[ inhoudsopgave ]

Argumentstructuur van het Nederlands (abstract)

Inleiding
Deze studie gaat over argumentstructuur. Ik verdedig de stelling dat argumentstructuur iets anders is dan gewoonlijk wordt aangenomen. De argumentstructuur van een woord is geen semantische of logische eigenschap en evenmin een eigenschap van de interface tussen syntactische en semantische structuur. Argumentstructuur, dat zijn Casus- en agreement-kenmerken. Ook maak ik duidelijk in welk opzicht de te verdedigen theorie over argumentstructuur verklarend is: ze voorspelt de verschillende fasen in de verwerving ervan (bij de primaire taalverwerving), de beperkingen die gelden voor nieuwe woorden, en de relatieve onafhankelijkheid van de betekenis.

Hoofdstuk 1: Argumentstructuur
Wat verstaan anderen onder argumentstructuur? Kan de argumentstructuur van een woord, zoals veelal verondersteld wordt, worden afgeleid uit de betekenis van dat woord?
Het antwoord is: nee, althans niet op de manier waarop anderen menen dat dat kan. Argumentstructuur, dat zijn agr-kenmerken en Casuskenmerken van een woord, en die worden deels afgeleid uit vormkenmerken van woorden. Die agr- en Casuskenmerken karakteriseren verschillende soorten argumentstructuur: die van nomina (wel agr-kenmerken, geen Casus), die van preposities (geen agr-kenmerken, wel Casus), en die van werkwoorden (wel agr-kenmerken, wel Casus). Adjectieven zijn woorden zonder argumentstructuur (d.w.z. zonder agr-kenmerken of Casus).

-agr, -case
+agr, -case
-agr, +case
+agr, +case
adjectieven
nomina
preposities
werkwoorden

Het onderscheid tussen ergatieve en onergatieve werkwoorden wordt herleid tot het al dan niet hebben van interpreteerbare Casus (de Casus van ergatieve werkwoorden is niet interpreteerbaar).
Omdat die agr- en Casus-kenmerken niet tegelijk geïnstalleerd worden, worden de soorten argumentstructuur niet tegelijk geleerd. Sommige soorten (zonder interpreteerbare Casus) kunnen na een bepaalde fase niet meer bijgeleerd worden (de gesloten klassen van P en ergatieve V).
Onder de gemaakte aannames volgt ook waarom argumentstructuur niet kan veranderen door uitbreiding of reductie (onderdrukking etc.). Verandering van argumentstructuur is per se verandering van soort argumentstructuur. Daarop bestaat mogelijk één uitzondering (die het onderwerp vormt van hoofdstuk 6).


Hoofdstuk 2: Predikatie
Wat zijn agr-kenmerken? Ze zijn typisch voor nominale elementen: persoon, getal, geslacht. In dit hoofdstuk wordt aannemelijk gemaakt dat nominale elementen een zgn. predikatieve argumentstructuur hebben (agr-kenmerken en geen Casus).
Verwante elementen zoals pronomina, determinatoren en kwantoren hebben geen predikatieve argumentstructuur maar worden wel op dezelfde manier, d.w.z. predikatief geïnterpreteerd. Bij de analyse speelt het idee van zgn. kenmerkbomen een sleutelrol (d.w.z. kenmerken die een bepaalde structuur vormen).
Hoewel adjectieven geen inherente argumentstructuur hebben, kunnen ze met een 'geleende' (nominale) argumentstructuur voorkomen, afhankelijk van de context.


Hoofdstuk 3: Casuskenmerken in het Nederlands
Casuskenmerken zijn in het Nederlands kenmerken die niet in de verbuiging tot uitdrukking komen (vgl. rosa-rosae-rosam-etc.), maar die de positie van een argument in de syntactische structuur bepalen. De kenmerken zijn (letterlijk) de tegenhangers van de kenmerken van de klassieke bindtheorie van Chomsky (1982).
Onder deze aanname volgt niet alleen de distributie van Casus, maar ook het bestaan van adjuncten in de vorm van een argument (zgn. kale NP adverbia).
Casuskenmerken zijn bepalend voor de argumentstructuur van P's en V's. Alleen onergatieve V's hebben interpreteerbare Casus. Ergatieve V's, die geen interpreteerbare Casus hebben, hebben daardoor maar één ongespecificeerde theta-rol (en geen accusativus).


Hoofdstuk 4: De theta-module
In dit hoofdstuk wordt de stelling verdedigd dat de theta-rollen van onergatieve werkwoorden de tegenhangers zijn van grammaticale personen. De kenmerken die de drie grammaticale personen karakteriseren, karakteriseren ook de drie theta-rollen 'agens', 'doel/bron' en 'thema'. Voorzetsels vormen lexicale theta-rollen. Opnieuw blijkt een sleutelrol weggelegd voor kenmerkbomen, d.w.z. de structuur die tweetallen kenmerken vormen plus het feit dat die kenmerken de waarde zijn van de variabel kenmerk.


Hoofdstuk 5: de mediale interpretatie van zinnen
Mediale constructies ontstaan als de Casuskenmerken van een (werk)woord oninterpreteerbaar worden. Dat kan dus alleen maar onergatieve werkwoorden overkomen. Die onergatieve werkwoorden worden ergatief. Ze worden weliswaar vervoegd met hebben, maar dat hebben is ook ergatief.


Hoofdstuk 6: Soorten objecten
Als theta-rollen de tegenhangers zijn van grammaticale personen, verwachten we parallel aan de drie soorten 3e persoon (masc/feml/neut: hij,zij,het), ook drie soorten '3e theta-rol'. Vooral de rol 'uitvoer' duikt overal op als rol van een 'extra' argument. Dit verschijnsel wordt gedetaileerd onderzocht.


Hoofdstuk 7: Ergativering
Het ergatief worden van bijv. lopen als het vergezeld gaat van een richtingsbepaling (hij heeft gelopen versus hij is naar huis gelopen) blijkt een ander soort ergativering te zijn dan de vorming van een mediale constructie.
Het gaat nu niet om het oninterpreteerbaar worden van Casus, maar om het veranderen van denotatie. Intransitieve onergatieve werkwoorden die in effect een beweging uitdrukken (zoals lopen), kunnen in conjunctie met een richtingbepaling in feite een beweging uitdrukken. Daarvoor moeten ze ergatief worden, maar die verandering is minimaal. Deze analyse staat en valt met een specifieke opvatting over de aard en de rol van voorzetsels.


Hoofdstuk 8: Conclusies (ontbreekt nog)
In dit hoofdstuk worden algemene conclusies getrokken: niet alleen over taal maar ook over de verwerving ervan. Veel van die conclusies zijn voorbarig en behoeven verder onderzoek. Er worden suggesties gedaan voor verder onderzoek naar de rol van kenmerkbomen (plus variabelen) in de universele grammatica.


4 Appendices:

Over kwantoren (bij hoofdstuk 2): een demonstratie dat ook de vorm en interpretatie van kwantoren in termen van kenmerkbomen kan en moet worden begrepen.
Anderen over theta-rollen (bij hoofdstuk 4): de standaardvisie op theta-rollen wordt vergeleken met wat in dit boek wordt voorgesteld.
• Anderen over ergativering (bij hoofdstuk 7): welke andere analyses van ergativering zijn voorgesteld, en hoe verhouden die zich tot wat in hoofdstuk 7 wordt beweerd?
• Over de structuur van PP's (bij hoofdstuk 7): een demonstratie dat ook de vorm en interpretatie van PP's kan en moet worden begrepen in termen van kenmerkbomen en de variabelen die dat mogelijk maakt.

 

[ naar boven ]

Inhoudsopgave

Inleiding

Hoofdstuk 1: Introductie
1 Inleiding
2 Argumentstructuur
  2.1 Argumentstructuur, -rollen, Casus en grammaticale personen
  2.2 Wat is argumentstructuur?
    2.1.1 Argumentstructuur bepaald door de betekenis
    2.1.2 Wat is de relatiestructuur?
3 Soorten argumentstructuur
  3.1 Predikatieve argumentstructuur
  3.2 Niet-predikatieve argumentstructuur
     3.2.1 Niet-verbale argumentstructuur
     3.2.2 Verbale argumentstructuur
     3.2.3 Onergatieve argumentstructuur
4 Argumentstructuur en leerbaarheid
5 Vooruitblik

Hoofdstuk 2: Predikatie
1 Inleiding
2 Inflectionele kenmerken
  2.1 Persoonlijke voornaamwoorden
    2.1.1 De kenmerken van pronomina
    2.1.2 De structuur van pronomina
  2.2 Determinatoren
    2.2.1 De interpretatie van determinatoren
3 Nomina
  3.1 Soorten nomina
    3.1.1 Het onderscheid tussen de- en het-nomina
    3.1.2 Voorwerpsnamen en stofnamen
    3.1.3 Variabele kenmerken
    3.1.4 Wat zijn argumenten?
    3.1.5 Het verschil tussen stamkenmerken en agr-kenmerken
    3.1.6 Redundantie versus selectie
  3.2 De verbinding tussen nomen en determinator
4 Adjectieven
  4.1 Attributieve adjectieven zijn predikatief
  4.2 Niet-attributieve adjectieven zijn niet predikatief
5 Conclusie

Hoofdstuk 3: Casuskenmerken in het Nederlands
1 Inleiding
2 Casus in de standaardtheorie
3 De bindtheorie
4 De Casustheorie
  4.1 De verschillende Casussen
    4.1.1 Ablativus
    4.1.2 Dativus
    4.1.3 Accusativus
    4.1.4 Nominativus
5 Conclusie

Hoofdstuk 4: De theta-module
1 Inleiding
2 Thematische relaties à la Davidson
3 Welke theta-rollen zijn er?
4 Tempus
  4.1 De interpretatie van tempus
  4.2 Tempus en aspect
5 Theta-rollen als lexicale personen
  5.1 Theta-rollen en argument-structuur
  5.2 De toekenning van theta-rollen: de feiten
  5.3 De relatie tussen theta-rollen en Casus
    5.3.1 De theta-rol +A
    5.3.2 De theta-rollen A en E
      5.3.2.1 Overeenkomsten tussen personen en theta-rollen
      5.3.2.2 Incorporatie
      5.3.2.3 Impliciete rollen
      5.3.2.4 De datief-alternantie
6 Conclusie

Hoofdstuk 5: de mediale interpretatie van zinnen
1 Inleiding
2 Het verschil tussen ergatieve en onergatieve werkwoorden
  2.1 ‘Onaccusativiteit'
  2.2 Ergativiteit versus onergativiteit
3 De interpretatie van mediale zinnen
  3.1 Mediale constructies zijn ergatief
4 Verdere evidentie
  4.1 Meer dan één argument kan niet
  4.2 Ook ergatieven kunnen (soms) mediaal
  4.3 Mediale deelwoorden
  4.4 De vervoeging van mediale werkwoorden
5 Conclusie

Hoofdstuk 6: Soorten objecten
1 Inleiding
2 Twee rollen of één?
3 Verschillende soorten -E rollen
4 -I als ‘default' rol
  4.1 -I als adjunctieve rol
    4.2 -I als Casus-gemarkeerde rol
    4.3 -I en inherente reflexieven
    4.4 Samenvatting
5 De -I rol als geselecteerde rol
  5.1 De argumentstructuur van maken
    5.1.1 Maken als werkwoord met een -I argument
    5.1.2 Het complement van maken is een clause
  5.2 Het -I argument van buigen en breien
  5.3 Bestaat de rol +C wel?
  5.4 -E rollen en Casus
  5.5 SC en ECM
    5.5.1 ‘Halve Casus'
    5.5.2 Twee complementen
    5.5.3 Het ‘subject' is een datief
  5.6 SC en argumentstructuur
    5.6.1 SC subject argument van V
    5.6.2 Samenvatting
6 Conclusie

Hoofdstuk 7: Ergativering
1 Inleiding
2 Soorten gebeurens
3 De SC-analyse van terminativiteit
  3.1 Terminativiteit
  3.2 Adjuncten: extra-argumenten en echte adjuncten
  3.3 De SC analyse van ergatieven
    3.3.1 De SC-analyse
    3.3.2 De SC als I argument van een ergatief werkwoord
4 Ergatieven hebben geen SC complement
  4.1 Het geval van geërgativeerde werkwoorden
  4.2 Tegen een SC-analyse bij ergatieve werkwoorden
5 Meer over PP's
  5.1 ±go P's
  5.2 ±go P's contra de SC-analyse
6 Ergativering
7 Conclusie

Hoofdstuk 8: Conclusies
<nog in bewerking>

Appendix: Over kwantoren
1 Inleiding
2 De aard van kwantoren
3 De kenmerken ±<universele kwantor> en ±<existentiële kwantor>
4 Conclusie

Appendix: Over de standaardvisie op theta-rollen
1 Inleiding
2 Jackendoff
  2.1 Lexicaal conceptuele structuur
  2.2 Verklarende kracht
3 Hale en Keyser

Appendix: Anderen over ergativering
1 Inleiding
  1.1 Lieber & Baayen
  1.2 Hoekstra c.s.
  1.3 Ackema
2. Quasi-ergatieven
3. Conclusie

Appendix: Over de structuur van PP's
1. Inleiding
2. Anderen over PP's
3. Het eerste alternatief
4. Het tweede alternatief
  4.1 postposities en paden
  4.2 Impliciete postposities
5. Conclusie

[ naar boven ]