Tekst van een voordracht voor de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Wetenschapsfilosofie, Leusden 15 mei 2004

Thijs Pollmann (UiL-OTS)

 

Dames en Heren,

 

In NRC/Handelsblad van 4 januari 2002 verscheen op de kinderpagina in een rubriek met nieuws over Harry Potter een ingezonden brief van een elfjarige jongen. De brief had als opschrift “Fout”. Hij begint zo.

“De data in de Potterboeken kloppen niet. Harry ontmoet Hagrid op zijn verjaardag, en het is duidelijk dat dit op dinsdag 31 juli is. Dat is dus 1990 (...). De eerstvolgende datum is ‘vrijdag 16 oktober’ genoemd in Harry’s derde jaar. Inderdaad is 16-10-1992 een vrijdag. Maar Hagrid moet op 20 april het jaar daarop voor de commissie komen, en als het zover is, zegt hij dat het vrijdag is. Maar 20 april 1993 is een dinsdag.

Om aldus te eindigen

Samengevat, de data ‘dinsdag 31 juli’, twee jaar later ‘vrijdag 16 oktober’ gevolgd door ‘volle maan met Kerst’ en dan ‘vrijdag 20 april’ en een jaar daarna ‘dinsdag 24 november’ zijn niet in overeenstemming met elkaar.” Einde citaat. Eigen nieuws Jan Willem Nijenhuys. 

De rekenmethode zal onmiddellijk aanspreken. De kritiek van de ingezondenbrievenschrijver berust op aannames betreffende de inrichting van onze kalender. Die is willekeurig, maar innerlijk consistent. Als 15 mei een zaterdag is, dan is 16 mei een zondag etc. Het is een voorbeeld van rechtvaardiging-als-effect-van-coherentie. Daar gaan we het over hebben.

Ik wil een pleidooi houden voor de zogenaamde coherentietheorie van rechtvaardiging, een theorie die in het verleden de spotlust  gaande heeft gemaakt van overigens weldenkende filosofen, maar volgens mij als theorie van rechtvaardiging van kennis hoogst serieus moet worden genomen, om niet te zeggen superieur is aan de concurrent. Die concurrent wordt in het Engels doorgaans foundationalism genoemd. Ik zal hem verder aanduiden met het woord fundamentisme. Het fundamentisme zegt dat de rechtvaardiging van kennis uiteindelijk in een fundament voor kennis gevonden wordt dat geen verdere rechtvaardiging behoeft. Zij claimen dat alle kennis gevestigd is op een grondslag. Er is een rockbottom of knowledge.

Het coherentisme daartegenover claimt dat een overtuiging in principe wordt gerechtvaardigd door een of meer andere overtuigingen krachtens de wederzijdse samenhang van de overtuigingen. Kennis heeft geen grondslag. Er is geen rockbottom of knowledge.

In fundamentistische kentheorieën wordt rechtvaardiging beschouwd als een lineaire zaak. Iedere rechtvaardiging vraagt om een nieuwe, “diepere” rechtvaardiging. Het fundamentisme staat daarom bloot aan de dreiging van oneindige regressie. Dit gevaar van oneindige regressie is niet goed op te lossen, omdat de status van de overtuigingen die geen rechtvaardiging behoeven, onduidelijk is. Dit probleem is - althans in de meest recente versies van de fundamentistische positie -  voorzover ik weet, niet opgelost.

Voor de coherentisten is een probleem dat rechtvaardiging het gevaar loopt “circulair” te zijn. Redeneringen zijn – zo wordt wel spottend van de coherentistische visie gezegd – als dronken zeelieden op een stuurloze boot in een storm. Er is nergens houvast; want er is geen grondslag.

De coherentistische positie is kwetsbaar omdat hij onduidelijk is, zo beweren de fundamentisten. Door coherentisten zijn er weinig overtuigende voorbeelden en analyses gepresenteerd van redeneringen waarin ‘samenhang’ expliciet de rechtvaardigingsgrondslag is.  Niettemin, de coherentietheorie van rechtvaardiging is – als grondslag voor wetenschappelijke zekerheid – al lang geleden van twee zijden verdedigd. Mensen als Blanshard  hebben er voor de Tweede Wereldoorlog al (Blanshard, The nature of thought 1940) op gewezen dat in de wiskunde en de logica ‘coherentie’ de rechtvaardigingsgrondslag is. Huizinga heeft hetzelfde voor de geschiedbeoefening betoogd. Ik wil vanochtend drie gevallen ten tonele voeren die de coherentistische positie kentheoretisch ondersteunen. Daarna wil ik daarover generaliseren, door te laten zien dat het steeds om conceptuele samenhang gaat waarop de rechtvaardiging van kennis is gebouwd. De samenhang waar we het over hebben, zal het equivalent blijken van de samenhang tussen “item” en “context”. 

1. Casus 1

Mijn eerste casus begint bij het werk van Scaliger, dat ik al eens eerder als voorbeeld in uw kring ten tonele voerde. Scaliger (1540-1609) was een zestiende-eeuwse Franse humanist die in de tweede helft van zijn leven aan de universiteit van Leiden werkte.

Scaliger heeft met succes geprobeerd de tijdrekening van voorbije culturen te unificeren door alle tijdrekeningen van alle bekende volken uit de klassieke tijd af te beelden op één universele tijdbalk. De tijdstippen van zons- en maansverduisteringen zijn daarbij cruciaal. Het werk betrof uiteindelijk de unificatie van de tijdrekeningen van Assyrië-Babylonië, Arabië, Egypte, Ethiopië, Israël, Macedonië, Attica en - voor het Romeinse Rijk - van de pre-Juliaanse en van de Juliaanse tijdrekening. Temporele contiguïteit speelt in de redeneringen van Scaliger een prominente rol. Scaligers werk biedt een voorbeeld van een coherentistische rechtvaardiging.

Een filosoof die zich al vroeg met samenhang tussen “ideas” heeft beziggehouden, is David Hume (1711-1776). Hume (1748/2000) meent dat er drie (en niet meer dan drie) soorten relaties bestaan die samenhang scheppen tussen “ideas”, nl. gelijkenis, bijeenbehoren in ruimte en tijd, en causaliteit. In de Harry-Potter-kritiek en in het werk van Scaliger zijn voorbeelden te vinden van een Hume-se coherentierelatie gebaseerd op “tijd”. In hun eenvoudigste vorm vindt men een voorbeeld in (1) op de handout.

(1)       (a)        23 september 2003 was een dinsdag.

(b)       16 september 2003 was een dinsdag.

De bewering (1)(a) hangt samen met de bewering (1)(b). In principe berusten alle uitspraken betreffende de tijdrekening op coherentie.

Merk nu op dat de uitspraken niet alleen samenhangen, maar elkaar ook rechtvaardigen. Als de een waar is dan is de ander ook waar; en omgekeerd. Sterker nog: er lijkt geen nadere rechtvaardiging te zijn voor dit soort uitspraken dan coherentie met andere.

            Hetzelfde geldt voor de standen van zaken zoals beschreven in de zinnen (2)-(4) op de hand-out.

(2)       (a)        Theo is precies zijn broer Jan

(b)       Jan is precies zijn broer Theo

(3)       (a)        De Meern ligt ten westen van Utrecht

(b)       Utrecht ligt ten oosten van De Meern

(4)       (a)        Het heeft geregend

            (b)       De straten zijn nat.

Alle zinnen beschrijven overtuigingen die in principe gerechtvaardigde ware overtuigingen (kunnen) zijn. Het zijn dus kandidaten om naar epistemologische maatstaven kennis genoemd te worden. Tussen de beweringen van (2) bestaat een gelijkenisrelatie, tussen die van (3) een ruimtelijke contiguïteitsrelatie en tussen de zinnen van (4) een causale relatie. De (a)-zinnen beschrijven overtuigingen die gerechtvaardigd worden door de overtuigingen in de (b)-zinnen, en omgekeerd. Voor de zinnen (1), (2) en (3) is dat evident. Voor (4) geldt het ook. Bij de zinnen (4) wordt de causale relatie omgezet in een epistemisch causale (vgl. Sanders 1992) Het gevolg wordt oorzaak, en wel van de conclusie van het in het feitelijk oorzakelijk gedeelte beschrevene.

Voorlopig samenvattend: een rechtvaardigingstheorie van coherentie die deze inzichten incorporeert, zegt ongeveer het volgende (Bij A te vinden op de hand-out).

(A)       Het coherentisme claimt dat een overtuiging P gerechtvaardigd is als er andere overtuigingen zijn die met P een gelijkenisrelatie, een (temporele of ruimtelijke) contiguïteitsrelatie of een causale relatie onderhouden.

 

(A) is gebaseerd op een onafhankelijk gedefinieerde notie “coherentie” en een aanmerkelijke inperking ten opzichte van de klassieke formulering van “coherentisme” die het begrip definieert in termen van “logische consistentie”. Een betoog dat logisch consistent is is daarmee nog niet coherent: een betoog dat gebouwd is op relaties van gelijkenis, contiguïteit en oorzaak en gevolg wel.

2. Casus 2

Nu het tweede argument voor de gedachte dat het coherentisme verklaren kan wat het fundamentisme onverklaard moet laten. Het argument heeft als basis dat kennis veelal “talig”is. Rechtvaardiging van kennis draagt daarvan de sporen.

Ik hintte er daarnet al even op: taalhandelingen kunnen de grondslag zijn van uit de taalhandelingen voortvloeiende feitelijke standen van zaken, en op die standen van zaken gebaseerde kennis. Kennis betreffende allerlei aspecten van de maatschappelijke werkelijkheid heeft een dergelijke grondslag. Dat mijn voornaam Thijs is, dat ik getrouwd ben, dat ik gepromoveerd ben, dat ik in Utrecht woon en mijn werk heb, is steeds naar common sense-maatstaven onbetwijfelbare kennis, waarvan het fundament gevonden wordt in een aantal met elkaar samenhangende overtuigingen. Van die feiten maken taalhandelingen, zoals “noemen” of “in de echt verbinden” of “als personeelslid aanstellen” of “een doktorstitel verlenen”,  of “inschrijven in de gemeentelijke Burgelijke Stand” deel uit. Zoals bekend, zijn taalhandelingen alleen geldig als ze onder bepaalde sociaal gesanctioneerde voorwaarden, felicity conditions genoemd, worden uitgevoerd. In een rechtvaardiging van kennis omtrent standen van zaken die op zulke taalhandelingen gebaseerd zijn, zal mede geïncorporeerd zijn dat aan de voorwaarden waaronder ze geldigheid hebben verkregen, is voldaan. Dit brengt met zich mee dat de rechtvaardiging in een samenhang van overtuigingen is verankerd waarvan de een (en dat is belangrijk) epistemisch gezien niet voor de ander gaat. Deze taalhandelingen en het effect ervan staan tot elkaar in een (epistemisch-)causale relatie. Dat wil zeggen: taalhandeling en effect van de handeling rechtvaardigen elkaar.

            Iemand kan niet de overtuiging huldigen dat er buiten sneeuw ligt, als er niet ook een leerproces aan ten grondslag ligt waarin het concept sneeuw is verworven. Dit leerproces alleen kan evenwel niet de grondslag zijn voor de overtuiging dat er buiten sneeuw ligt. Alleen een samenwerking tussen kennis, coherente kennis, kan voor de rechtvaardiging zorgen van de bewering dat er buiten sneeuw ligt. Alleen coherente kennis kan de overtuiging rechtvaardigen. 

Taalhandelingen scheppen werkelijkheid. De kennis die ontstaat door door sommige taalhandelingen gerechtvaardigde coherentie, is typerend kennis die voortkomt uit bepaalde stipulatieve elementen in die taalhandelingen. “Ik doop u P”, uitgesproken onder de vereiste felicity conditions proclameert implicerenderwijs “U heet van nu af aan P”. Uitvoering van zo’n taalhandeling heeft een werkelijkheid creërend effect, als de taalhandeling door een in die handeling betrokkene en/of de gemeenschap wordt erkend. Het is dit effect dat als de kennis “U heet P.” wordt gekarakteriseerd. Van deze taalhandelingen is noemen filosofisch de belangrijkste. Het is een taalhandeling krachtens welke iemand leert dat naam en referent aan elkaar zijn verbonden. Uiteraard is het wat overdreven om hier van procedures, intenties en geëigende omstandigheden te spreken, dat neemt niet weg dat het proces van woorden-bij-concepten-leren in een geïdealiseerde vorm teruggaat op een taalhandeling van een daartoe in de samenleving bevoegde (ouder, opvoeder of onderwijzer ) die onder geëigende omstandigheden de correcte intentie heeft.  We generaliseren dit tot (B).

 

(B)       Woordkennis (kennis van termen) is door coherentie gerechtvaardigde kennis.[1]

 

Dat wil zeggen: het feit dat wij een moedertaal hebben geleerd, berust op coherentie. Wij kennen geen andere woorden en termen dan we onder geëigende omstandigheden hebben geleerd. Dit is een sterk argument voor het coherentisme.

 

3. Casus 3

Ik kom nu aan een derde verschijnsel waarin het coherentisme superieur zal blijken als het gaat om het verklaren van rechtvaardiging.

Hier is eerst een voorbeeld. Het is gebaseerd op een redenering in een artikel van Eddy de Jong en Pierre Vinken uit 1961 over een schilderij van Frans Hals, het Huwelijksportret van het echtpaar Massa en Van der Laan in het Rijksmuseum in Amsterdam. In dat artikel bespreken de auteurs onder andere de iconologie van het schilderij. Zo vragen zij aandacht voor de centrale aanwezigheid van een olm waar zich een wingerd om heen slingert. Zij zien dit als een visuele metafoor en beweren dat in de 16e en 17e eeuwse beeldtaal een wingerd die zich slingert om een olm, kan staan voor Christus en Maria, maar ook voor wijn en herfst, of voor huwelijksgeluk. Voor de laatste betekenis presenteren De Jongh en Vinken ook allerlei empirisch materiaal. Zij betogen dat in het schilderij alleen de laatste interpretatiemogelijkheid juist is omdat die past bij de andere elementen van de voorstelling. Impliciet behelst het betoog daarnaast de bewering dat de andere interpretatiemogelijkheden onjuist zijn vanwege het evidente onsamenhangende ervan met de andere elementen van het schilderij. De man en de vrouw zijn jong, en zien er uit zoals wij weten dat mensen er in de 17e eeuw in Nederland uit zagen, als ze zich op hun deftigst presenteerden, terwijl alle Bijbelse of Christelijke verwijzingen ontbreken, net als alle referenties aan wijn en herfst.

            Hier vinden we een argument waarin coherentie een bijzondere rol speelt. Waar het om gaat is het volgende. De interpretatiemogelijkheden van de wingerd-om-de-olm als metafoor of embleem zijn meervoudig. Als er geen basisovertuiging is die de ambiguïteit van de wingerd-om-de-olm kan oplossen, accepteren we als gids in de redenering de disambiguërende rol van de context ervan. Zonder context kan de juiste interpretatie niet worden vastgesteld. Daarom moeten de andere delen van de voorstelling in het geding gebracht worden om uit te vinden welke van de interpretatiemogelijkheden hier relevant kan zijn. De andere delen van de voorstelling hangen samen met de basis-ervaring van de wingerd-om-de-olm in zijn relevante interpretatie. Ik concludeer dat dit voorbeeld laat zien dat coherentie in deze een rol speelt in de rechtvaardiging van een overtuiging.

Een consequentie van een ambigu basisgegeven is dat een fundamentistische strategie gedoemd is te mislukken. 

Wisten we dit eigenlijk al niet uit onze alledaagse kennis van taalverschijnselen? Is het niet een triviaal inzicht dat een dubbelzinnig woord zijn dubbelzinnigheid verliest in een context? Neem het woord bank dat geldinstelling en zitmeubel kan betekenen. De context bepaalt welke betekenis actueel is. De zin Hij heeft een bank gekocht biedt niet voldoende informatie om het woord te ontdubbelzinnigen. De zin zelf is nu ambigu. Een rijkere context, de zin Hij heeft een bank gekocht Die wordt vanmiddag bezorgd. geeft normaal gesproken de informatie dat het om een zitmeubel en niet om een geldinstelling gaat. Dit alles is weinig opzienbarend, maar de triviale waarheid en de konsekwenties ervan zijn tot nu toe in de discussie over het coherentisme over het hoofd gezien.

We kunnen het bank-geval generaliseren. Een feit kan op zichzelf gezien ambigu zijn. De context beslist dan over de interpretatie die in de samenhang de juiste is. De context disambigueert. Als ze in een propositievorm gebracht zijn, geldt de logica zoals bij (C) geformaliseerd. U vindt de formalisering op de hand-out bij (C).

 

 

 

(C)

i.          o1 Ú o2 Ú o3 enz.

 

ii.           p É o1

 

iii.          Ø[p É o2 ]

 

iv.          Ø[p É o3 ]

 

v.         enz.

 

vi.          p

 

vii.         o1

 

Laat O een dubbelzinnig element zijn met interpretaties o1, o2 en o3, enz. en p een element dat concomitant is met O. O is hier o1 omdat p het geval is. Dat is wat het coherentisme claimt: de rechtvaardiging van een propositie op grond van de samenhang ervan met een andere propositie. De logica van (C) is algemeen. Merk op dat zich een limiet-situatie voordoet, als twee interpretatie-opties o1 en o2 elkaars conversen zijn: o1 en ¬o1. Hier beslist redenering (C) – mutatis mutandis - opnieuw ten gunste van o1. Ik kom op deze limietsituatie hieronder terug.

Merk ook op dat er in een concreet geval geen zekerheid is omtrent het aantal elementen dat deel uit kan maken van de disjunctie in (i). Dat hoeft niet beperkt te blijven tot twee of drie.

Ik concludeer dat het tot nu toe gepresenteerde laat zien dat in tenminste een aantal gevallen rechtvaardiging van een ervaringsgegeven op grond van de coherentie ervan met andere ervaringsgegevens/beweringen een methodologisch geaccepteerde en in de praktijk van alledag veel gebruikte uitweg biedt, als er geen directere grond voor zo’n keuze te vinden is. Alleen de context biedt de mogelijkheid de basiservaring een interpretatie te geven.

 

Hiermee besluit ik de presentatie in eerste aanleg van drie soorten rechtvaardiging in de wetenschappen die geen beroep doen op het bestaan van enigerlei fundament van kennis in de zin van het fundamentisme, maar gebaseerd zijn op samenhang. Zijn er raakvlakken tussen de drie gepresenteerde verschijnselen die de coherentietheorie van rechtvaardiging ondersteunen? Ik denk van wel.

 

4. Van welke dingen zegt het coherentisme dat ze al of niet coherent zijn?

 

Ik heb tot nu toe onduidelijkheid gelaten over de aard van de elementen die – epistemologisch gezien - met elkaar in een samenhang gebracht kunnen worden. Natuurlijk gaat het in de epistemologie in eerste instantie om beweringen, propositionele eenheden, maar in de gepresenteerde voorbeelden ging het ook over dubbelzinnige fragmenten van een schilderij en over woorden met meer dan één betekenis. Het is niet onbelangrijk dit op te merken in een betoog over het coherentisme, omdat het coherentisme in de eerste plaats op overtuigingen betrekking heeft. In welk opzicht kan een detail van een schilderij een overtuiging zijn? Hoe kan een woord een overtuiging zijn? Ik wil betogen dat het beter is coherentie in de zin van het coherentisme te zien als een eigenschap van concepten en conceptuele structuur; niet van elementen van de werkelijkheid maar van elementen van ons denken om zo te zeggen. 

Om deze “move” te rechtvaardigen kunnen we aanhaken bij de derde casus: die van de dubbelzinnigheid, en ons zelf de vraag stellen wat ambiguïteit/dubbelzinnigheid eigenlijk is. Van welke dingen kan gezegd worden dat ze ambigu zijn? Is ambiguïteit een eigenschap van (delen van) de werkelijkheid, van een percept, van proposities of is het een eigenschap van concepten en conceptuele structuur? Of is het een epifenomeen, een voor het reflecterend verstand waarneembaar effect van iets dat in de realiteit niet als zodanig bestaat? Laten we de mogelijkheden langslopen.

Ambiguïteit is geen eigenschap van de werkelijkheid op zichzelf. Het uitgesproken woord bank  is een verzameling luchttrillingen, een verzameling samenpersingen en verdunningen van de luchtdruk. Geschreven is het niet meer dan een verzameling kriebels op een ondergrond. Noch in gesproken, noch in geschreven vorm is de woordvorm bank  dubbelzinnig. De wingerd-om-de-olm bestaat “in werkelijkheid” uit verf in verschillende kleuren bruin, geel en groen. Iemand zonder iconologische kennis zal niet de mogelijkheid onderkennen dat deze kleuren olieverf in deze vorm op het doek gebracht het huwelijksgeluk representeren. Steeds geldt dus dat niet de fenomenen in de werkelijkheid ambigu zijn.

Ambiguïteit is ook geen eigenschap van de zintuiglijke gewaarwording op zichzelf. Een gehoororgaan dat het woord bank opvangt en verwerkt, doet geen twee verschillende dingen corresponderend met ieder van de betekenissen.

Als er dan in de uiterlijke vorm niets meer is dan alleen het spraakgeluid of de schriftvorm bank, dan resteert geen andere mogelijkheid dan aan te nemen dat het geluid of het beeld in het denken van de waarnemer een onzekerheid veroorzaakt die wij ambiguïteit noemen. Ambiguïteit is het verschijnsel dat aan een stukje van de werkelijkheid twee of meer conceptuele structuren beantwoorden, anders gezegd: ambiguïteit is het verschijnsel dat er twee geconceptualiseerde werkelijkheden bestaan waaraan hetzelfde gepercipieerde of gekende stukje van de werkelijkheid voldoet.

Concepten of conceptuele structuren kunnen niet zelf ambigu zijn. Dat zou een contradictie zijn. Bij ambiguïteit zullen in principe twee (of meer) concepten of twee (of meer) conceptuele structuren worden geactiveerd c.q. ontworpen. De mate waarin dit wil lukken is afhankelijk van de beschikbaarheid van kennis die kan worden opgeroepen en/of door ervaringsgegevens uit de context.

Ambiguïteit kan dus worden onderdrukt, of niet worden opgemerkt, als contextuele ervaringsgegevens of andere kennisgegevens niet (langer) geactiveerd worden. Aanvullende informatie is nodig om de binnenkomende meerzinnige informatie, waar de waarnemer twee kanten mee op kan, een plaats te geven. Een concept of conceptuele structuur wordt ‘waar’, d.w.z. correspondeert met de werkelijkheid, doordat samenhang met die aanvullende gegevens in een nieuwe conceptuele structuur moet worden bewerkstelligd om de waarheidswaarde vast te stellen. Het feit dat we andere dingen, nl de context nodig hebben om dingen te kunnen waarnemen, dat feit is genoeg om tot het coherentisme te concluderen.

Van ambiguiteit kunnen we dus vaststellen dat het een epifenomeen is; twee concepten of twee conceptuele structuren hebben toevallig dezelfde talige vorm, wat door het verstand achteraf kan worden vastgesteld. Niemand komt op de gedachte dat “broodje ham” een dubbelzinnige expressie is, totdat hij een ober in een restaurant hoort zeggen: “Het broodje ham aan tafel 13 wil ook een kopje koffie.” Dit voorbeeld illustreert dat de conceptuele verwerking de plaats/het stadium is waar ambiguïteit aan het licht komt. De werkelijkheid en de sense data zijn zelf niet ambigu, maar kunnen dragers van de ambiguïteit worden genoemd.

Nu we dit allemaal over ambiguïteit hebben vastgesteld, kunnen we – bij uitbreiding – constateren dat coherentie, epistemologisch gezien, een eigenschap moet zijn van concepten of conceptuele structuren. Dus nogmaals de vraag: wat hangt er nu eigenlijk samen volgens het coherentisme?

Als we het over dubbelzinnigheid hebben en ontdubbelzinniging, dan is dit ongetwijfeld het traditionele antwoord: wat er samenhangt zijn een item en zijn context in hun conceptuele vorm. Inderdaad in hun conceptuele vorm; en niet in hun werkelijkheidsvorm. Merk op dat de Harry Potter-gegevens, en de Scaliger-berekeningen niet ruimtelijk - in de wijze waarop ze gepresenteerd worden - in elkaars omgeving voorkomen. Juist niet. Ze zijn coherent in de ‘voorgestelde werkelijkheid’, de geconcipieerde werkelijkheid.

Moeten we dit niet verdisconteren in ons coherentiebegrip? Moeten we niet zeggen dat observatie (A) eigenlijk nader moet worden ingeperkt zoals in (D) is aangegeven?

 

 

(D)       Context-constraint op coherentie.

Het coherentisme claimt dat een overtuiging P gerechtvaardigd is als er andere overtuigingen zijn waarmee P in een gelijkenisrelatie, een (ruimtelijke of temporele) contiguïteitsrelatie of een causale relatie staat en die van P de context vormen.

 

Indertijd zou deze verdere aanscherping gerechtvaardigd zijn, tenzij we kunnen aantonen dat (D) een tautologie bevat. Het zou immers kunnen zijn dat de context van P in zijn conceptuele gedaante nu precies gevormd wordt door die overtuigingen waarmee P in een gelijkenisrelatie, een contiguïteitsrelatie of een causale relatie staat. Deze mogelijkheid  moet nader worden onderzocht.

5. Context

 

Er is nauwelijks een begrip te vinden dat in wetenschappelijk werk losser wordt gehanteerd dan het begrip ‘context’. Het is ook niet een begrip dat gemakkelijk uitnodigt tot empirisch onderzoek. Veronderstel, er is een element A. Wat is de context van A? Alles in de omgeving B van A? Betekent dit dat B als context van A zelf geen context heeft? Of is B, als context van A zelf ook begrensd? Wat bepaalt dan de grenzen van B als context van A? Worden die grenzen mede door A bepaald?

Volgens Bouquet e.a.(2003) zijn er in principe twee typen contextheorieën. Er zijn theorieën die het begrip context benaderen als de allesomvattende, de grootst mogelijke omgeving (world knowledge) van een kennis-item, die in kleinere en eenvoudiger stukken kan worden verdeeld. En er zijn andere theorieën die context als een locaal begrip opvatten. Die theorieën zien context als de kleinst mogelijke omgeving van een kennisitem, vanwaaruit een netwerk van relaties wordt onderhouden met andere locale contexten.

Me bij het locale contextbegrip aansluitend stel ik voor de relatie tussen een item I en de context C van I als volgt te karakteriseren.

 

(E)   Definitie van context

Conceptuele structuur C geldt als een context van een item I dan en dan alleen als I een constituent is van C.

 

Definitie (E) sluit uit dat enkelvoudige concepten ooit context zijn, die kunnen alleen een context hebben. Dat lijkt terecht. De definitie (E) dekt het gewone gebruik van de term in ieder geval in een talige omgeving. Maar in een conceptuele semantiek laten ook gevallen van visuele item-context-relaties zich hier goed onder subsumeren. De hiervoor opgemerkte onbepaaldheid van context C gegeven een item I en de onbepaaldheid van I gegeven context C past bij deze structurele visie op de item-context relatie. Immers, een context als een structuur gedacht, is opgebouwd uit verschillende elementen die allemaal I kunnen zijn, terwijl een item I normalerwijze in zeer verschillende structuren een constituent kan zijn. Uit een context C kan I niet worden afgeleid en uit I kan C niet eenduidig worden afgeleid.

            Op grond van de definitie van context in (E) kan een context zelf in principe ook een context hebben. C kan een constituent zijn in een (omvattender) conceptuele structuur.      Onderzoeken we dan, op basis van de gegeven definitie, de claim dat de relatie tussen C en I in de context-definitie typerend een coherentierelatie is, d.w.z. ofwel een gelijkenis-, ofwel een contiguïteitsrelatie of een causale relatie.

            Er kan allereerst op gewezen worden dat een zeer veel voorkomende manier om taalvormen te ontdubbelzinnigen de ‘parafrase’is of het specificeren van een ‘synoniem’. Een parafrase staat tot het geparafraseerde in een gelijkenisrelatie. Dit hoeft verder geen betoog.

            Ook voorbeelden van disambiguëring door ruimtelijke contiguïteit zijn er legio. Ik noemde al het voorbeeld van het opschrift ‘bank’ op een bankgebouw. Een ruimtelijk verband tussen de favoriete interpretatie en zijn context vinden we ook in Hals’ dubbelportret. De interpretatie van de wingerd-om-de-olm is favoriet vanwege de aanwezigheid in dezelfde voorstellingsruimte van andere elementen die ‘huwelijksgeluk’ tot uitdrukking brengen.

            Voor een voorbeeld van disambiguëring door temporele contiguïteit verwijs ik naar de ingezonden brief van de wijsneus in het Potterhoekje.

Disambiguëring door causale samenhang komt ook voor. Iemand is een onnatuurlijke dood gestorven: schotwond in de borst, onmiddellijke hartstilstand. Wie heeft het gedaan? Verschillende daders komen in aanmerking: d.w.z. het daderschap is ambigu. Het vaststellen van een causale samenhang in de reconstructie van het doen en laten van ieder van de mogelijke daders leidt hopelijk tot disambiguëring. Elders heb ik laten zien dat in de geschiedbeoefening disambiguëring door het zoeken van samenhang gangbaar is, aan het voorbeeld van de controverse betreffende de betekenis van het zg. September-memorandum, een beschrijving van de Duitse oorlogsdoelen in augustus-september 1914 opgesteld door de toenmalige Duitse rijkskanselier. Dat document wordt door sommige historici gezien als een bewijs voor Duitslands imperialistische en expansionistische motieven, en door anderen als een stuk dat extreem-nationalistische groepen in het Duitsland van die dagen de wind uit de zeilen moest nemen. Een analyse van de argumenten die in deze zg Fischer-controverse werden gewisseld, laat zien dat door alle partijen de hechtste causale samenhang van de beschikbare relevante feiten wordt nagestreefd. (Pollmann 2000: 178-179)

Concluderend kunnen wij zeggen dat er veel voor te zeggen is dat de relatie tussen “item”en “context” altijd òfwel een gelijkenisrelatie, òfwel een contiguïteitsrelatie, òfwel een causale relatie is, tenminste als die relaties in conceptuele zin worden opgevat. Als dit juist is, betekent dit dat de “context”-clausule in (D) overbodig is.

             

 

6.       Concluderend 

Tot welke conclusies leidt ons dit? Ik meen de conclusies van het voorgaande als volgt te kunnen samenvatten. Puntsgewijs. De conclusies staan ook op de hand-out.

·        Coherentie is een eigenschap van concepten en conceptuele structuren. Tussen elementen in een conceptuele structuur bestaat een samenhang die door die structuur wordt bepaald.

·        Een conceptuele structuur kan per definitie niet ambigu zijn. Een conceptuele structuur is opgebouwd uit gedisambigueerde elementen.

·        Tussen concepten en conceptuele structuren kunnen relaties bestaan: gelijkenisrelaties, contiguïteitsrelaties of causale relaties.

·        Het coherentisme heeft betrekking op concepten en conceptuele structuren. Een concept of conceptuele structuur representeert een gerechtvaardigde overtuiging als dit concept of deze structuur in een gelijkenisrelatie, een (ruimtelijke of temporele) contiguïteitsrelatie of een causale relatie staat tot andere elementen van die structuur.

Paradoxalerwijs moeten wij derhalve zeggen dat de werkelijkheid als een coherente werkelijkheid kenbaar is, zonder dat we de zekerheid hebben dat de werkelijkheid ook coherent is. Kennis van de werkelijkheid laat de eventueel incoherente werkelijkheid op een coherente manier zien. Kennen is samenhang zien in een niet-noodzakelijk coherente wereld.

Ik meen aannemelijk gemaakt te hebben dat het coherentisme – zo opgevat – een psychologisch plausibele, diep in de alledaagse mentale praktijk en in “common sense” verankerde opvatting is over hoe kennis wordt gerechtvaardigd.[2]

 

7.       Coda: en het scepticisme dan....?

De beschouwingen over coherentie en ambiguïteit laten mijns inziens ook enkele speculaties toe over de aard van de filosofische positie die doorgaans ‘scepticisme’ wordt genoemd. Stellen we de vraag wat mij er zo zeker van maakt dat ik in Amsterdam ben geboren, en niet ergens anders? Merk op dat de vraag een ambiguïteit impliceert omtrent “mijn geboortestad”: is het Amsterdam of “ergens anders”. De vraag is geconstrueerd rond het “limietgeval” van ambiguïteit: iets is het geval of is niet het geval; ik ben wel in Amsterdam geboren of niet. Het antwoord op de vraag waar mijn zekerheid vandaan komt, is dat ik dat van mijn ouders heb gehoord en dat later bevestigd heb gezien toen ik een paspoort aanvroeg of een bewijs van goed gedrag of een geboortebewijs, waarvoor ik steeds bij een Burgerlijke Stand moest zijn die gegevens paraat bleken te hebben die hun oorsprong vonden in de Burgerlijke Stand van de gemeente Amsterdam. In die Burgerlijke Stand ben ik op de door de wet voorgeschreven wijze ingeschreven, toen mijn vader daar aangifte deed, en daarvoor een briefje meebracht van de arts die de geboorte had vastgesteld. Zo zou ik mijn vaste overtuiging rechtvaardigen. Op allerlei niveaus is aan deze coherente reeks van overtuigingen te tornen. Men hoeft geen lezer van de romans van Thomas Hardy te zijn om zich voor te stellen wat er allemaal mis kan gaan op de lange weg van overtuigingen tot feiten. Maar ik kan u verzekeren: – over de vraag welke stad mijn geboortestad is, is die twijfel nog niet gerezen. Mijn rechtvaardiging voor de overtuiging dat ik in Amsterdam ben geboren is – in Lehrers terminologie (1990: 146) - een “undefeated justification”. 

Waarom ben ik dus zo zeker? Omdat er een “undefeated justification” is voor het ene alternatief en het andere alternatief niet past in mijn systeem van overtuigingen? Het is nog sterker. Ik heb er nooit aan getwijfeld, d.w.z ik ben nooit op de gedachte gekomen, dat er iets ambigu’s was aan de notie “mijn geboorteplaats”. Daarom ben ik er zo zeker van. Tot er iemand komt die vraagt: “Heb je er wel eens aan gedacht....?

Op dezelfde manier kan een ambiguïteit geconstrueerd worden voor iedere  overtuiging: de ambiguïteit namelijk die geconstrueerd is uit de overtuiging en de ontkenning daarvan. De skeptische positie nu is te zien als de ontkenning van de overtuiging dat de werkelijkheid bestaat. De overtuigingen “de werkelijkheid bestaat niet” en “de werkelijkheid bestaat” zorgen voor een (ultieme) epistemologische dubbelzinnigheid. Voor de tweede overtuiging is een vracht aan onderbouwing te presenteren. De eerste is coherent met de zinsbegoocheling van de kwade genius, als zou ik “hersens in een vat” zijn die mij een wereld voorspiegelen waaromtrent ik allerlei zou weten dat echter niet van hersenspinsels kan worden onderscheiden. Weliswaar is die noodzakelijke basisovertuiging ongefundeerd, maar hij is ook niet bevredigend te weerleggen. De hier gepresenteerde coherentietheorie met de daarin geïncorporeerde analyse van ambiguïteit, kan dus verklaren waarom het skepticisme een kans krijgt in de epistemologische arena. Het menselijk verstand is in staat de bedoelde ambiguïteit te verzinnen. En de relevante context, die voor de ontdubbelzinniging zorgt.

 

Dank u voor uw aandacht.



[1] Ook

[2]. (Kvanvig, Jonathan, "Coherentist Theories of Epistemic Justification", The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2003 Edition), Edward N. Zalta (ed.), URL = <http://plato.stanford.edu/archives/win2003/entries/justep-coherence/>. )