een regelsysteem van abstracte symbolen die naar objecten in de werkelijkheid referen om zo te kunnen communiceren. Verder is er het principe van compositionaliteit. Door combinaties te maken met symbolen kan de mens nieuwe betekenissen generen, waarbij de betekenis van de combinatie een betekenis is in functie van deze combinatie. Een cruciaal onderscheid tussen mens en dieren is dat de mens in staat is een vaste structuur of grammatica in deze symbolen en combinaties kan brengen.

Uit deze experimenten met apen blijkt dat dieren niet in staat zijn taal te generen. De psycholoog Terrence concludeerde dat apen wel symbolen kunnen leren en gebruiken, en zelfs combinaties kunnen maken, maar ze kunnen hierin geen structuur aanbrengen. Verder zijn er in de natuur nog andere bekende communicatiesystemen (bv. de bijendans), maar geen van deze systemen heeft een vaste structuur of grammatica.

Dit schijnt er dus op te wijzen dat het vermogen om grammatica te leren en hiermee structuur aan te brengen in taal specifiek menselijk is en ons ook biologisch onderscheidt.

Er zijn dan ook vele aanwijzingen in deze richting.

2. Aanwijzingen voor het menselijk Taalvermogen.

2,1 Gevoeligheid voor relevante Prikkels.

De prosodie (d.i de toonhoogte, intonatie en het ritme) bevat veel prikkels waar mensen heel gevoelig voor zijn. Voorbeelden van dergelijke prikkels zijn : de syntactische grenzen en de pauzes binnen een zin , de intonatie-bewegingen en de verlenging van klinkers. Deze prikkels verdelen taal in subeenheden, voor een meer efficiente verwerking.

Bewijzen hiervoor zijn te vinden in een experiment van Kemler-Nelson. Dit experiment was in de vorm van een preferential listening proefopstelling, waarbij via een speciale opstelling werd gekekem naar de voorkeur van babies voor bepaalde soorten gemanipuleerde geluiden. Babies bleken inderdaad een voorkeur te hebben voor taal waarin de hoger besproken prikkels voorkwamen.

Kinderen kunnen al op jonge leeftijd het verschil maken tussen functiewoorden en inhoudswoorden. Inhoudswoorden hebben een zelfstandige betekenis, bv. werkwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden. Functiewoorden leggen relaties in een zin vast, bv. hulpwerkwoorden en bijwoorden. Deze twee categorien vormen een belangrijke basis voor Taal. Dit werd door Shafer getest in zgn. auditory evoked response experimenten.

Kinderen zijn dus al op heel jong leeftijd gevoelig eigenschappen die systematisch samenhangen met taal.

Men kan in dit soort onderzoeken wel de bedenking maken of deze voorkeur aangeboren dan wel aangeleerd is.

2,2 Het Taalproces heeft een uniforme Ontwikkeling.

De taalverwerving bij kinderen gebeurt altijd volgens hetzelfde vaste patroon ;

namen

0 maanden :

vocaliseren

3 maanden : Vroeglinguaal

articulatorisch spel

6 maanden : canoniek brabbelen

9 maanden : gevarieerd brabbelen

12 maanden : 1e woorden & eenwoordszinnen

2 jaar : meerwoordszinnen

snelle toename woordenschat

morfologie/morfosyntaxis

3 jaar : toename lengte van de zinnen

5 jaar : "telegramstijl" Differentiatie

Bovendien zijn er sterke aanwijzingen dat dit proces correleert met biologische rijpingsprocessen in de cortex. Taalverwerving zou dan ook een biologisch proces zijn.

Verder is het ook zo dat dit taalverwervingsproces gepaard gaat met een kritieke periode. Als de taalverwerving niet voor deze periode is gebeurd lukt het niet meer. Bewijzen hiervoor zijn de zogenaamde wolverenkinderen en het meisje Genie, dat voor haar dertiende geen verbale communicatie had gehad. Beide gevallen konden nooit meer een normaal taalvermogen krijgen.

2,3 Modulariteit van Taal,

Er zijn aanwijzingen dat er een specifiek taalorgaan bestaat. Hiervoor moet men kijken naar dissociaties en hersenbeschadigingen. Zo zijn er specific language impairments. Bij deze stoornissen hebben mensen geen taavermogen terwijl het cognitieve vermogen normaal is. De tegenhanger hiervan is het Williamssyndroom, waarbij het taalvermogen heel goed is en het cognitieve vermogen zeer slecht.

2,4 Blauwdruk voor Grammatica in de Hersenen.

Dit is niet echt uitvoerig besproken, maar dit is een sterke aanwijzing dat er een specifieke universele grammatica moet bestaan (cfr. Chomsky).

3. Besluit.

Taal is een uniek menselijke eigenschap die nauw samenhangt met onze biologische, genetische constitutie. Typisch menselijk is dat we taal kunnen ordenen en structureren. Dit wordt bestudeerd in de universele grammatica.