·          Kwantificatie over andere domeinen

            tot nu toe: determinatoren, telbare nomina

 

·          Telbaar/niet telbaar onderscheid

 

telbare nomina:

            stoel, boek, student, mens, …

 

criteria:

¨         sg/pl: stoel-stoelen, kind-kinderen

 

¨         indefiniet lidwoord en telwoorden ok:

een mens, twee stoelen, drie kinderen

 

¨         in Engels: many, few ok:

            many children, few books

 

¨         maateenheden niet ok:

            *twee kilo stoelen, *twee liter banaan

 

¨         ‘kale’ NP alleen bij pl:

 

(i)        Ik heb *kind/kinderen gezien

 

niet-telbare nomina:

            water, olie, zand, liefde, meubilair

 

criteria:

 

¨         geen morfologisch sg/pl onderscheid:

            zand/*zanden

            maar: water/wateren, liefde/liefdes, olie/oliën

 

¨         indefiniet lidwoord en telwoorden niet ok:

            *een meubilair, *twee zand, *vijf olie,

*drie liefde

            maar: twee water, drie koffie, vijf wijn

(i)        Een Californische wijn is lekker.

 

¨         in Engels: much, little ok:

            much wine, much oil, little love, little

sand.

 

¨         maateenheden ok:

            twee kilo zand, twee liter olie

 

¨         ‘kale’ NP OK:

 

(i)        Ik heb zand gestrooid/olie gelekt/…


· Nomina die verwijzen naar ‘massa-achtige’

objecten zijn meestal niet-telbaar.

 

· Bij woorden die voorkomen als telbaar en niet-telbaar verwijst vaak het telbare woord naar de ‘concrete’ betekenis, en het niet-telbare woord naar de ‘abstracte’ betekenis:  liefde, ruimte, advies

 

· Niet in alle gevallen is telbaar/niet-telbaar onderscheid afleidbaar uit kennis van de wereld.

 

¨         twee woorden voor hetzelfde:

meubels-meubilair, haar-haren.

 

¨         variatie tussen talen: classifiers, b.v.

 Chinees.

 

· Conclusie: telbaar/niet telbaar onderscheid is talig, niet (alleen) conceptueel.

 

· Veel niet-telbare nomina komen ook voor in een telbare variant, andersom niet altijd.

 

Van niet-telbaar naar telbaar:

 

¨ afbeelding op ‘standaard’ hoeveelheid (geen maateenheid nodig!)

 

(i)        Ober, mag ik twee koffie, drie rode wijn,

en een mineraalwater altublieft.

(ii)       Waiter, can I have two coffees, three red

wines, and a mineral water, please.

 

¨         afbeelding op ‘subsoorten’ (taxonomie)

 

(i)        Deze drie rode wijnen komen uit Portugal,

deze twee uit Californië.

 

Van telbaar naar niet-telbaar:

 

¨Afbeelding op ‘substantie’

 

(i)        Er zit teveel appel in de salade.

(ii)       There is too much apple in the salad.

 

¨ Soms verschillende woorden voor ‘object’ en ‘substantie’:

 

boom-hout, varken-varkensvlees

maar: kip-kip, vis-vis

 

vgl Engels tree-wood, cow-beef, pig-pork

maar: chicken-chicken, fish-fish


· Cumulative/quantized referentie

 

¨ Niet-telbare nomina hebben cumulatieve referentie: deel van het geheel is van hetzelfde type als het geheel (tot aan: kleinste deeltjes), en de som van verschillende delen is ook van hetzelfde type.

 

(i)        Water toegevoegd aan water is water.

            Water onttrokken aan water is water.

 

¨ Telbare nomina hebben quantized reference: deel van het geheel is niet van hetzelfde type als het geheel, en de som van twee delen is ook niet van hetzelfde type.

 

(ii)       Een stoel plus een stoel is geen stoel.

            Een deel van een stoel is geen stoel.

 

· Kwantificatie: meten vervangt tellen.

 

·  Telbare nomina: verwijzen naar objecten of individuen in model. In verzamelingenleer: elementen van het universum.

 

· Niet-telbare nomina: criterium voor identificatie ontbreekt. In model: massa met meetfuncties (‘measurement’).

 

Dus: rijkere ontologie.

 

· Sommige talige uitdrukkingen zijn gespecialiseerd in tellen (telwoorden, many/few), anderen in meten (maateenheden, much/little). Beperking op domein van kwantificatie.


·          Parallel in domein van werkwoorden:

 

            telisch/niet-telisch onderscheid:

            cumulatieve/quantized referentie

 

¨ ‘duur’ adverbia (urenlang, een maand lang):

meet hoe lang de activiteit duurt.

 

(i)        Marie wandelde urenlang.

            Karel at urenlang chips.

            Jenny keek urenlang naar de zee.

 

¨ in adverbia:

meet hoe snel een handeling is voltooid.

 

(ii)       Marie liep de marathon in twee uur.

            Karel at in een uur drie pannekoeken op.

            Jenny bereikte de top in een uur.

 

 


·          Kwantificerende adverbia:

A-kwantificatie vs. D-kwantificatie.

 

¨         Kwantificatie over gebeurtenissen

 

(i)        Jan is twee keer naar Parijs geweest.

(ii)       Jenny gaat vaak zwemmen.

(ii)       Karel gaat meestal alleen naar de film.

 

¨         Kwantificatie over individuen

 

(i)        Een gedicht gaat vaak over liefde.

» Veel gedichten gaan over liefde.

 

(ii)       Een ooievaar heeft meestal een partner

voor het leven.

» De meeste ooievaars hebben een partner

voor het leven.

 

 

· Wat is de restrictie op de kwantor?

In GQ termen: als adverbium Q(A,B), hoe bepalen we A?

 

¨         rol van syntaxis:

 

(i)        Wanneer Jenny naar de film is geweest

gaat ze daarna altijd een borrel drinken in

de Bastaard.

 

¨         rol van focus

 

(ii)       Karel gaat altijd ALLEEN naar de film.

 

¨         rol van presupposities

 

(iii)      Marie wint altijd.

 

· Focus en presupposities spelen ook een rol in de interpretatie van determinatoren, maar alleen als een verdere beperking op A.

 

(i)        De meeste schepen lossen ’s nachts.

 

(ii)       De meeste mensen slapen ’s nachts.

 

(iii)      De meeste mensen winnen minder dan 100

euro per avond.

 

Conclusie: Bij D-kwantificatie is de rol van syntaxis groter dan bij A-kwantificatie.


·Anaforische relaties:

Grenzen aan de predikaatlogica

 

Discourse en ‘donkey’ anafora

 

¨Afhankelijkheden op tekstniveau:

 

(i)        Jan kwam binnen. Hij had een vraag.

 

(ii) De dekaan kwam binnen. Hij had een vraag.

 

(iii) Een student kwam binnen. Hij had een vraag.

 

(iv) Iedere student kwam binnen. Hij had een vraag.

 

 

Conditionele constructies:

 

(i)        Als een studenti van muziek houdt speelt hiji vaak in een band.

 

($x (Stud(x) Ù HvM(x)) ® Spb(x))

NEE: x niet gebonden

           

"x ((Stud(x) Ù HvM(x)) ® Spb(x))

 JA: maar hoe komen we hieraan?

 

(ii)       *Als iedere studenti van muziek houdt speelt hiji vaak in een band.

 

            ("x (Stud(x) Ù HvM(x)) ® Spb(x))

 

Vgl.

 

(iii)      Als iedere student van muziek houdt, moeten er in Utrecht wel veel bands zijn.

(iv)      Iedere studenti zegt dat hiji van muziek houdt.