Vakgroep Linguïstiek, Trans 10, 3512 JK Utrecht, telefoon 030-2536265, fax 030-2536000

Synthese van vrouwenspraak met de Klatt formantsynthesizer

Esther Janse

eindwerkstuk cursus TEKST-NAAR-SPRAAK-SYSTEMEN 1996-97

De aard en de mate van de afwijking van vrouwenstemmen ten opzichte van mannenstemmen heeft makers van spraaksynthese-systemen lang voor raadsels gezet. Nu er meer bekend is over de wijze van stemgeving bij vrouwen kunnen bestaande parameters aangepast en nieuwe parameters toegevoegd worden. In dit werkstuk wil ik eerst ingaan op de literatuur die over synthese van vrouwenstemmen bestaat, daarna wil ik de `kookboekformules' die de literatuur aanreikt voor het synthetiseren van vrouwenstemmen aanbrengen in synthesescripts voor tweeklanken die gebaseerd waren op formantmetingen aan een mannenstem en als laatste wil ik nieuwe scripts aanmaken, gebaseerd op formantmetingen aan een vrouwenstem. Hiervoor zal de formantsynthesizer van Dennis Klatt gebruikt worden, die beschreven is in zijn artikel in Journal of the Acoustical Society of America (1980).

LITERATUUR

Karlsson (1991) noemt in haar artikel over de geschiedenis van de synthese van vrouwenstemmen de pogingen van o.a. Traunmuller, Branderud en Bigestans (1989) en Childers et al. (1989) om van een mannenstem een vrouwenstem te maken met behulp van een transformatie-formule die de lagere frequenties meer verhoogde dan de hogere frequenties. Daarnaast werd, in het eerste geval, alleen F0 aangepast en in de poging van Childers et al. werden, behalve F0, ook formanten, bandbreedtes en de vorm van de stempuls aangepast. Klatt en Klatt (1990) benadrukken het perceptieve belang van de extra turbulentieruis die zorgt voor het ietwat `zwoele' karakter van veel vrouwenstemmen. De karakteristieken van vrouwenstemmen en de bijbehorende instelbare parameters zullen nu één voor één behandeld worden. Ook zal duidelijk worden hoe de verschillende karakteristieken van vrouwenstemmen aan elkaar gerelateerd zijn.

Stemgeving

Het grootste verschil in stemgeving tussen mannen en vrouwen is waarschijnlijk het feit dat de stemplooien bij vrouwen zelden volledig sluiten. Het Open Quotiënt, de verhouding tussen het tijdsinterval waarin er ruimte tussen de stemplooien zit en de totale periodeduur, is voor vrouwen dan ook groter dan voor mannen. Onvolledige sluiting van de stemplooien heeft een glottale lek als gevolg; er lekt lucht weg zelfs als de stemplooien relatief `gesloten' zijn. De luchtstroom die vanuit de longen door de glottis stroomt bestaat daarom bij die onvolledige sluiting uit een dc component (een hoeveelheid lucht per seconde die voortdurend doorgelaten wordt) en een ac component, een af- en toename van de hoeveelheid doorgelaten lucht per seconde die een functie is van de grootte van het glottisoppervlak gedurende de glottale cyclus. Holmberg, Hillman & Perkell (1989) vonden door metingen aan glottale luchtstroom dat mannen hogere maximum flow declinatiewaarden hadden; met andere woorden, de snelheid waarmee de hoeveelheid lucht per seconde afneemt bij het sluiten van de glottis is veel groter. Het sluitingsquotiënt, gedefinieerd als de verhouding sluitingstijd/periodeduur, is ook aanzienlijk kleiner voor mannen. De ac/dc flow verhouding bij mannen is groter omdat de ac flow groter is en de dc flow kleiner. De stembandsluiting verloopt bij mannen dus sneller en abrupter, en het snelle tegen elkaar aan slaan van de stemplooien zorgt voor veel hoogfrequente energie. Omdat sluiting bij vrouwenstemmen geleidelijker verloopt, is er minder hoogfrequente energie in het spectrum. Zo zijn de waarden van Open Quotiënt en spectrale helling aan elkaar gerelateerd (zie ook onder kopje `Spectrale helling').

Karlsson (1988) onderzocht luchtstroom en subglottale druk voor vrouwelijke sprekers van het Zweeds. De mate van dc-flow gedurende de `gesloten' fase die ze vond was echter maar zeer gering en slechts aanwezig bij een paar sprekers. Dit zou erop kunnen wijzen dat het geademde karakter van klinkers geproduceerd door Amerikaanse vrouwen aangeleerd wordt en dus, afgezien van sprekergebondenheid, sociologische redenen heeft. Verder onderzoek naar de ruizigheid van klinkers met grotere aantallen sprekers uit verschillende culturen en talen zou daarom wenselijk zijn. OQ is instelbaar als syntheseparameter en Klatt & Klatt noemen als standaardwaarde voor vrouwenstemmen een OQ van 60%; voor mannen bedraagt die 50%.

Als de ruis, die zich vooral in de hogere frequentieregionen bevindt en veroorzaakt wordt door de dc-flow, echter wel aanwezig is, kan die de hogere harmonischen zelfs vervangen (Klatt & Klatt, 1990). Om deze extra ruis te synthetiseren voor vrouwenspraak gebruiken Klatt & Klatt de parameter AH: amplitude van aspiratieruis. Voor dit werkstuk is echter gebruik gemaakt van een Klatt synthesizer die, naast AH (die kan dienen voor aspiratie na stemloze plofklanken), de parameter ATURB heeft voor amplitude van turbulentieruis. Deze parameter staat standaard voor mannen ingesteld op 40, maar kan voor extra ruizigheid hoger ingesteld worden (40-80 dB).

De afwijkende manier van stemgeving bij vrouwen zou zich ook kunnen uiten in het optreden van extra formanten en anti-formanten in het klinkerspectrum als gevolg van koppeling met de trachea bij een relatief langere open fase. In het artikel van Klatt & Klatt (1990) wordt melding gemaakt van o.a. een extra resonantie bij ongeveer 2100 Hz (tussen F2 en F3 in) voor /h/, deze extra formant loopt echter door in de klinker die erachter komt. Met de Klatt synthesizer die we gebruikt hebben konden geen extra tracheale formanten of anti-formanten ingesteld worden.

F0

De stemplooien van een man zijn aanzienlijk langer en dikker en dus zwaarder dan die van een vrouw. De gemiddelde toonhoogte van vrouwenstemmen ligt daardoor zo'n 0,9 octaaf hoger (Karlsson 1991). Peterson & Barney (1952) vonden een gemiddelde F0 waarde voor vrouwen die 1,7 maal hoger was dan die van mannen. De `vrouwelijkheid' van een uiting zou nog verhoogd kunnen worden door F0 gedurende de laatste glottale perioden van die uiting te laten stijgen. Voor het synthetiseren van losse tweeklanken neem ik aan dat die finale F0 stijging niet van toepassing is.

Formantwaarden en bandbreedtes

Karlsson noemt een vermenigvuldigingsfactor van 1,2 om vrouwenstemformanten af te leiden van die van mannenstemmen. De reden voor deze vermenigvuldigingsfactor is het feit dat het spraakkanaal van de gemiddelde vrouw 15% korter is dan dat van een man. Eerder werk van Fant (1975) liet zien dat het verschil tussen mannen- vrouwenwaarden ongeveer 17% bedroeg, maar dat het precieze verschil varieerde met de plaats van articulatie; het grootste verschil in lengte van het spraakkanaal zit hem namelijk in de keelholte. Zo zouden hoge geronde achterklinkers kleinere verschillen vertonen voor de eerste en tweede formant dan open ongeronde klinkers voor de eerste formant.

De metingen van Karlsson (1991) laten zien dat de bandbreedte van de eerste formant vooral aanpassing nodig heeft als het een open klinker betreft en dat bandbreedtes ongeveer 20% groter zijn voor vrouwen. Vanwege de koppeling van het spraakkanaal met de subglottale ruimte in geval van onvolledige sluiting, is de amplitude van F1 kleiner. Omdat een verminderde sterkte van de amplitude van F1 gelijk staat aan een verbreding van de bandbreedte (parameter B1) kan dit effect eenvoudig ingesteld worden in het Klattscript. Klatt & Klatt (1990) merken op dat die verbreding zulke vormen aan kan nemen dat de spectrale piek steeds slechter zichtbaar wordt en hierdoor een automatische formant-opspoorder voor ernstige problemen kan zetten. Ook nasalering van klinkers heeft een dempend effect op de amplitude van F1 en het is daarom onduidelijk welke conclusies luisteraars trekken als ze een gedempte F1 horen; vrouwelijkheid of nasalering van de klinker.

Spectrale helling

Karlsson (1989) meldt dat spectrale helling afhankelijk is van de graad van mondopening. De open klinkers hebben meer energie in de hogere frequenties dan gesloten klinkers; de helling moet daarom kleiner zijn (minder steil) voor open klinkers dan voor gesloten klinkers. De abrupte sluiting van de stembanden bij mannen veroorzaakt hoogfrequente energie. Het minder abrupt verlopen van die sluiting bij vrouwen en de extra ruis in geademde klinkers die, zoals gezegd, de hogere harmonischen domineert, zorgen voor een afwijkend harmonisch spectrum. De spectrale helling loopt nu steiler dan normaal; er is een grotere mate van spectrale afval. Om deze extra spectrale helling in te stellen wordt de parameter TL (`spectral tilt of the source') gebruikt, die op een standaardwaarde van 20 wordt gezet voor vrouwenstemmen. De standaardwaarde voor niet-ruizige mannenstemmen is 3.

Amplitude eerste harmonische (F0)

Uit de studie van Bickley (1982) naar de verschillen tussen `gewone' en `geademde' klinkers in het !Xoo en het Gujarati bleek dat de grotere amplitude van F0, gemeten ten opzichte van de amplitude van F1, een belangrijke perceptieve factor was voor het waarnemen van geademdheid, belangrijker zelfs dan aan- of afwezigheid van turbulentieruis. Nu is het zo dat de grotere amplitude van F0 in het spectrum een regelrecht gevolg is van de toename in Open Quotiënt bij geademde klinkers; "an increased open quotient results in a relatively stronger fundamental component of the source spectrum, all else being equal" (Klatt & Klatt, 1990, p.824). In dat laatste artikel worden ook waarden uitgerekend voor de relatieve sterkte van F0 ten opzichte van die van F1. Het bleek dat het verschil in dB tussen de amplitude van F0 (die opgeschaald is met 10 dB om de uiteindelijke waarden niet negatief te laten zijn) en de amplitude van F1 voor vrouwen 11,9 dB bedraagt en voor mannen 6,2 dB. De amplitude van F0 is niet direct instelbaar zonder de amplituden van de hogere harmonischen ook te veranderen als de Klatt synthesizer ingesteld is op de `cascadetak' waarbij elke latere resonator filtert wat uit de eerdere kwam en je zo op een natuurlijke manier de spectrale afval niet in hoeft te stellen (Klatt, 1987). Maar omdat de verhoogde amplitude van F0 een direct gevolg is van het vergrote Open Quotiënt (wat wél instelbaar is) hoeft dit niet apart ingesteld te worden.

Conclusie

Klatt & Klatt (1990) hebben met hun synthesizer het perceptieve effect van verschillende cues willen testen op het geademdheidsoordeel. Daartoe synthetiseerden ze stimuli die één of meerdere cues bevatten en keken wat de correlatie was tussen het aanbieden van een bepaalde parameterwaarde en het oordeel van luisteraars. Zij vonden dat een toename van de amplitude van F0 (hier wel instelbaar zonder amplituden van F1-F3 te veranderen) en verbrede bandbreedtes voor F1 en F2 op zichzelf eerder zorgden voor een `nasaal' oordeel dan een `geademd' oordeel. De combinatie van die twee cues zorgde echter weer wel voor een `geademd' oordeel. De stimulus die het meest `geademd' werd gevonden had, naast de verhoogde F0 amplitude en de grotere bandbreedtes van F1 en F2, ook ruis, een grotere spectrale helling en een groter Open Quotiënt. In hoeverre turbulentieruis als één van de opvallendste cues voor de vrouwelijkheid van synthetische spraak beschouwd moet worden in bijvoorbeeld het Nederlands zal nog nader onderzocht moeten worden.

HET SYNTHETISEREN VAN TWEEKLANKEN VOOR EEN VROUWENSTEM

Op basis van de hierboven besproken artikelen over de verschillen tussen mannen- en vrouwenstemmen wil ik nu, als proef op de som, bestaande scripts voor de Klatt synthesizer aanpassen. De scripts zijn beschrijvingen van spraakparametertrajecten voor de Nederlandse tweeklanken au, ei en ui gebaseerd op formantmetingen aan een mannenstem. De invoer voor de synthesizer is een file dat voor elke 5 ms de parameterwaarden aangeeft. Voor een tabel met parameters voor de aansturing van de gebruikte versie van de Klatt synthesizer, zie appendix A. Het spraakanalyse-programma GIPOS wordt gebruikt om formantwaarden uit natuurlijke spraak te meten en de gesynthetiseerde golfvormen te beluisteren. Om niet alle parameters in te hoeven vullen wordt een awk-programma ingezet waarin een bepaalde functie `main' het vuile werk opknapt (zie voor een voorbeeld synthesescript Appendix B). De parameters die als functie van de tijd moeten varieren, zoals F0 en F1-F3, worden beschreven met een functie in het awk-script; de parameters die door de tweeklank heen constant blijven worden alleen gespecifieerd in de functie `main' waar ze ingevuld moeten worden in de lange opsomming van alle variabele en constante parameters (variabele parameters worden aangegeven als %5d, constante parameters worden gespecificeerd met bepaalde waarden).

Als eerste is alleen de F0 aangepast met behulp van de vermenigvuldigingsfactor 1,9; de gemiddelde toonhoogte bij vrouwen zou 0,9 octaaf hoger zijn dan bij mannen. De F0 vermenigvuldigingsfactor is, als enige aanpassing, aangebracht op de bestaande tweeklankscripts voor au, ei en ui. (Dit leverde de awk-scripts au/ei/ui_manvr.awk.) De geluidsfiles die deze scripts aanmaken klinken, zoals verwacht, niet vrouwelijk, maar eigenaardig en hard voor de ingestelde toonhoogte. Het is duidelijk dat er meer parameters bijgesteld moeten worden om de tweeklanken vrouwelijk te laten klinken.

Op basis van de gemiddelde parameterwaarden uit de bovengenoemde artikelen kunnen de bestaande synthesescripts van de mannelijke spreker verder aangepast worden voor vrouwelijke sprekers. De te wijzigen parameters zullen als volgt worden ingesteld:

F0		*1,9
F1-F3		*1,17
B1-B3 		*1,2 (bandbreedtes F1-F3)
OQ		50-60 (Open Quotiënt) 
AT		40-60 (amplitude turbulentieruis)
TL		15-24 (spectrale helling)
De resulterende synthese-scripts zijn au_ideal.awk, ei_ideal.awk, ui_ideal.awk. Voor deze drie `ideale' scripts is de bandbreedte van de eerste formant eerst 1,2 maal zo groot gemaakt, maar au_ideal en ei_ideal zijn daarna ingesteld op 200 Hz om de verkleinde amplitude van F1 nog extra te benadrukken. Het perceptieve effect van bandbreedte-verbreding was echter zeer klein.

Voor au_ideal is, afgezien van de aanpassingen aan F0, F1-3 en B1- B3, de OQ ingesteld op 60%, de AT op 50 dB en de TL op 25. De perceptieve effecten van het manipuleren van AT en TL zijn het grootst; de standaardwaarde in deze versie van de Klattsynthesizer van TL is 3, als deze verhoogd wordt naar 15 hoor je nog weinig verandering, maar als je hem dan op 22 of hoger instelt, hoor je een zeer duidelijke demping van de hogere frequenties en gaat de tweeklank enigszins dof klinken. De standaardwaarde van AT (voor niet-ruizige stemmen) is 40 dB. In eerste instantie had ik AT op 60 ingesteld om te kijken hoe groot het effect was. De waarde van 60 dB maakt het geheel echter veel te rafelig en krakerig en 50 dB is een veel acceptabelere maat van ruizigheid.

De waarden van ei_ideal zijn, ook weer naast de aanpassingen van F0, F1-F3 en B1-B3, 60% voor OQ, 50 dB voor AT en 23 als spectrale helling. De OQ van 60% zorgde voor een ietwat rafelige tweeklank. De TL wordt eerst op 25 ingesteld, maar dit klinkt te ruizig en te dof; 23 is een betere optie. De AT wordt weer op 50 dB ingesteld, waarden die iets hoger liggen klinken al snel te ruizig. Ook voor deze tweeklank heb ik geluisterd naar het effect van de verbreding van B1, de vermenigvuldigingsfactor van 1,2 zou een B1 leveren van 170, als deze nog verder verhoogd wordt naar 200 Hz draagt dit iets, maar heel weinig, bij aan de ruizigheid.

Tijdens het synthetiseren van ei_ideal heb ik naar het resultaat geluisterd van een verandering van alleen F0 en F1-F3. Het resultaat klonk erg krakerig en onnatuurlijk. Daarna heb ik de aanpassingen voor B1-B3, OQ, AT en TL ingesteld. De OQ werd ingesteld op 50%, AT op 50 dB (55 dB klonk alweer veel te ruizig) en TL klonk op 25 te gedempt en werd daarom op 20 ingesteld, wat een stuk natuurlijker klonk. Deze tweeklank klinkt het beste tot nu toe, maar misschien vanwege een toevallig betere timing van de formanttransities. Omdat de artikelen geen pasklare waarden klaar hadden staan voor OQ, AT en TL (zoals ze wel omrekeningsfactoren hadden voor F0, F1-F3 en B1-B3), zijn de OQ-, AT- en TL-waarden niet gelijk voor de au/ei/ui_ideal scripts, maar heb ik deze per tweeklank op het oor ingesteld.

Om de juistheid van de omrekeningsfactoren van F0 en F1-F3 te testen zullen nu de formanten gemeten worden van de tweeklanken uitgesproken door een vrouw ( ei_echt.aiff, ui_echt.aiff ). De `ideale' formantwaarden boden hier wel enige houvast voor het vinden van de formanten; deze waren namelijk zeer slecht zichtbaar in het spectrogram.

De begin-F0 in au_echt lag zo'n 20 Hz onder de ideale begin-F0, maar de eind-F0 was weer zo'n 20 Hz hoger. De F0 omrekeningsfactor van 1,9 was hier dan ook een juiste keuze, hoewel beide resulterende au-klanken niet erg hoog klinken en daarom alleen representatief zijn voor een wat lage vrouwenstem. De beginwaarde van F1 kwam goed overeen met die van au_ideal, maar de eindwaarde lag 100 Hz hoger. Ook bij F2 waren de eindwaarden hoger dan volgens de omrekeningsfactor van 1,17. De begin- en eindwaarden van F3 lagen echter weer lager dan in het `ideale' geval. De OQ wordt van 60 opgehoogd naar 75% (hoewel dit eigenlijk niet mag, zie voetnoot 1. De AT wordt ingesteld op 55 dB; bij een waarde van 57 dB klinkt het al veel te rafelig. De TL wordt gezet op 20, omdat 24 in bij deze klinker al veel te gedempt klinkt.

De beginwaarde van F0 van ei_echt.aiff, ligt weer beduidend lager dan de ideale begin-F0, maar de eindwaarden zijn vrijwel gelijk. Voor F1 ligt de beginwaarde weer lager dan de ideale, terwijl de eindwaarde hoger ligt. Voor F2 liggen begin- en eindwaarde gemiddeld 200 Hz lager en ook de waarden van F3 liggen lager. De OQ wordt, net als in ei_ideal, gezet op de maximumwaarde van 60%. AT klinkt bij 55 te ruizig en wordt daarom op 50 dB gezet. TL klinkt bij 23 gedempt, maar geeft wel een vrouwelijk aspect. Het resulterend geluidsfile ei_est.aiff is een redelijke benadering van mijn uitspraak van ei, maar ei_ideal.aiff klinkt iets vrouwelijker, maar ook iets te krakerig, hoewel de OQ, TL en AT dezelfde waarden hebben. Als de AT van ei_ideal.aiff echter op 45 dB wordt ingesteld, klinkt deze iets minder krakerig en daardoor natuurlijker dan bij 50 dB.

Metingen aan ui_echt.aiff laten zien dat de F0 erg dicht bij de waarden van ui_ideal liggen. Voor F1 liggen de waarden nu eens hoger dan bij de `ideale' versie, de waarden van F2 liggen ongeveer gelijk met die van ui_ideal en hetzelfde geldt voor F3. OQ werd ingesteld op 58% (omdat bij 59% al een foutmelding kwam dat de OQ-waarde binnen de perken moest blijven), AT klonk te rafelig bij 55 en 50 dB en werd daarom op 45 dB gezet. TL gaf de beste resultaten bij een waarde van 22. Zowel ui_est als ui_ideal klinken aan de lage kant en daarom heb ik de beginwaarde van F0 nog iets opgehoogd in een derde ui-script, namelijk ui_ideal2.awk [luister]. De F0 loopt in de resulterende tweeklank van 290 Hz af naar 185 Hz en dit klinkt weer iets vrouwelijker dan de F0-verlopen in ui_ideal en ui_est.

CONCLUSIE

Het belang van de instelbaarheid van parameters als OQ, AT en TL voor de vrouwelijkheid van synthetische spraak mag uit de geluidsfiles wel duidelijk geworden zijn. In alle gevallen leidde het wijzigen van deze parameters tot een vrouwelijker klinkend geluid. De vergelijking tussen de geluidsfiles gebaseerd op de vermenigvuldigingsfactor voor F0 van 1,9 met F0-metingen aan tweeklanken uitgesproken door een vrouw wees uit dat de waarde van 1,9 zeker niet te hoog gegrepen is. De toonhoogte van de resulterende `ideal' klanken waren niet te hoog en konden in sommige gevallen zelfs nog wel wat hoger ingesteld worden voor een typisch vrouwelijke toonhoogte. Om een gefundeerde uitspraak te doen over de juistheid van de vermenigvuldigingsfactor van 1,17 om formantwaarden van vrouwen af te leiden van die van mannen zouden de formanten nauwkeuriger opgespoord moeten worden en zouden er meer vrouwelijke sprekers op hun formanten onderzocht moeten worden. Vooralsnog lijkt 1,17 mij een zeer redelijke benadering van vrouwenformanten, omdat de metingen aan de vrouwelijke formanten de éne keer hoger, maar de andere keer weer lager uitkwamen dan volgens de 1,17 vermenigvuldiging. De bewering van Fant (1975) dat hoge geronde achterklinkers kleinere formantverschillen vertonen tussen mannen en vrouwen dan open ongeronde klinkers is met deze tweeklanken moeilijk te bevestigen. Voor ui zou je kleinere formantverschillen verwachten (dus een kleinere factor dan 1,17) dan voor au, omdat de laatste een open klinker als vertrekpunt heeft. Als de kleinere verschillen vooral te wijten zijn aan het gerond zijn van de klanken, zou ui kleinere verschillen moeten vertonen dan ei. De formantmetingen aan mijn stem laten echter zien dat de factor juist voor ui redelijk goed klopt, terwijl voor ei de factor kleiner zou moeten zijn dan 1,17 en voor au weer groter dan 1,17 voor F1 en F2 en kleiner voor F3. Uit deze resultaten valt daarom geen conclusie te trekken over de juistheid van de bewering van Fant.

Omdat het hoorbare effect van verbreding van B1-B3 zeer klein was, is het moeilijk iets te zeggen over de juiste instelwaarden voor B1-B3. Dat de spectrale pieken minder scherp moeten zijn is af te leiden uit het feit dat vrouwen over het algemeen een minder luide stem hebben, maar omdat ook OQ en TL een effect hebben op de luidheid is de juistheid van een 20% verbreding voor bandbreedtes bij vrouwen moeilijk vast te stellen. Omdat OQ bij deze Klatt synthesizer niet hoger dan 60% kon worden ingesteld, is 60% dan ook de beste benadering voor de waarde van een gemiddelde vrouwenstem. De waarde van AT zal, afhankelijk van de culturele en stemgebonden factoren, tussen 45 en 55 dB zitten. De spectrale helling ligt gemiddeld rond de 20. Volgens Karlsson (1989) zouden open klinkers een kleinere waarde voor TL moeten hebben, dus meer hoogfrequente energie dan gesloten klinkers. Voor au zou je daarom een kleinere waarde voor TL verwachten dan voor ei en ui. Voor deze tweeklanken werd die aanname niet bevestigd. Dit zou enerzijds kunnen liggen aan het feit dat hier tweeklanken, in plaats van stabiele klinkers, zijn gebruikt die bovendien aan het eind van de transitie allemaal een kleine graad van mondopening hebben. Anderzijds zou het kunnen liggen aan de wat willekeurige instelling van de parameters; TL is voor au_ideal 25, terwijl au_est een TL waarde van 20 heeft. Verder onderzoek zou de instelwaarden wellicht preciezer kunnen vaststellen.

Voetnoot

Ik kwam er pas te laat achter dat in deze versie van de Klattsynthesiser de OQ slechts kon varieren tussen de 30 en 60% en de TL een bereik had van 0- 24. Bij het maken van de scripts heb ik hier dan niet altijd rekening mee gehouden, wat in sommige gevallen leidde tot een foutmelding (soms al bij een OQ van 59%, en soms ook niet, hoewel OQ dan 75% bedroeg). Ondanks foutmeldingen resulteerde het script altijd in een geluidsfile (waarbij de te hoog ingestelde OQ waarschijnlijk op de maximumwaarde werd gesteld).

REFERENTIES



aanvang document
Universiteit Utrecht Faculteit der Letteren Uw reactie

Laatst gewijzigd: 11 maart 1997 (EJ, HQ) / Hugo Quené